Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/10/715225
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 404 RvArt. 611d lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorlopige omgangsregeling en afwijzing wijzigingsverzoeken in executiegeschil ouderschapsbemiddeling

Partijen zijn ex-partners en ouders van een tweejarige dochter met een geschil over omgang. Het hof Den Haag stelde een voorlopige omgangsregeling vast met dwangsom wegens niet-nakoming door de moeder. De moeder verzocht in kort geding om schorsing van de tenuitvoerlegging, wijziging van de regeling en matiging van de dwangsom, terwijl de vader verhoging van de dwangsom vorderde.

De rechtbank constateert dat de moeder zich tegen de omgang blijft verzetten, ondanks veiligheidsafspraken van Veilig Thuis en begeleide omgang via Enver. De moeder stopte de begeleide omgang en beschuldigde de vader onterecht van seksueel misbruik. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die de voorlopige regeling rechtvaardigen.

De rechtbank wijst de vorderingen van de moeder af en bevestigt dat de omgangsregeling moet worden nageleefd, waarbij de vader de dochter elke zaterdag van 09:00 tot 15:00 uur ziet. De dwangsom wordt niet gematigd, noch verhoogd. De uitwisseling van identiteitsbewijzen blijft gehandhaafd. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij eigen kosten draagt.

Uitkomst: De voorlopige omgangsregeling wordt bevestigd en de vorderingen tot wijziging, schorsing en matiging van de dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715225 / KG ZA 26-171
Vonnis in kort geding van 3 april 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. A. Apistola,
tegen
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. D.V. Garib.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.
De zaak in het kort
Partijen zijn ex-partners en ouders van een tweejarige dochter. Zij hebben een geschil over de omgang tussen de man en de dochter. Tijdens de mondelinge behandeling van een hogerberoepsprocedure bij het hof Den Haag hebben partijen ingestemd met ouderschapsbemiddeling. In afwachting daarvan heeft het hof de zaak aangehouden. Het hof heeft onder oplegging van een dwangsom aan de vrouw in een tussenbeschikking wel alvast een voorlopige regeling vastgesteld die voorziet in de omgang tussen de man en dochter. De vrouw heeft nadien geen medewerking aan de uitvoering van die regeling verleend. Volgens de man is de dwangsom daarmee verbeurd. In dit kort geding vordert de vrouw dat wordt ingegrepen in de tenuitvoerlegging van de beschikking, dat een ander soort omgangsregeling wordt vastgesteld en dat de dwangsom wordt opgeheven of gematigd. De man vordert dat de dwangsom wordt verhoogd. De vorderingen worden afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 februari 2026, met producties 1 t/m 5,
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 28,
- de akte houdende vermeerdering van eis van de vrouw,
- de aanvullende stukken van de vrouw, die worden aangemerkt als producties 6 t/m 10,
- de producties 29 t/m 31 van de man,
- de e-mail van [naam 1] van Enver aan de man van 19 februari 2026, die als productie 32 van de man wordt aangemerkt.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026.
1.3.
Bij bericht van 19 maart 2026 heeft mr. Apistola de voorzieningenrechter gevraagd om de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) te verzoeken om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Nadat mr. Garib had laten weten daar geen bezwaar tegen de hebben, heeft de voorzieningenrechter de RvdK verzocht om aanwezig te zijn. De heer [naam 2] heeft vervolgens namens de RvdK bericht dat het vanwege de bezetting niet lukte om voor vertegenwoordiging zorg te dragen. De voorzieningenrechter heeft dit bericht aan het begin van de mondelinge behandeling met partijen besproken. Dit heeft erin geresulteerd dat de behandeling van de zaak zonder de RvdK is voortgezet.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van [dochter] (hierna: [dochter] ), geboren op [geboortedatum] 2023. [dochter] woont op dit moment bij de vrouw. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [dochter] .
2.2.
Bij beschikking van 15 mei 2025 heeft deze rechtbank een omgangsregeling vastgesteld. Deze regeling hield kort gezegd in dat de man [dochter] iedere zaterdag zou zien. Omdat de vrouw zich niet aan de omgangsregeling hield, is zij bij vonnis in kort geding van 14 augustus 2025 veroordeeld tot nakoming daarvan.
2.3.
Op 30 juli 2025 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de beschikking van 15 mei 2025. In het hoger beroep heeft op 13 november 2025 een mondelinge behandeling bij het hof Den Haag plaatsgevonden, die op 18 november 2025 is voortgezet. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ingestemd met de inzet van het Uniform Hulpaanbod (UHA) en hun bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. Bij proces-verbaal van 18 november 2025 heeft het hof partijen verwezen naar het routeringspunt voor aanmelding bij de desbetreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie.
2.4.
Bij beschikking van 3 december 2025 (hierna: de beschikking) heeft het hof bepaald dat partijen met het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling meewerken aan het tot stand brengen van een situatie waarin zij op een constructieve wijze met elkaar overleggen en samenwerken in het belang van [dochter] , en waarin zij komen tot het maken van afspraken ten behoeve van de omgangsregeling en de verdere invulling van het ouderschap. Daarnaast heeft het hof, voor zover van belang, overwogen en beslist:
“(…) 5.16 Het hof zal het verzoek om het vaststellen van een definitieve zorgregeling gelet op voorgenoemd traject voor een half jaar aanhouden. Het hof acht het evenwel in het belang van de minderjarige en voor de hechting met de vader ook noodzakelijk dat er zo snel mogelijk een structurele omgang met de vader wordt opgestart en zal daarom alvast een voorlopige zorgregeling vaststellen. Het contact met de vader moet nu blijvend hersteld worden. Het is immers schadelijk voor de minderjarige als het contact met de vader steeds weer wordt verbroken. De ouders zullen in de tussentijd met de hulpverleners aan de slag moeten gaan om de situatie voor de minderjarige te verbeteren, omdat de huidige situatie schadelijk is voor de ontwikkeling van de minderjarige.
5.17
Het hof acht het op dit moment voorlopig het meest in het belang van de minderjarige om de volgende regeling vast te stellen:
de minderjarige verblijft bij de vader:
- de tweede zaterdag na de onderhavige beschikking van het hof van 09.00 tot 12.00 uur op een neutrale plek zoals een (binnen)speeltuin in aanwezigheid van de moeder;
- de daaropvolgende zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur bij de vader thuis in aanwezigheid van de moeder;
- daarna elke zaterdag van 09.00 uur tot 15.00 uur bij de vader thuis zonder aanwezigheid van de moeder, waarbij de vader de minderjarige haalt bij de moeder en de moeder de minderjarige haalt bij de vader.
5.18
Het hof gaat er hierbij van uit dat de vader, zoals door hem op de zitting desgevraagd is toegezegd, vóór de eerste keer dat er onbegeleid contact tussen hem en de minderjarige zal plaatsvinden het paspoort van de minderjarige aan de moeder zal overdragen waarbij de moeder het ID bewijs van de minderjarige aan de vader zal overdragen.
Dwangsom
5.19
De vader heeft in incidenteel hoger beroep verzocht om een dwangsom te verbinden aan het niet-nakomen door de moeder van de door hem verzochte zorgregeling dan wel een zorgregeling die het hof passend acht. De moeder heeft het verzoek om een dwangsom op te leggen gemotiveerd weersproken. Het hof overweegt als volgt. Zowel de bestreden beschikking van de rechtbank waarin een (opbouwende) zorgregeling is opgenomen als het kort gedingvonnis van 14 augustus 2025 waarin de moeder, kort gezegd, is veroordeeld tot nakoming van de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling, hebben de moeder er kennelijk niet toe kunnen bewegen uitvoering te geven aan de door een rechter vastgestelde zorgregeling. Steeds weer heeft de moeder haar eigen voorwaarden gesteld en heeft zij op het moment dat het tot onbegeleide omgang zou komen hiervan afgezien en het contact gestopt. Het hof heeft, gelet op de opstelling van de moeder tijdens de mondelinge behandeling, ook niet de overtuiging gekregen dat de moeder zonder (grote) financiële prikkel uitvoering gaat geven aan de door het hof te bepalen voorlopige zorgregeling. Gelet hierop zal het hof een dwangsom verbinden aan het niet nakomen van de voorlopige zorgregeling die het hof vaststelt. Het hof ziet aanleiding om een dwangsom te verbinden van € 250,- per keer dat de moeder niet meewerkt aan de uitvoering van de voorlopige zorgregeling, met een maximum van € 25.000,-.
5.2
Voor het overige zal het hof de beslissing op de verzoeken betreffende de zorgregeling en de proceskosten pro forma aanhouden in afwachting van het UHA-traject.
5.21
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof, beschikkend in het principaal en het incidenteel hoger beroep: (…)
bepaalt voorlopig, tot daarover in hoger beroep nader wordt beslist, de volgende zorgregeling waarbij de minderjarige bij de vader zal zijn als volgt:
- de tweede zaterdag na de onderhavige beschikking van het hof van 09.00 tot 12.00 uur op een neutrale plek zoals een (binnen) speeltijd in aanwezigheid van de moeder;
- de daaropvolgende zaterdag van 09.00 uur tot 12.00 uur bij de vader thuis in aanwezigheid van de moeder;
- daarna elke zaterdag van 09.00 uur tot 15.00 uur bij de vader thuis zonder aanwezigheid van de moeder, waarbij de vader de minderjarige haalt bij de moeder en de moeder de minderjarige haalt bij de vader,
op straffe van een dwangsom van € 250,- met een maximum van € 25.000,- voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft om uitvoering te geven aan deze voorlopige zorgregeling;
en bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van een definitieve zorgregeling en de proceskosten in afwachting van de resultaten van het UHA-traject wordt aangehouden tot 30 mei 2026 pro forma.”
2.5.
Het routeringspunt heeft partijen bij hulpverleningsinstantie Enver aangemeld voor het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling.
2.6.
Bij exploot van 12 december 2025 heeft de deurwaarder de beschikking op verzoek van de man aan de vrouw betekend. Daarbij is het bevel gedaan om uitvoering te geven aan de voorlopige omgangsregeling en aangezegd dat de vrouw een dwangsom van € 250,00 verbeurt voor iedere dag dat zij hier niet aan voldoet.
2.7.
Op 13 december 2025 heeft de man [dochter] in het bijzijn van de vrouw gezien. Op 20 en 27 december 2025 heeft geen omgang plaatsgevonden, omdat de vrouw niet kwam opdagen en niet reageerde op berichten van de man. Vanwege een vakantie heeft de man de vrouw gevraagd of zij het op 3 januari 2026 geplande omgangsmoment konden verplaatsen. Daarop heeft de vrouw niet gereageerd. Op 10 januari 2026 heeft de man [dochter] niet gezien, omdat de vrouw [dochter] niet aan hem wilde overdragen.
2.8.
Op 17 januari 2026 is de man naar het huis van de vrouw gegaan om [dochter] daar op te halen. Toen de vrouw met [dochter] buitenkwam, is de situatie geëscaleerd. De man heeft daarna contact opgenomen met Veilig Thuis. Bij e-mail van 21 januari 2026 heeft [naam 3] van Veilig Thuis aan de vrouw laten weten dat het belangrijk is dat zij zich aan de afspraken houdt en dat het niet-nakomen van afspraken de onrust en kans op incidenten vergroot. Verder heeft zij opgemerkt dat zij het wijkteam had gevraagd om de situatie met spoed op te pakken omdat het noodzakelijk is dat er snel begeleiding/bemiddeling komt en er werkbare, duidelijke en veilige afspraken worden gemaakt. In dat kader heeft zij aan de vrouw geschreven:
“(…) Ik geef u alvast de veiligheidsafspraken mee die ik ook met vader deel, omdat ik van beide ouders hetzelfde verwacht:
1. Geen contactmomenten of overdrachten aan de deur zonder vooraf gemaakte afspraken en zonder neutrale begeleiding.
2. Overdrachten alleen op een neutrale locatie en/of met een onpartijdige begeleidende partij zodra dit is georganiseerd.
3. Geen discussies of conflicten waar [dochter] bij is; bij spanning direct stoppen en afstand nemen.
4. Communicatie tussen ouders beperken tot praktische zaken over [dochter] , bij voorkeur schriftelijk en zakelijk.
5. [dochter] wordt niet betrokken in volwassenconflict (geen fysiek trekken/vasthouden in conflictsituaties). (…)”
2.9.
Naar aanleiding van het incident heeft de man ook contact opgenomen met Enver en verzocht om de omgang tussen hem en [dochter] te begeleiden. Bij e-mail van 19 februari 2026 heeft [naam 1] van Enver laten weten dat Enver begeleide omgang wilde faciliteren om de huidige stand van zaken te doorbreken. Daarbij heeft zij opgemerkt dat die omgang niet in plaats kwam van de voorlopige omgangsregeling die het hof heeft bepaald.
2.10.
Op woensdag 25 februari en 4 maart 2026 heeft onder begeleiding van Enver omgang tussen de man en [dochter] plaatsgevonden. Een volgende afspraak stond gepland op 11 maart 2026. Bij e-mail van 10 maart 2026 heeft [naam 1] aan de man bericht dat de vrouw had laten weten dat zij de begeleide omgang stop wilde zetten.
2.11.
Bij e-mail van 19 maart 2026 heeft [naam 4] namens [naam 1] aan de man laten weten dat het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling zich in de analysefase bevindt en dat er nog geen advies is uitgebracht over een eventueel vervolg van het traject. Verder heeft zij geschreven dat zij aan de vrouw had gevraagd of zij het hulpverleningstraject wenst voort te zetten, haar reactie daarop met de gedragsdeskundige zal bespreken en partijen hier vervolgens over zal informeren.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert, na vermeerdering van haar eis, dat, verkort weergegeven, de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
bepaalt dat de tenuitvoerlegging van de beschikking wordt geschorst of de man veroordeelt om de tenuitvoerlegging van de beschikking te staken dan wel de opgelegde en/of verbeurde dwangsom opheft, matigt tot nihil of vermindert,
de man verbiedt om de beschikking verder ten uitvoer te leggen, onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,00,
de man veroordeelt om het paspoort van [dochter] aan de vrouw af te geven, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de man hiermee in gebreke blijft,
bepaalt dat, onder wijziging van de in de beschikking vastgestelde voorlopige zorgregeling, de omgang zal plaatsvinden bij en onder begeleiding van Enver dan wel Team Jeugd van de gemeente Nissewaard, waarbij tijdstippen, duur, frequentie en inhoud van de begeleide contacten worden bepaald door de medewerkers van Enver dan wel Team Jeugd van de gemeente Nissewaard‚ na overleg met partijen, dan wel een voorlopige begeleide zorgregeling bepaalt die wordt uitgevoerd met inachtneming van de veiligheidsafspraken van Veilig Thuis van 21 januari 2026, dan wel bepaalt dat dat de omgang tussen de man en [dochter] elke zaterdag van 9:00 uur tot 12:00 uur plaatsvindt op een neutrale plek in aanwezigheid van de vrouw,
de man veroordeelt in de kosten van het geding.
3.2.
De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
in reconventie
3.3.
De man vordert dat, verkort weergegeven, de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
de in de beschikking opgelegde dwangsom verhoogt naar € 500,00 per keer dat de vrouw de zorgregeling niet nakomt,
de uitwisseling van de identiteitskaarten laat vervallen,
de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.4.
De vrouw voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
samenhang
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en de vorderingen in reconventie worden deze hierna gezamenlijk beoordeeld.
spoedeisend belang
4.2.
De zaak is zowel in conventie als in reconventie voldoende spoedeisend om in kort geding te worden behandeld. De vorderingen van partijen hebben namelijk betrekking op de tenuitvoerlegging van de beschikking, die inmiddels door de man in gang is gezet. Dit maakt dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
voorlopige omgangsregeling
4.3.
Het hof heeft een voorlopige omgangsregeling vastgesteld, in afwachting van de resultaten van de ouderschapsbemiddeling. Die omgangsregeling houdt in dat de man [dochter] iedere zaterdag ziet, waarvan de eerste twee keer van 09:00 tot 12:00 uur én in aanwezigheid van de vrouw, en daarna van 09:00 tot 15:00 uur buiten aanwezigheid van de vrouw. De regeling is ingegaan op de tweede zaterdag na de beschikking, te weten op 13 december 2025, en geldt tot een definitieve omgangsregeling is vastgesteld. Het hof heeft aan het niet-nakomen van de omgangsregeling door de vrouw een dwangsom verbonden.
De beschikking is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Anders dan de vrouw stelt, brengt dat niet met zich dat de beschikking niet door de man ten uitvoer kan worden gelegd en de dwangsom niet kan worden verbeurd. Op grond van artikel 404 Rv Pro heeft het beroep in cassatie schorsende kracht, maar dat heeft de vrouw niet ingesteld.
4.4.
De vorderingen van de vrouw onder 1, 2 en 4 strekken ertoe dat de voorzieningenrechter ingrijpt in de door het hof opgelegde voorlopige omgangsregeling.
De vrouw stelt dat de man misbruik maakt van zijn bevoegd door nakoming daarvan af te dwingen. Volgens de vrouw is zij niet in staat om aan de beschikking te voldoen. Zij vindt de omgangsregeling niet in het belang van [dochter] , omdat de man in het bijzijn van [dochter] agressief is geweest en er sprake is van oplopende spanningen tussen partijen. Daarnaast miskent de man volgens de vrouw haar moederschap en ervaren zowel de vrouw als [dochter] stress door de omgangsregeling.
De vrouw legt verder aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. Zij wijst daartoe op de door Veilig Thuis meegegeven veiligheidsafspraken en de omstandigheid dat de omgang tussen de man en [dochter] inmiddels onder begeleiding van Enver plaatsvindt. Ook wordt de mogelijkheid bezien of team jeugd van de gemeente Nissewaard de begeleide omgang kan verzorgen.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hof de voorlopige omgangsregeling in het belang van [dochter] heeft vastgesteld. Het hof heeft in 5.16 van zijn beschikking overwogen dat het schadelijk is voor [dochter] als het contact met haar vader steeds wordt verbroken en dat het contact tussen [dochter] en de man daarom nu blijvend moet worden hersteld. Ondanks dat heeft de voorzieningenrechter moeten constateren dat de vrouw zich tegen omgang tussen [dochter] en haar vader blijft verzetten. Zo heeft de vrouw zich niet ingespannen om uitvoering aan de omgangsregeling te geven en heeft zij de door de man geïnitieerde, begeleide omgang door Enver stopgezet. Daarnaast heeft zij de man onlangs ten onrechte beschuldigd van seksueel misbruik, dat de man begrijpelijkerwijs als zeer kwetsend en verdrietig heeft ervaren. Ook in de dagvaarding heeft de vrouw een onjuist beeld van de man geschetst en hem neergezet als een agressieve man die niet in staat is om voor [dochter] te zorgen. Het is echter juist het gedrag van de vrouw dat de voorzieningenrechter zorgen baart, omdat de vrouw de omgang tussen [dochter] en de man blijft frustreren, zelf escalerend gedrag heeft laten zien op 17 januari 2026 in bijzijn van [dochter] , en daarmee tegen de belangen van [dochter] in handelt.
4.6.
Anders dan de vrouw stelt, is geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Veilig Thuis heeft bij e-mail van 21 januari 2026 veiligheidsafspraken aan partijen meegegeven, omdat de vrouw zich niet aan de voorlopige omgangsregeling had gehouden en de situatie tussen partijen op 17 januari 2026 was geëscaleerd. De veiligheidsafspraken komen erop neer dat de vrouw zich aan de voorlopige omgangsregeling dient te houden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man toegelicht dat hij naar aanleiding van de escalatie op 17 januari 2026 de hulp van Enver heeft ingeroepen, met het doel om weer in contact met zijn dochter te komen. Enver heeft daarop laten weten begeleide omgang te willen faciliteren, maar tevens benadrukt dat die omgang niet in de plaats kwam van de voorlopige omgangsregeling (zie 2.9. hiervoor). De omgangsregeling is daarmee dus niet gewijzigd. Daar komt bij dat de vrouw haar medewerking aan de begeleide omgang inmiddels heeft stopgezet. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw laten weten de begeleide omgang weer op te willen pakken. Maar zij had de man en Enver hierover op dat moment nog niet geïnformeerd. Over een door de gemeente Nissewaard te verzorgen begeleide omgang heeft de vrouw onvoldoende informatie verstrekt. Het is ook niet gebleken dat de man hiermee instemt.
4.7.
Gelet op het vorenstaande bestaat er geen aanleiding om de tenuitvoerlegging van de beschikking te schorsen en/of de voorlopige omgangsregeling te wijzigen. Dit leidt ertoe dat uitvoering moet worden gegeven aan de in de beschikking vastgestelde voorlopige omgangsregeling. Het is in het belang van [dochter] dat het contact met haar vader nu blijvend wordt hersteld. Concreet betekent dit dat de man [dochter] vanaf 3 april 2026 iedere zaterdag om 09:00 uur bij de vrouw haalt en de vrouw [dochter] om 15:00 uur bij de man haalt. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de man instructies van de vrouw over bijvoorbeeld het eten, drinken en slapen van [dochter] op zal volgen.
dwangsom
4.8.
De vrouw vordert dat de voorzieningenrechter de opgelegde en/of verbeurde dwangsom opheft, tot nihil matigt of vermindert. Die vordering wordt afgewezen. Op grond van artikel 611d lid 1 Rv kan de rechter die een dwangsom heeft opgelegd, de dwangsom opheffen, opschorten of verminderen. In dit geval heeft het hof de dwangsom opgelegd en niet de voorzieningenrechter. Daarnaast heeft de vrouw geen uitvoering gegeven aan de omgangsregeling en heeft zij onvoldoende duidelijk gemaakt op grond waarvan zij geen dwangsom zou hebben verbeurd of de inning daarvan niet redelijk zou zijn.
4.9.
De man vordert dat de voorzieningenrechter de dwangsom verhoogt van € 250,00 naar € 500,00 per gemist omgangsmoment. Die vordering wordt eveneens afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat zij een betalingsregeling met de deurwaarder heeft getroffen, die inhoudt dat zij € 150,00 per maand aan de deurwaarder betaalt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter fungeert een verhoging van de dwangsom daarmee niet als een prikkel tot nakoming, maar leidt dit slechts tot een verhoging van de schuld van de vrouw aan de man met een langere aflossingsperiode. Daar komt bij dat de hogerberoepsprocedure nog loopt en het hof naar aanleiding van de resultaten van het UHA-traject tot andere beslissingen kan komen.
uitwisseling identiteitsbewijzen [dochter]
4.10.
Het hof is er in 5.18 van de beschikking van uitgegaan dat de man het paspoort van [dochter] aan de vrouw zou geven en de vrouw het identiteitsbewijs van [dochter] aan de man zou geven bij het eerste onbegeleide omgangsmoment. Dat is niet gebeurd, omdat de vrouw het identiteitsbewijs van [dochter] kwijt was geraakt. De vrouw heeft voor [dochter] een nieuw identiteitsbewijs aangevraagd, dat partijen op 5 maart 2026 hebben opgehaald.
4.11.
De vrouw vordert onder 2 dat de man onder oplegging van een dwangsom wordt veroordeeld om het paspoort van [dochter] aan de vrouw af te geven. Die vordering wordt afgewezen, omdat de vrouw er zelf voor heeft gezorgd dat een uitwisseling van de identiteitspapieren niet overeenkomstig de in de beschikking vastgestelde wijze kon plaatsvinden. De vordering van de man die ertoe strekt dat partijen de identiteitspapieren niet langer hoeven uit te wisselen, wordt eveneens afgewezen. Uit 5.18 van de beschikking begrijpt de voorzieningenrechter dat de uitwisseling van de identiteitspapieren is vastgelegd naar aanleiding van een toezegging van de man. De man heeft in dit kort geding geen goede reden gegeven waarom die uitwisseling nu niet meer plaats zou hoeven te vinden.
proceskosten
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen van de man af,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026. [2971/638]