Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5413

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/10/718521 / JE RK 26-757
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265i, tweede lid, BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming wijziging verblijfplaats en afwijzing spoedmachtiging uithuisplaatsing minderjarigen

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de kinderrechter om toestemming voor wijziging van de verblijfplaats van twee minderjarigen en om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing bij de oma te verlenen.

De minderjarigen verbleven sinds november 2023 bij pleegouders, maar gaven aan weer bij hun moeder te willen wonen. Na een crisismelding over mogelijke mishandeling bij de pleegouders, waarbij een spraakopname werd overlegd, werd het verblijf bij de pleegouders als onveilig beoordeeld. Het Crisis Interventie Team plaatste de kinderen tijdelijk bij de oma.

De kinderrechter stelde vast dat de minderjarigen ten minste een jaar bij de pleegouders waren opgevoed, waardoor toestemming voor wijziging van verblijf noodzakelijk is. Gezien de onveilige situatie bij de pleegouders werd toestemming voor wijziging van verblijf naar de oma verleend en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De kinderrechter wees het verzoek om een nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing af, omdat er al een geldige machtiging loopt tot het einde van de ondertoezichtstelling op 10 juli 2026, en een machtiging niet langer kan worden verleend dan de ondertoezichtstelling duurt.

De beslissing werd op 22 april 2026 in het openbaar uitgesproken door kinderrechter A.M.I. van der Does.

Uitkomst: Toestemming verleend voor wijziging verblijfplaats naar oma, maar verzoek om nieuwe spoedmachtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/718521 / JE RK 26-757
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] .
[naam opa] en [naam oma] ,
de opa en de stiefoma moederszijde (mz), hierna te noemen: de pleegouders, wonende op een voor de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 april 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het e-mailbericht van de moeder van 20 april 2026, ontvangen op 21 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
1.3.
De moeder is, met schriftelijke afmelding voorafgaand aan de zitting, niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
1.4.
De pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de pleegouders wel juist zijn opgeroepen.
1.5.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de oma mz.
2.3.
Bij beschikking van 19 mei 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 10 juli 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg verlengd tot 10 juli 2026.

3.Het aangehouden (spoed)verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de GI verzocht een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma mz, te verlenen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kinderrechter heeft het spoedverzoek van de GI in zijn geheel aangehouden, in afwachting van de mondelinge behandeling. Er resteert nog een beslissing op het gehele verzoek.

4.De standpunten

4.1.
De GI handhaaft het aangehouden verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds november 2023 bij de pleegouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wilden daar opgroeien, maar zij hebben de afgelopen periode aangegeven dat zij toch graag weer bij de moeder willen wonen. De moeder heeft kenbaar gemaakt het hiermee eens te zijn. Of en op welke manier terugplaatsing van de kinderen bij de moeder mogelijk is, moet de aankomende periode verder worden onderzocht. De GI heeft hiertoe een aanmelding gedaan bij Needed People en Youth Care en er is meer omgang met de moeder. Afgelopen weekend is er een crisismelding binnengekomen over de thuissituatie bij de pleegouders. Uit een spraakopname blijkt dat de kinderen door de pleegouders worden uitgescholden en (mogelijk) fysiek worden mishandeld, De kinderen geven aan dat dit al langere tijd gebeurt. De GI heeft eerder nooit zorgen gehad over de veiligheid van de kinderen bij de pleegouders, maar de afgelopen periode is hierop, mede door het ontbreken van een pleegzorgmedewerker, onvoldoende toezicht geweest. Het is voor de GI uit de spraakopname duidelijk dat ten tijde van de crisismelding sprake was van een (zeer) onveilige situatie, maar of dit al langere tijd het geval was is nog onduidelijk. De uitspraken van de kinderen lijken sterk op hun uitspraken over de thuissituatie bij de vader in het verleden, waardoor het lastig is om deze te duiden. Wel hebben de pleegouders pas na de crisismelding zorgen geuit over de kinderen waarover zij eerder niet met de GI hebben gesproken. Op dit moment is in ieder geval duidelijk dat het verblijf van de kinderen bij de pleegouders niet langer passend is. Het Crisis Interventie Team (het CIT) heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdelijk bij de oma mz geplaatst. Totdat over de terugplaatsing van de kinderen bij de moeder duidelijkheid bestaat, dient het verblijf van de kinderen bij de oma mz te worden gecontinueerd. Er is nog niet geregeld dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de buurt van de oma mz naar school kunnen.
4.2.
Door de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een periode bij de vader gewoond, na eerdere uithuisplaatsingen. Dit verliep erg goed en er was goed contact met zowel de moeder als de pleegouders. De kinderen zijn destijds echter – om een voor de vader onduidelijke en onjuiste reden – bij de pleegouders geplaatst. Hoewel de vader zich al langere tijd zorgen maakt over de gedragsproblematiek en de veiligheid van de kinderen bij de pleegouders (en dit ook al vaker heeft aangegeven bij de GI), herkent hij in de uitspraken van de kinderen een patroon dat zich herhaalt. De vader voelt zich door de pleegouders buiten spel gezet. Daarnaast voelt de vader zich niet gehoord door de GI. De vader heeft momenteel wel goed contact met de moeder.

5.De beoordeling

Toestemming wijziging verblijfplaats
5.1.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende ten minste één jaar door de pleegouders zijn opgevoed en verzorgd. Dat betekent dat de GI de toestemming van de kinderrechter nodig heeft voor een wijziging van hun verblijf. Toestemming van de kinderrechter op een verzoek tot wijziging van het verblijf wordt enkel geweigerd indien dit naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. [1]
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer veilig kunnen verblijven bij de pleegouders. Het is (nog) niet duidelijk of al langer sprake was van een onveilige situatie, maar de door [minderjarige 1] opgenomen spraakopname laat in ieder geval zien dat de pleegouders nu niet langer de aangewezen plek zijn voor de kinderen om te verblijven. Daarbij komt dat de pleegouders pas zeer recent naar buiten zijn gekomen met zorgen over de kinderen, waar de plaatsing tot voor kort zonder problemen leek te verlopen. Dat roept vraagtekens op en maakt dat het verblijf van de kinderen bij de pleegouders op dit moment niet meer passend is.
5.3.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] toegewezen dient te worden. De kinderrechter zal daarom toestemming verlenen voor de wijziging van het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
(Spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
De GI heeft een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in voorziening voor (netwerk)pleegzorg, te weten bij de oma mz, verzocht voor de duur van een jaar. De kinderen verblijven al bij oma mz sinds de crisismelding. Er wordt onderzocht of gefaseerd kan worden gewerkt aan een terugplaatsing bij de moeder, in de tussentijd kunnen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de oma mz blijven. Wel moet snel een school gevonden worden waar zij tijdens het verblijf bij oma mz naar toe kunnen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben vanaf jonge leeftijd traumatische gebeurtenissen meegemaakt, zoals instabiliteit in hun opvoedomgeving en meerdere uithuisplaatsingen. Hierdoor is bij hen sprake van trauma- en hechtingsproblematiek en vertonen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelfbepalend gedrag. Hier dient tijdens de plaatsing bij de oma mz en de eventueel toekomstige plaatsing bij de moeder voldoende aandacht voor te zijn.
5.6.
De kinderrechter constateert dat al een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg is uitgesproken voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, tot 10 juli 2026. Deze machtiging tot uithuisplaatsing laat toe dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een andere netwerkplek verhuizen, te weten naar oma mz. Er is daarom geen aanleiding om een nieuwe machtiging te verlenen. De GI heeft weliswaar gevraagd om een nieuwe machtiging voor een jaar, maar een machtiging tot uithuisplaatsing kan niet voor langer worden uitgesproken dan de ondertoezichtstelling loopt.
De kinderrechter zal het (spoed)verzoek van de GI daarom afwijzen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond toestemming tot wijziging in het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar een andere netwerkpleegzorgplek, te weten bij oma mz;
6.2.
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 30 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 1:265i, tweede lid, BW.