Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[eiser 1] B.V.,
1.B.V. [gedaagde 1] ,
,
1.De procedure
- de dagvaarding van 23 februari 2026, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de akte overlegging aanvullende producties van eisers, met bijlagen;
- de spreekaantekeningen van eisers;
- de spreekaantekeningen van gedaagden.
2.De beoordeling
- Tot een factuurbedrag van € 1.300.000 (exclusief omzetbelasting) worden de goedgekeurde bedragen betaald door Geldnemer. Geldnemer zal terzake deze betalingen betalingsbewijzen overleggen aan Geldgever.;
- Vervolgens worden totdat een totaalbedrag van € 1.800.000 (exclusief omzetbelasting) is bereikt de facturen betaald door Geldgever uit de “Reservering budgetoverschrijding” zoals door Partijen en [eiser 1] B.V. overeengekomen in relatie met de stortingsplicht van Geldgever als aandeelhouder in [eiser 1] B.V.;
- Vervolgens worden tot dat het met Linde Hydrogen Fueltech GmbH overeengekomen bedrag voor de levering van de installatie (exclusief omzetbelasting) is bereikt tot een maximum totaalbedrag van € 2.500.000 (exclusief omzetbelasting) de facturen door Geldgever worden betaald als (deel-)verstrekking van de Lening.”
de conclusie is dat er überhaupt geen sprake is van een overeenstemming over de bouw van het waterstoftankstation met kiosk op Rotterdam The Hague Airport”. Vervolgens stuurt [gedaagde 1] op 24 april 2025 een e-mail aan [eiser 2] waarin hij onder meer schrijft:
exclusiefdoet afhangen van
de wilvan de debiteur. De voorwaarde die inhoudt dat [eiser 2] uiterlijk op 1 januari 2024 gebruik moet hebben gemaakt van de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken, is niet zo’n voorwaarde. Het gaat immers niet om een enkele mededeling van [eiser 2] dat zij door wil met [gedaagde 1] , maar om het uitvoering geven aan een gemaakte afspraak. Uit de afspraken over de bedragen die partijen zouden investeren volgt voorts dat de lening die [gedaagde 1] zou verstrekken simpelweg noodzakelijk was. De voorwaarde gaat dus veeleer om de datum waarop de mededeling moest worden gedaan dan om de wens van [eiser 2] om de lening op enig moment te gebruiken. Omdat geen sprake is van een zuiver potestatieve voorwaarde, is de opschortende voorwaarde niet nietig.
al datgene te doen en na te laten wat redelijkerwijs noodzakelijk is om de (verdere) realisatie en oplevering en ingebruikname van het tankstation en de daarbij behorende installatie door [eiser 3] mogelijk te maken”, waarbij eisers een aantal verplichtingen meer concreet hebben benoemd. Volgens gedaagden is deze vordering niet toewijsbaar omdat deze te ruim is geformuleerd.