Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5561

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717070 / KG ZA 26-293
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging termijn financieringsbelofte en weigering prematuur verkoopvordering woning na relatiebeëindiging

Partijen, ex-partners en gezamenlijk eigenaar van een woning, hadden in een eerder kort geding afgesproken dat de vrouw uiterlijk 26 maart 2026 een financieringsbelofte zou overleggen om het aandeel van de man in de woning over te nemen.

De vrouw kon deze financieringsbelofte niet tijdig overleggen en vorderde een verlenging van de termijn. De man vorderde in reconventie nakoming van de afspraken en verkoop aan een derde indien financiering niet mogelijk was.

De rechtbank oordeelde dat de vertraging deels aan de man te wijten was vanwege onvoldoende medewerking bij de taxatie en dat de vrouw een redelijke termijn nodig heeft voor financiering. Daarom werd de termijn verlengd tot uiterlijk 24 juli 2026. De vorderingen van de man tot verkoop aan een derde werden als prematuur afgewezen.

De vrouw werd gemachtigd om alle noodzakelijke handelingen te verrichten voor levering van het aandeel van de man, mits tijdige financieringsbelofte. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De termijn voor het overleggen van de financieringsbelofte wordt verlengd tot 24 juli 2026 en de vorderingen tot verkoop aan een derde worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717070 / KG ZA 26-293
Vonnis in kort geding van 24 april 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist,
tegen
[de man],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. N.E. de Vries.

1.De zaak in het kort

[de vrouw] vordert in dit kort geding een verlenging van de in het eerdere kort geding afgesproken termijn voor het overleggen van een financieringsbelofte voor de overname van het aandeel van [de man] in de woning. Deze vordering wordt toegewezen en wel tot uiterlijk 30 juni 2026. De vorderingen in reconventie tot verkoop en levering van de woning aan een derde als de financiering niet (tijdig) kan worden verkregen, worden als te prematuur afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 1 april 2026, met producties 1 tot en met 13;
- producties 14 tot en met 17 van [de vrouw] ;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 25;
- de pleitnota van mr. Weermeijer-Patist.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft op 20 april 2026 plaatsgevonden. Beide partijen en hun advocaten waren daarbij aanwezig.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. De relatie is medio 2025 beëindigd.
3.2.
Partijen zijn samen, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de woning, gelegen aan De [adres] in ( [postcode] ) [woonplaats 1] (hierna: ‘de woning’). [de man] woont sinds 1 augustus 2025 elders.
3.3.
In een eerder door [de man] gestart kort geding hebben partijen ter zitting op 4 december 2025 onder meer de volgende afspraken gemaakt:
“1. De woning aan de [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats 1] wordt in januari 2026 getaxeerd door een nader te benoemen taxateur uit de regio. Partijen stellen beiden twee taxateurs voor en kiezen dan in onderling overleg de taxateur die de taxatie gaat uitvoeren. De kosten van de taxatie worden bij helfte gedragen. Door ondertekening van dit proces-verbaal geven beide partijen opdracht tot deze taxatie. Deze taxatie zal tussen beide partijen gelden als bindend ter uitvoering van deze overeenkomst.
2. De woning wordt toegedeeld aan de vrouw voor de taxatiewaarde, onder de voorwaarde dat de vrouw uiterlijk op 26 maart 2026 de schriftelijke bevestiging kan verstrekken dat een passende financiering is verkregen en de man kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. Op het moment dat die bevestiging is verkregen, zal de vrouw een afspraak bij de notaris maken. Beide partijen zullen ten spoedigste de notaris volmacht verstrekken tot het verrichten van de nodige ambtshandelingen. De kosten koper zijn voor rekening van de vrouw. De opbrengst zal na aftrek van de hypotheekschulden per datum levering bij helfte worden verdeeld.
3. Uiterlijk bij de levering van het aandeel van de woning van de man aan de vrouw, betaalt de vrouw aan de man een bedrag van € 9.000,- uit hoofde van het saldo van verrekeningen over en weer van gemaakte kosten in verband met (aanschaf en verbouwing van) de woning.
(..)
6. Als het de vrouw niet lukt de gemaakte afspraak voor toedeling aan haar van de woning uit te voeren, dan zal de woning aan een derde worden verkocht. In dat geval zullen partijen binnen 2 weken na 26 maart 2026 een makelaar opdracht geven tot verkoop over te gaan. Partijen zullen hun medewerking verlenen aan een vlotte uitvoering van die opdracht en aan de levering aan die derde.(..)”
3.4.
De woning is – na een discussie tussen partijen welke makelaar de taxatie zou gaan verrichten – op 4 maart 2026 getaxeerd voor een bedrag van € 490.000,-.
3.5.
Op 16 maart 2026 e-mailt de financieel adviseur van [de vrouw] haar het volgende:
“Na ontvangst van de concept akte van verdeling kunnen wij aan de slag met de financieringsaanvraag. Uit ervaring blijkt dat het proces rondom ontslag hoofdelijk aansprakelijkheid bij een geldverstrekker een langere doorlooptijd met zich meebrengt. Daarom zou het redelijk zijn om een termijn van 8 weken aan te houden na ontvangst concept akte van verdeling. De financiering is al volledig besproken en doorberekend, waar mogelijk zullen wij het proces proberen te versnellen.(..)”

4.Het geschil

in conventie
4.1.
[de vrouw] vordert – na wijziging van eis ter zitting – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tussen partijen overeengekomen termijn van 26 maart 2026 voor het verstrekken van de financieringsbevestiging (zoals vastgelegd in het proces-verbaal d.d. 4 december 2025) te verlengen tot en met drie maanden na datum vonnis, of in ieder geval eind juni 2026;
II. te bepalen dat [de vrouw] gemachtigd is om alles te mogen doen wat noodzakelijk is voor de levering van de woning aan haar, waarbij dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [de man] aan de akte van verdeling en levering, mits [de vrouw] uiterlijk 30 juni 2026 een financieringsbelofte overlegt;
III. zodanige beslissingen te nemen als in goede justitie geraden wordt geacht;
IV. in alle gevallen: [de man] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten).
4.2.
[de man] voert verweer. [de man] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de vrouw] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de vrouw] , met veroordeling van [de vrouw] in de kosten van deze procedure.
in reconventie
4.3.
[de man] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [de vrouw] te veroordelen tot nakoming van het tussen partijen overeengekomen spoorboekje zoals opgenomen in het proces-verbaal van 4 december 2025 en [de vrouw] te bevelen om:
binnen twee weken na dit vonnis, onvoorwaardelijk en onherroepelijk haar medewerking te verlenen om de woning te verkopen aan een derde en in dat verband een opdracht tot dienstverlening tot verkoop te geven aan DB Makelaars, bij gebreke waarvan dit vonnis voor medewerking/toestemming van [de vrouw] in de plaats treedt als had [de vrouw] die medewerking/toestemming verleend;
alle verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van [de man] of de makelaar op te volgen/uit te voeren en alle medewerking/inspanning te verlenen aan de werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto’s en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;
zodra de woning is verkocht, binnen twee weken, ter zake deze woning een onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht te verlenen ten behoeve van de notaris tot eigendomsoverdracht/goederenrechtelijke levering van die woning, bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis voor de medewerking/toestemming van de [de vrouw] in de plaats treedt als had [de vrouw] die medewerking/toestemming verleend;
e notaris te instrueren om na verkoop en levering van de woning bij de verdeling van de overwaarde van het aandeel in de overwaarde dat [de vrouw] toekomt een bedrag van
€ 9.000,- aan [de man] uit te keren, bij gebreke waarvan het in deze te wijzen vonnis voor medewerking/toestemming van [de vrouw] in de plaats treedt als had [de vrouw] die medewerking/toestemming verleend;
alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat [de vrouw] na betekening van dit vonnis niet aan de veroordelingen voldoet, met een maximum van € 25.000 en met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten (inclusief nakosten), te vermeerderen met wettelijke rente.
4.4.
[de vrouw] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [de man] .

5.De beoordeling

5.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie met elkaar samenhangen, behandelt de voorzieningenrechter de vorderingen gezamenlijk.
5.2.
In zaken als de onderhavige is het uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel van de één in de woning (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) aan de ander moet worden overgedragen of, als die overdracht niet tot de mogelijkheden behoort, dat de woning moet worden verkocht aan een derde. Hierover hebben partijen op zitting in een eerder gevoerde procedure, afspraken gemaakt.
Partijen hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen
5.3.
[de vrouw] stelt een spoedeisend belang te hebben bij haar vorderingen, omdat de termijn die partijen hebben afgesproken voor het verkrijgen van haar financiering is verstreken. Als haar geen langere termijn wordt gegund, moet de woning worden verkocht. [de vrouw] kan om die reden geen bodemprocedure afwachten. [de man] stelt dat hij door de huidige situatie klem zit en zijn leven na het einde van de relatie niet verder kan opbouwen. Partijen hebben het spoedeisend belang over en weer niet betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat beide partijen voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen hebben.
De vertraging is niet geheel aan [de man] te wijten
5.4.
Partijen vorderen beiden nakoming van de ter zitting gemaakte afspraken. [de vrouw] vordert een verlenging van de afgesproken termijn, omdat het aan [de man] te wijten is dat zij voor de afgesproken datum (uiterlijk op 26 maart 2026) geen financiering heeft kunnen verkrijgen. [de man] betwist dit en stelt dat omdat het [de vrouw] niet is gelukt om een passende financiering voor de afgesproken datum te verkrijgen, de woning conform de gemaakte afspraken moet worden verkocht aan een derde.
5.5.
Vaststaat dat het [de vrouw] niet is gelukt om uiterlijk op 26 maart 2026 de schriftelijke bevestiging aan [de man] te verstrekken dat een passende financiering is verkregen en dat hij kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit gedeeltelijk aan [de man] te wijten is. [de vrouw] heeft aannemelijk gemaakt dat [de man] aanvankelijk onvoldoende heeft meegewerkt aan het uitkiezen van een makelaar voor het taxeren van de woning. [de vrouw] heeft immers een week na de zitting in het eerste kort geding reeds verzocht om een makelaar aan te wijzen om de woning te laten taxeren. Wat volgde, waren vele berichten tussen partijen (en hun advocaten). [de man] stemde – na zich eerst enige tijd niet inhoudelijk uit te willen laten – uiteindelijk niet in met de door [de vrouw] voorgestelde makelaars. Nadien stemde [de vrouw] – tegen het advies van haar advocaat in – niet in met taxatie door één van de door [de man] voorgestelde makelaars, omdat deze niet, zoals partijen hadden afgesproken, gevestigd is in de regio. Dat is op zich juist, maar uit het door [de man] overgelegde screenshot van de website van een door hem voorgestelde makelaar blijkt dat die makelaar taxaties verricht in meerdere regio’s, waaronder in de regio van de woning van partijen. De woning is na nog meer overleg en vertraging uiteindelijk door een andere makelaar getaxeerd.
5.6.
Hoewel het niet geheel aan [de man] te wijten is dat er vertraging is opgetreden, heeft ook de aan [de man] te wijten vertraging gevolgen gehad voor de nog resterende termijn om een financiering te verkrijgen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft in ieder geval [de vrouw] zich ten tijde van het maken van de afspraken ter zitting onvoldoende gerealiseerd dat het verkrijgen van een financiering veelal meer tijd vergt dan de termijn die partijen daarvoor hebben afgesproken. Uit de door [de man] overgelegde productie 22 blijkt dat de advocaat van [de man] zich er destijds in ieder geval al wel van bewust was dat het verkrijgen van een financiering doorgaans meer tijd in beslag neemt. In dat licht bezien ligt het in de rede om de weigering van [de man] om eraan mee te werken dat vóór januari 2026 alvast een taxateur kon worden aangewezen, zoals [de vrouw] heeft voorgesteld, zodat die taxateur nog in december 2025 of vroeg in januari 2026 een rapport had kunnen verstrekken, te zien als een poging om te trachten het daarheen te leiden dat [de vrouw] niet tijdig over een financieringstoezegging zou kunnen beschikken. [de man] heeft ter zitting niet weersproken dat hij nog altijd (veel) moeite heeft met het feit dat [de vrouw] samen met haar huidige partner, een eerdere gemeenschappelijke vriend van partijen, in de woning wil gaan wonen.
[de vrouw] krijgt nog een termijn om [de man] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening
5.7.
[de vrouw] vordert verlenging van de afgesproken termijn tot en met drie maanden na de datum van dit vonnis, of in ieder geval eind juni 2026. De voorzieningenrechter wijst een verlenging toe tot en met drie maanden na dit vonnis, in de vorm als in de beslissing vermeld, en licht dit als volgt toe.
5.8.
Hoewel de gevorderde termijn een verdubbeling is van de aanvankelijk afgesproken termijn, kan uit de overgelegde producties worden opgemaakt dat [de vrouw] deze termijn ook daadwerkelijk nodig heeft om de financiering te kunnen verkrijgen. Uit de e-mail van haar financieel adviseur blijkt immers dat een termijn van acht weken wordt aangehouden om het ontslag van [de man] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld te realiseren na ontvangst van de concept akte van verdeling. De concept akte van verdeling wordt binnen drie weken na betaling van een voorschot verstrekt (productie 23 van [de man] ).
5.9.
De voorzieningenrechter weegt het belang van [de man] , ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening om zijn leven verder te kunnen opbouwen, mee. Dit ontslag kan echter ook, en mogelijk zelfs sneller, worden bereikt door [de vrouw] nog een termijn te geven voor de overname van zijn aandeel in de woning in plaats van dat de woning moet worden verkocht en geleverd aan een derde. De financieel adviseur van [de vrouw] heeft immers al aangegeven dat de financiering kan worden verkregen. Dat is door [de man] ook niet gemotiveerd betwist. Dat [de man] er om emotionele redenen de voorkeur aan geeft dat de woning in het bezit van een derde komt in plaats van in het bezit van [de vrouw] vormt geen rechtens te respecteren belang om [de vrouw] geen reële kans te gunnen om het aandeel van [de man] in de woning over te nemen.
5.10.
De voorgaande belangenafweging leidt dus tot het oordeel dat [de vrouw] tot
uiterlijk 24 juli 2026de tijd krijgt om aan te tonen dat zij een financiering krijgt voor de overname van het aandeel van [de man] in de woning en dat [de man] kan worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypotheekschuld. [de vrouw] heeft toegezegd dat de akte van verdeling vervolgens ook zo spoedig mogelijk zal worden gepasseerd. Hiermee wordt voldoende aan het belang van [de man] tot spoedig ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid tegemoet gekomen. Als het [de vrouw] binnen de gestelde termijn niet lukt om “de financieringbelofte” te verkrijgen, moet de woning alsnog worden verkocht en zullen partijen conform de eerder gemaakte afspraken binnen twee weken een makelaar de opdracht geven voor de verkoop van de woning. [de man] heeft niet aannemelijk gemaakt dat als het [de vrouw] niet (binnen de gestelde termijn) lukt om de financiering rond te krijgen, zij niet zal meewerken aan verkoop en levering van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter acht de vorderingen in reconventie dan ook te prematuur en wijst deze af.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.11.
Omdat partijen ex-partners zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten tussen hen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
verlengt de tussen partijen overeengekomen termijn voor het verstrekken van de financieringsbevestiging tot en met 24 juli 2026,
6.2.
machtigt [de vrouw] om alles te doen wat noodzakelijk is voor de levering van het onverdeelde aandeel van [de man] in de woning, te ( [postcode] ) [woonplaats 1] , aan de [adres] , aan haar, mits [de vrouw] uiterlijk op 24 juli 2026 een financieringsbelofte overlegt,
6.3.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [de man] aan de akte van verdeling en levering, mits [de vrouw] uiterlijk op 24 juli 2026 een financieringsbelofte overlegt,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1, 6.2 en 6.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.7.
wijst de vorderingen van [de man] af,
6.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.
3608/1729