Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5462

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
10-028368-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak voorbereiden harddrugs; veroordeling bezit MDMA en ketamine

De rechtbank Rotterdam heeft op 23 april 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het voorhanden hebben van ongeveer 9,2 kilo MDMA, 444 gram cocaïne, het voorbereiden van strafbare feiten met betrekking tot harddrugs en het in voorraad hebben van circa 30,5 kilo ketamine zonder registratie. De rechtbank sprak verdachte vrij van het voorbereiden van strafbare feiten en het bezit van cocaïne, maar veroordeelde hem voor het bezit van MDMA en ketamine.

De bewezenverklaring berustte op onder meer politieprocessen-verbaal, deskundigenrapporten van het Nederlands Forensisch Instituut en verklaringen van de verdachte zelf. De ketamine werd aangetroffen in de woning van verdachte in twee bigshoppers met diverse zakken. De rechtbank oordeelde dat het in voorraad hebben van ketamine zonder registratie strafbaar is, ook zonder dat sprake is van groothandel.

De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege de grote hoeveelheden drugs en de schadelijke effecten op de volksgezondheid. Verdachte had geen strafblad voor soortgelijke feiten. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 32 maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees een voorwaardelijk strafdeel af. De in beslag genomen verdovende middelen werden onttrokken aan het verkeer, terwijl het in beslag genomen geldbedrag van €3.700,- werd teruggegeven aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf voor bezit van MDMA en ketamine, vrijgesproken van voorbereiden strafbare feiten.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-028368-26
Datum uitspraak: 23 april 2026
Datum zitting: 9 april 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres: [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. K.C. van de Wijngaart
Officier van justitie: mr. M. van Drunen
Kern van het vonnis
Bewezen is dat de verdachte opzettelijk ongeveer 9 kilo MDMA aanwezig heeft gehad en ongeveer 30 kilo ketamine in voorraad heeft gehad. De verdachte wordt vrijgesproken van het voorbereiden van strafbare feiten met betrekking tot harddrugs. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van voorarrest.

1.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij zich – samengevat – schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 9.200 gram MDMA en ongeveer 440 gram cocaïne, het voorbereiden van strafbare feiten met betrekking tot harddrugs en het in voorraad hebben van 30,5 kilo ketamine.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat de verdachte:
feit 1op of omstreeks 26 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 9.200 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende, MDMA en/of
- ongeveer 444 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde MDMA en/of cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2op of omstreeks 26 januari 2026 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen van MDMA/cocaïne, in elk geval (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door
- de woning gelegen aan de [adres] te gebruiken en/of
- een vacumeermachine en/of diverse zakken ten behoeve van het verpakken van verdovende middelen voorhanden te hebben en/of
- een hoeveelheid polystereen en/of procaïne en/of lactose en/of cathinone en/of andere chemicaliën/grondstoffen voorhanden te hebben;
feit 3op of omstreeks 26 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk zonder registratie als bedoeld in de Geneesmiddelenwet een (grote hoeveelheid van een) werkzame stof, te weten 30,5 kilogram ketamine, althans 30,5 kilogram van een materiaal bevattende ketamine in voorraad heeft gehad.

2.Beoordeling van de beschuldigingen

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld voor de feiten onder 1, 2 en 3. Voor feit 1 heeft zij partiële vrijspraak gevorderd voor het voorhanden hebben van cocaïne. Voor feit 2 heeft zij partiële vrijspraak gevorderd voor het gedachtestreepje ‘de woning gelegen aan de [adres] te gebruiken’ en voor alle chemicaliën genoemd onder het laatste gedachtestreepje, met uitzondering van de procaïne.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft voor feit 1 partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de tenlastegelegde cocaïne. De verdediging heeft ook vrijspraak bepleit voor de feiten 2 en 3. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Vrijspraak feit 2 (voorbereidingshandelingen)
De beschuldiging onder feit 2 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
2.3.2.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feiten 1 en 3
Bewezen is dat de verdachte:
feit 1op 26 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
-
9.114 gramvan een materiaal bevattende MDMA,
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 3op 26 januari 2026 te Rotterdam opzettelijk zonder registratie als bedoeld in de Geneesmiddelenwet een grote hoeveelheid van een werkzame stof, te weten
29.969 gramketamine, in voorraad heeft gehad.
Feit 1: voorhanden hebben van MDMA
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven [1] . De rechtbank vindt net als de officier van justitie en de verdediging dat het voorhanden hebben van cocaïne niet bewezen kan worden verklaard. De verdachte wordt van dat onderdeel vrijgesproken.
1.
Verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie [3]
3.
Proces-verbaal van de politie [4]
4.
Schriftelijk stuk [5]
5.
Schriftelijk stuk [6]
Feit 3: in voorraad hebben van ketamine
De bewezenverklaring van het feit is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen [7] en de onderstaande bewijsmotivering.
1.
Verklaring van de verdachte [8]
Ik heb de ketamine op 26 januari 2026 in mijn bezit gehad. Ik ben mij ervan bewust dat ik het niet mag hebben.
2.
Proces-verbaal van de politie [9]
Op 26 januari 2026 werd de woning van [verdachte] aan de [adres] doorzocht. In de woonkamer stonden twee bigshoppers met diverse zakken met vermoedelijk ketamine. Deze goederen zijn in beslag genomen onder goednummer 2955543.
3.
Proces-verbaal van de politie [10]
Goednummer 295543 werd voorzien van SIN-monsters. Het nettogewicht betrof in totaal 29.969 gram. In de tabel zijn de resultaten weergegeven.
4.
Deskundigenverslag [11]
De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in onderstaande tabel:
5.
Deskundigenverslag [12]
De resultaten van het onderzoek zijn vermeld in onderstaande tabel:
6.
Schriftelijk stuk [13]
De aangetroffen producten 1 t/m 6 (AATG7273NL, AATG7274NL, AATG7275NL, AATG7276NL, AATG7277NL, AATG7278NL) zijn substanties die geen farmaceutische vorm hebben. De producten 1 t/m 6 voldoen aan de omschrijving van het begrip werkzame stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder x.1, van de Geneesmiddelenwet.
7.
Schriftelijk stuk [14]
Aan verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in artikel 38, eerste lid,
van de Geneesmiddelenwet. Hiermee beschikt verdachte niet over enige bevoegdheid tot het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten met een werkzame stof als bedoeld in de
Geneesmiddelenwet.
2.3.3.
Bewijsmotivering feit 3
De verdediging heeft bepleit dat het feit niet gekwalificeerd kan worden, omdat er geen sprake is van het ‘in voorraad hebben’ van de ketamine. Het in voorraad hebben moet worden uitgelegd als het hebben van een voorraad in het kader van het drijven van een groothandel in werkzame stoffen.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe als volgt. Volgens de bepaling van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet is het verboden om ‘zonder registratie werkzame stoffen te bereiden, in te voeren, in voorraad te hebben, te koop aan te bieden, af te leveren, uit te voeren of anderszins binnen of buiten Nederlands grondgebied te brengen,
dan welin werkzame stoffen een groothandel te drijven’. Door de woorden
dan welin die omschrijving ziet de rechtbank de bestanddelen ‘in voorraad te hebben’ en ‘in werkzame stoffen een groothandel te drijven’ als afzonderlijke strafbare gedragingen. De bepaling van artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet richt zich dus niet enkel tot fabrikanten of groothandelaren, maar tot iedereen – dus ook de verdachte – die zonder registratie werkzame stoffen ‘in voorraad heeft’.
Aan de verdachte is geen registratie verleend als bedoeld in art. 38 lid 1 Geneesmiddelenwet Pro. De verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan het zonder registratie in voorraad hebben van ketamine.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren met aftrek van voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om een gevangenisstraf tussen de twee en drie jaar, waarvan een deel voorwaardelijk, op te leggen.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van ongeveer 9 kilo MDMA en het in voorraad hebben van ongeveer 30 kilo ketamine, zonder over de vereiste registratie hiervoor te beschikken. Deze grote hoeveelheden had hij in zijn woning liggen. De door de verdachte gepleegde feiten zijn ernstig. Hoewel ketamine vanwege de geneeskundige toepassing onder de Geneesmiddelenwet valt, is het een verslavende stof die ook als partydrug wordt gebruikt. Het is daarmee, net als harddrugs, schadelijk voor de volksgezondheid. Het is daarnaast algemeen bekend dat de handel in harddrugs gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning van de bovenwereld. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan dit illegale circuit.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 20 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
In het rapport van Reclassering Nederland van 7 april 2026 staat dat de verdachte niet met de reclassering in gesprek wilde over de verdenkingen. Het is daarom lastig om een adequate inschatting te maken van het recidiverisico. De verdachte heeft in praktische zin zijn leven op orde en als er problemen spelen, weet hij die zelf op te lossen. Steunende factoren worden gezien in de relatie met zijn vriendin en zijn familie. Er wordt geadviseerd om een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen, zonder interventies of toezicht.
4.3.3.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten voor het bezit van harddrugs, waarbij voor 9 kilo een gevangenisstraf van ongeveer 26 maanden passend zou zijn. Daar komt de ketamine dan nog bij. Hoewel dit middel weliswaar wordt gebruikt als partydrug, valt het niet onder de Opiumwet. De rechtbank zoekt ten aanzien daarvan dus geen aansluiting bij de hiervoor genoemde oriëntatiepunten.
Alles afwegend wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd. Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer en dat het inbeslaggenomen geld (€ 3.700,00) wordt verbeurd verklaard.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om het geldbedrag terug te geven aan de verdachte.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank beslist dat de in beslag genomen verdovende middelen worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet.
5.3.2.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag (€ 3.700,00)
aan de verdachte.

6.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op:
de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, artikel 38 van Pro de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

7.Beslissingen

De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 2 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 32 maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart voor de feiten de verdovende middelen zoals vermeld op de beslaglijst (voorwerpen 2 tot en met 12) onttrokken aan het verkeer;
- beveelt de teruggave van € 3.700,00 aan de verdachte (voorwerp 1 op de beslaglijst).

8.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. E. IJspeerd, voorzitter,
en mrs. A.S. Flikweert en E. van Vliet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.H. Mooren, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 23 april 2026.
Mrs. E. van Vliet en V.J.H. Mooren zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
2.Verklaard tijdens de zitting van 9 april 2026.
3.Pagina 68 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
4.Pagina 159 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
5.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut [nummer 1] (aanvraag 001) van 11 februari 2026, pagina 173 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
6.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut [nummer 1] (aanvraag 002) van 11 februari 2026, pagina 174 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
7.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
8.Verklaard tijdens de zitting van 9 april 2026.
9.Pagina 68 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
10.Pagina 159 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].
11.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut [nummer 2] (aanvraag 001) van 17 maart 2026, pagina 179 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
12.Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut [nummer 2] (aanvraag 002) van 17 maart 2026, pagina 181 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
13.‘Productbeoordeling 26-074’ van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 24 maart 2026, pagina 183 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].
14.‘Bevoegdheidsbeoordeling’ van Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd van 25 maart 2026, pagina 195 e.v. van het eind proces-verbaal met nummer [proces-verbaalnummer 1].