Eiser heeft een gehandicaptenparkeerkaart aangevraagd voor zowel bestuurder als passagier, waarbij het college een kaart voor de bestuurder heeft toegekend voor de duur van één jaar. Eiser wilde een geldigheidsduur van vijf jaar en maakte bezwaar tegen het besluit. Na een medische beoordeling door een adviserend arts, die concludeerde dat een herkeuring na één jaar noodzakelijk is, handhaafde het college het besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 behandeld en beoordeelt of het college terecht het advies van de arts heeft gevolgd en de geldigheidsduur heeft beperkt. De rechtbank oordeelt dat het advies objectief en voldoende onderbouwd is en dat het college terecht het chronische karakter van de klachten en de behandelingen heeft meegewogen.
Eiser kon niet aantonen dat het advies onjuist of onvolledig was, en de rechtbank wijst erop dat de stukken die eiser overlegt betrekking hebben op andere beoordelingskaders. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij de komende jaren niet meer dan 100 meter kan lopen, omdat het advies juist een herkeuring na één jaar aanbeveelt vanwege mogelijke verbetering.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, bevestigt de geldigheidsduur van één jaar en wijst het verzoek om een langere geldigheidsduur af. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.