ECLI:NL:RBROT:2026:5519

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11818912 CV EXPL 25-16534
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:411 BWArt. 611a lid 1 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst opdracht en redelijke loon na voortijdige beëindiging

Bedrijf A vordert betaling van twee facturen ter waarde van €7.562,52 van bedrijf B en bedrijf C op basis van een samenwerkingsovereenkomst. Bedrijf B betwist dat werkzaamheden zijn verricht en wil de aankoopprijs van een softwarepakket terugvorderen. De rechtbank stelt vast dat tussen bedrijf A en bedrijf B een rechtsgeldige overeenkomst van opdracht is gesloten voor begeleiding bij het meten van maatschappelijke impact.

De overeenkomst liep van april 2024 tot maart 2025, maar werd voortijdig beëindigd. Bedrijf A heeft werkzaamheden verricht tot medio augustus 2024 en zich beschikbaar gehouden tot oktober 2024, ondanks verminderde medewerking van bedrijf B. De rechtbank bepaalt dat bedrijf A recht heeft op een redelijk loon van €5.671,89, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat na augustus nauwelijks werkzaamheden zijn verricht.

Bedrijf B heeft recht op een credit van €600 exclusief btw wegens een te hoge prijs voor het softwarepakket, waardoor het te betalen bedrag aan bedrijf A €4.945,89 bedraagt. De vordering tegen bedrijf C wordt afgewezen omdat zij niet gehouden is tot betaling. Verzoeken tot dwangsommen en verbod op negatieve uitlatingen worden eveneens afgewezen. De proceskosten worden grotendeels aan bedrijf B opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Bedrijf B wordt veroordeeld tot betaling van €4.945,89 aan bedrijf A wegens redelijke loon na voortijdige beëindiging van de overeenkomst; vorderingen tegen bedrijf C worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11818912 CV EXPL 25-16534
datum uitspraak: 1 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf A],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
gemachtigden: [persoon A] en [persoon B] ,
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
eiseres in reconventie,
vertegenwoordigd door: [persoon C] .
en
[bedrijf C],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
gedaagde,
vertegenwoordigd door: [persoon C] .
De partijen worden hierna ‘ [bedrijf A] ’, ‘ [bedrijf B] ’ en ‘ [bedrijf C] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 24 juli 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord en het daarbij overgelegde schriftelijke antwoord met een eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
  • de mail van 19 februari 2026 van [persoon C] , met bijlagen;
  • de mail van 20 februari 2026 van [persoon B] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de kant van [bedrijf A] ;
  • de spreekaantekeningen van de kant van [bedrijf B] en [bedrijf C] .
1.2.
Op 3 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
  • van de kant van [bedrijf A] : [persoon D] (impact manager) en [persoon B] en via een digitale beeld- en geluidverbinding [persoon A] (middellijk statutair bestuurder, hierna: ‘ [persoon A] ’);
  • van de kant van [bedrijf B] en [bedrijf C] : [persoon C] .

2.De beoordeling

De kern van de zaak
2.1.
[bedrijf A] wil dat [bedrijf B] en/of [bedrijf C] twee facturen van haar betaalt. Het gaat in totaal om € 7.562,52 (inclusief btw). [bedrijf A] vraagt dat op basis van een samenwerkingsovereenkomst, die volgens [bedrijf A] is gesloten met [bedrijf B] . Omdat [bedrijf C] zou zorgdragen voor de betalingen heeft [bedrijf A] zowel [bedrijf B] als [bedrijf C] aangesproken. [bedrijf B] en [bedrijf C] zijn het daar niet mee eens en willen niet betalen. [bedrijf B] vindt dat [bedrijf A] nooit is begonnen met de werkzaamheden. [bedrijf B] heeft wel een softwarepakket gekocht, maar wil de aankooprijs van € 1.500,- ex btw terug van [bedrijf A] omdat het onnodig en te duur is.
2.2.
De uitkomst van de zaak is dat [bedrijf B] € 4.945,89 en de proceskosten moet betalen aan [bedrijf A] . Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Hoe moet de eis worden begrepen?
2.3.
[bedrijf A] eist in de dagvaarding ‘[g]edaagden afzonderlijk of gezamenlijk te gebieden met onmiddellijke ingang na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de vorderingen van de gestelde deelfacturen te betalen’. Gelet op de inhoud van de dagvaarding begrijpt de kantonrechter dat dit moet worden begrepen als een eis tot veroordeling van [bedrijf B] en/of [bedrijf C] om het bedrag van de twee facturen te betalen aan [bedrijf A] . [bedrijf B] en [bedrijf C] hebben de eis ook zo begrepen.
[bedrijf A] en [bedrijf B] hebben een overeenkomst van opdracht gesloten
2.4.
Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat het als productie 4 bij de dagvaarding overgelegde document met de naam ‘opdracht tot samenwerking’ namens [bedrijf B] rechtsgeldig ondertekend is door [persoon E] en dat daarmee een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen tussen [bedrijf A] (onder handelsnaam ‘ [handelsnaam A] ’) en [bedrijf B] . Samengevat gaat het om (begeleiding bij) het meten van maatschappelijke impact.
[bedrijf A] heeft recht op € 5.671,89 aan loon
2.5.
De overeenkomst had een looptijd van april 2024 t/m maart 2025 en is (feitelijk) geëindigd voordat de looptijd was verstreken. In oktober 2024 heeft [persoon A] aan de heer [persoon F] (statutair bestuurder van zowel [bedrijf B] als [bedrijf C] ) gemaild dat [bedrijf A] vastloopt in het opvolgen van de werkzaamheden vanwege drukte bij het secretariaat van [bedrijf B] en dat [bedrijf A] graag met [persoon F] wil bespreken hoe de plooien glad te strijken. Uit de overgelegde mails tussen [persoon F] en [persoon A] kan worden afgeleid dat [bedrijf B] niets (meer) van [bedrijf A] wilde. [persoon F] heeft in dat mailverkeer immers meerdere keren benoemd dat de samenwerking in zijn visie nooit is gestart en dat het boek maar moet worden gesloten. [bedrijf A] heeft zich daar kennelijk bij neergelegd en naar eigen zeggen vanaf november 2024 niets meer gedaan.
2.6.
Onder deze omstandigheden heeft [bedrijf A] nog wel recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon (artikel 7:411 BW Pro). [bedrijf A] eist het bedrag van beide deelfacturen van in totaal € 7.562,52 inclusief btw. De eerste deelfactuur ziet op de periode mei t/m juli en de tweede deelfactuur op de periode augustus t/m oktober 2024.
2.6.1.
Volgens [bedrijf B] is [bedrijf A] nooit begonnen met werkzaamheden. [bedrijf A] heeft toegelicht dat zij dat wel heeft gedaan en daarbij gewezen op het overzicht dat als bijlage 14 bij de dagvaarding is gevoegd. [bedrijf A] heeft verder toegelicht dat zij voor haar werkzaamheden afhankelijk was van het tempo en de medewerking van [bedrijf B] , dat er vanuit [bedrijf B] na een aantal weken al nauwelijks medewerking meer kwam en dat [bedrijf A] zich wel beschikbaar heeft gehouden voor werkzaamheden voor [bedrijf B] in mei t/m oktober 2024. Een en ander is door [bedrijf B] en [bedrijf C] niet (voldoende concreet) betwist.
2.6.2.
[bedrijf B] heeft verder aangevoerd dat zij alleen wil betalen voor gewerkte uren en/of gespecificeerde werkzaamheden. [bedrijf B] miskent echter dat in de overeenkomst niet is bepaald dat de afgesproken (deel)vergoeding is gekoppeld aan een bepaalde hoeveelheid uren begeleiding of aan bepaalde werkzaamheden. Daarom kan [bedrijf B] hier niet worden gevolgd.
2.6.3.
Uit het overzicht van bijlage 14 bij de dagvaarding volgt dat na 6 augustus 2024 nauwelijks meer sprake is geweest van werkzaamheden ter uitvoering van de opdracht. Hoewel [bedrijf A] desgevraagd heeft verklaard dat zij toen nog wel tijd heeft gereserveerd voor werkzaamheden voor [bedrijf B] , is de kantonrechter van oordeel dat [bedrijf A] zich vanaf medio september 2024 had kunnen realiseren dat [bedrijf B] daar geen gebruik van zou maken.
2.7.
Tegen deze achtergrond wordt het redelijk loon waarop [bedrijf A] aanspraak heeft, gesteld op het bedrag van de eerste deelfactuur (€ 3.781,26) en de helft van het bedrag van de tweede deelfactuur (€ 1.890,63), bij elkaar in totaal € 5.671,89 (inclusief btw).
[bedrijf B] heeft recht op € 600,- exclusief btw in verband met het softwarepakket
2.8.
[bedrijf B] wil de aankoopprijs van € 1.500,- ex btw voor het softwarepakket terug van [bedrijf A] . Zij stelt dat het softwarepakket als onderdeel van het voorstel van [bedrijf A] is aangeprezen en vervolgens is gekocht door [bedrijf B] , maar zij vindt die software onnodig en te duur. De in de overeenkomst genoemde prijs was bovendien € 900,- ex btw, maar [bedrijf B] heeft € 1.500,- ex btw moeten betalen. [bedrijf A] heeft erkend dat € 900,- ex btw als prijs was afgesproken en heeft toegezegd € 600,- ex btw te crediteren. Dat was echter nog niet gebeurd. Tijdens de zitting heeft [bedrijf A] haar eis daarom met € 600,- ex btw verminderd. De kantonrechter oordeelt dat [bedrijf B] geen recht heeft op de rest van de aankoopprijs. De enkele omstandigheid dat [bedrijf B] de software te duur en onnodig vindt brengt niet zonder meer mee dat [bedrijf A] de rest van de aankoopprijs zou moeten terugbetalen aan [bedrijf B] . Feiten of omstandigheden die een ander oordeel zouden kunnen rechtvaardigen, zijn door [bedrijf B] niet gesteld. De tegeneis van [bedrijf B] wordt daarom afgewezen.
[bedrijf B] moet uiteindelijk € 4.945,89 betalen aan [bedrijf A]
2.9.
Het door [bedrijf B] aan [bedrijf A] verschuldigde loon is € 5.671,89 inclusief btw. Omdat hierop € 600,- ex btw (dat is € 726,- incl. btw) in mindering wordt gebracht vanwege de te hoge aankoopprijs van het softwarepakket, resteert een bedrag van € 4.945,89 (inclusief btw). Dat bedrag moet [bedrijf B] betalen aan [bedrijf A] .
De andere eisen van [bedrijf A] worden afgewezen
2.10.
[bedrijf A] spreekt niet alleen [bedrijf B] aan voor het betalen van de facturen, maar ook [bedrijf C] . De eis tegen [bedrijf C] wordt afgewezen. De enkele omstandigheid dat namens [bedrijf B] is verzocht de facturen aan [bedrijf C] te sturen, brengt niet mee dat [bedrijf C] gehouden is om die facturen te betalen.
2.11.
[bedrijf A] eist dat [bedrijf B] (en [bedrijf C] ) worden veroordeeld om een dwangsom te betalen als zij niet aan de veroordeling tot betaling van de deelfacturen voldoen. Deze eis wordt afgewezen, omdat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom (artikel 611a lid 1 Rv).
2.12.
[bedrijf A] wil ook dat het [bedrijf B] en [bedrijf C] wordt verboden om negatieve uitlatingen te doen over de overeenkomst met [bedrijf A] om reputatieschade te voorkomen, op verbeurte van een dwangsom. Deze eis wordt ook afgewezen, omdat een grondslag en onderbouwing ontbreken.
De proceskosten
2.13.
De proceskosten in conventie in de verhouding tussen [bedrijf A] en [bedrijf C] komen voor rekening van [bedrijf A] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot die kosten op nihil, omdat [bedrijf C] nauwelijks inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht.
2.14.
De proceskosten in conventie in de verhouding tussen [bedrijf A] en [bedrijf B] komen voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [bedrijf A] moet betalen op € 125,30 aan dagvaardingskosten, € 135,00 aan griffierecht en € 720,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,00). Voor kosten die [bedrijf A] maakt na deze uitspraak moet [bedrijf B] een bedrag betalen van € 144,00. Dat is in totaal € 1.124,30. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
2.15.
De proceskosten in reconventie komen ook voor rekening van [bedrijf B] , omdat zij voor het grootste gedeelte ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [bedrijf A] moet betalen op € 217,00 aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 2 punten x € 217,00).
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.16.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [bedrijf A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen € 4.945,89;
3.2.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten van [bedrijf A] in conventie en in reconventie, die aan de kant van [bedrijf A] worden begroot op € 1.341,30;
3.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten van [bedrijf C] in conventie, die aan de kant van [bedrijf C] worden begroot op nihil;
3.5.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
34286