De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om ondertoezichtstelling van een minderjarige die in januari 2026 met spoed uit huis werd geplaatst nadat zij alleen thuis werd aangetroffen. Na terugplaatsing bij de moeder startte spoedhulpverlening die positief werd afgerond, maar er bleven zorgen over het functioneren van de moeder in stressvolle situaties en de ontwikkeling van de minderjarige.
De moeder heeft een traumatische achtergrond zonder behandeling en is niet in staat zelfstandig hulpverlening te zoeken of voort te zetten. De kinderopvang van de minderjarige is weggevallen, wat een belangrijke stimulans in haar ontwikkeling ontneemt. De vader woont in Duitsland en staat open voor hulpverlening en omgang.
De gecertificeerde instelling en de kinderrechter zijn van oordeel dat de minderjarige ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de betrokkenheid van de GI noodzakelijk is om regie te voeren over hulpverlening, waaronder kinderopvang en traumabehandeling. De kinderrechter stelt de minderjarige daarom voor negen maanden onder toezicht en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.