Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5401

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717487 / JE RK 26-635
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling van minderjarige wegens bedreiging ontwikkeling en hulpverleningsbehoefte

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige die in januari 2026 met spoed uit huis werd geplaatst nadat zij alleen thuis werd aangetroffen. Na terugplaatsing bij de moeder startte spoedhulpverlening die positief werd afgerond, maar er bleven zorgen over het functioneren van de moeder in stressvolle situaties en de ontwikkeling van de minderjarige.

De moeder heeft een traumatische achtergrond zonder behandeling en is niet in staat zelfstandig hulpverlening te zoeken of voort te zetten. De kinderopvang van de minderjarige is weggevallen, wat een belangrijke stimulans in haar ontwikkeling ontneemt. De vader woont in Duitsland en staat open voor hulpverlening en omgang.

De gecertificeerde instelling en de kinderrechter zijn van oordeel dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om regie te voeren over hulpverlening, waaronder kinderopvang en traumabehandeling. De kinderrechter stelt de minderjarige daarom voor negen maanden onder toezicht en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De minderjarige wordt voor negen maanden onder toezicht gesteld vanwege bedreiging van haar ontwikkeling en de noodzaak van regie over hulpverlening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717487 / JE RK 26-635
Datum uitspraak: 29 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [land] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 1 april 2026, ontvangen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
  • de vader;
  • een tweetal vertegenwoordigers van de Raad, [persoon A] en [persoon B] ;
  • een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: de GI), [persoon C] .
1.3.
Aangezien de moeder en de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Tigrinja, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van D. Habtab, tolk in de taal Tigrinja. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 1 februari 2026 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 1 mei 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 1 maart 2026. Het overige verzochte was aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 10 februari 2026 heeft de kinderrechter de spoedbeschikking van 1 februari 2026 gehandhaafd en het overig verzochte afgewezen.

3.Het verzoek

3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het verzoek als volgt toe. In de nacht van 31 januari op 1 februari 2026 is [voornaam minderjarige] met spoed uit huis geplaatst, nadat zij door de politie midden in de nacht alleen thuis werd aangetroffen. Na twee dagen is [voornaam minderjarige] weer teruggeplaatst bij de moeder, nadat door het Crisis Interventie Team de inschatting was gemaakt dat [voornaam minderjarige] veilig naar de moeder kon terugkeren. Op 3 februari 2026 is er spoedhulpverlening gestart en dat is positief afgerond. Volgens de ambulante spoedhulpverlener is de basiszorg vanuit de moeder in een stabiele periode in orde. De Raad ziet een liefdevolle band tussen de moeder en [voornaam minderjarige] , maar maakt zich zorgen over het functioneren van de moeder op momenten van stress. Er is een patroon zichtbaar waarin de moeder op zulke momenten niet in staat is om adequaat te reageren en te voldoen aan de behoeften van [voornaam minderjarige] . Daarnaast bestaan er zorgen over de achterstanden in [voornaam minderjarige] spraak-, taal- en sociale ontwikkeling en is de kinderopvang weggevallen. De moeder heeft een traumatische achtergrond waar zij geen behandeling voor heeft gehad. Er is op dit moment geen vrijwillige hulpverlening bij de moeder en [voornaam minderjarige] betrokken en het is gebleken dat de moeder niet in staat is om op eigen initiatief hulpverlening te zoeken of te continueren. Er is een jeugdbeschermer nodig die regie voert over de in te zetten hulpverlening, zoals het regelen van kinderopvang, traumabehandeling voor de moeder en het starten van een urgentieprocedure voor een andere woning. De vader van [voornaam minderjarige] woont in Duitsland en geeft aan open te staan voor hulpverlening. Er dient te worden onderzocht welke rol de vader kan spelen in het leven van [voornaam minderjarige] en hoe omgang tussen hem en [voornaam minderjarige] kan worden gerealiseerd.

4.De standpunten

4.1.
De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De regievoering vanuit het wijkteam is onvoldoende van de grond gekomen en het is voor de moeder lastig om een contactpersoon te vinden bij de gemeente. Het is van belang dat de moeder wordt ondersteund bij het regelen van praktische zaken, dat passende hulpverlening wordt ingezet en dat wordt onderzocht welke rol de vader kan spelen in het leven van [voornaam minderjarige] . De ambulante spoedhulpverlener heeft Stichting Gezana geïntroduceerd bij de moeder, voor de sociale ondersteuning.
4.2.
De moeder stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. De moeder heeft geprobeerd om contact te krijgen met de gemeente, maar zij krijgt geen duidelijk antwoord waardoor zij niet verder komt. Het is lastig om goede hulp te krijgen. Het is de hoop van de moeder dat dat met de ondertoezichtstelling wel gaat lukken.
4.3.
De vader stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de Raad. De vader woont in Duitsland en hij doet zijn best om [voornaam minderjarige] te bezoeken. Het is van belang dat de kinderopvang voor [voornaam minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat. De betrokkenheid van de GI kan hierin helpend zijn. De vader is bereid mee te werken aan alles wat nodig is in het belang van [voornaam minderjarige] .

5.De beoordeling

5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. De basiszorg voor [voornaam minderjarige] is in een stabiele periode in orde, maar in momenten van stress is een patroon zichtbaar waarin de moeder niet in staat is om adequaat te reageren en te voldoen aan de behoeften van [voornaam minderjarige] . De oorzaak daarvan is mogelijk gelegen in onbehandeld trauma van de moeder. Bij [voornaam minderjarige] is daarnaast sprake van een achterstand in haar spraak-, taal- en sociale ontwikkeling. [voornaam minderjarige] ging tot voor kort naar de kinderopvang, maar de gemeente heeft (om onbekende redenen) de betalingen gestaakt. Hiermee is een belangrijke plek weggevallen waar [voornaam minderjarige] dagelijks in haar ontwikkeling werd gestimuleerd. Duidelijk is dat de ouders veel van [voornaam minderjarige] houden, maar dat zij op dit moment onmachtig zijn om in het vrijwillig kader hulpverlening te zoeken of te continueren. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat de betrokkenheid van de GI de komende periode nodig is, zodat er regie gevoerd kan worden over de in te zetten hulpverlening en begeleiding voor de moeder en [voornaam minderjarige] . Zoals op de zitting is besproken is het belangrijk dat de kinderopvang van [voornaam minderjarige] via een Speciaal Medische Indicatie zo snel mogelijk wordt hervat en dat de moeder wordt ondersteund in de procedure voor bij het verkrijgen van een urgentieverklaring voor een andere woning. De komende periode is ook van belang om te onderzoeken welke rol de vader kan spelen in het leven van [voornaam minderjarige] .
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter zal [voornaam minderjarige] daarom onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 29 april 2026 tot 29 januari 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder en E.G.H. Kerr als griffiers, en op schrift gesteld op 11 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.