ECLI:NL:RBROT:2026:537

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ROT 25/10440
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen stopzetting WIA-uitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang

Verzoekster, een pedagogisch medewerker, kreeg een WIA-uitkering toegekend vanaf 29 september 2024. Na een herbeoordeling door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige concludeerde het UWV dat verzoekster minder dan 35% arbeidsongeschikt is en besloot de uitkering per 27 januari 2026 te beëindigen. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de stopzetting op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang is omdat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in een acute financiële noodsituatie verkeert. Financiële problemen kunnen in beginsel na afloop van de bodemprocedure worden vergoed, tenzij sprake is van onomkeerbare situaties zoals faillissement. Verzoekster kon ook niet aantonen dat zij geen beroep kan doen op vangnetvoorzieningen zoals de bijstand.

Daarnaast is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. De medische en arbeidskundige rapportages geven een helder beeld van de arbeidsmogelijkheden van verzoekster. Zij heeft geen aanvullende medische stukken overgelegd die het standpunt van het UWV fundamenteel zouden ondermijnen. De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en het ontbreken van evident onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10440

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Ridderkerk, verzoekster

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam 1]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de Wet WIA [1] -uitkering van verzoekster. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 november 2025 heeft het UWV bepaald dat verzoekster vanaf 27 januari 2026 geen WIA-uitkering meer krijgt. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het UWV heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam 2] en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?

3. Verzoekster is werkzaam geweest als pedagogisch medewerker. Zij heeft zich ziekgemeld op 1 oktober 2021 en aan haar is op 28 juni 2024 een WIA loonaanvullingsuitkering toegekend vanaf 29 september 2024. Vanwege een herbeoordeling heeft een verzekeringsarts op 18 juli 2025 een rapportage uitgebracht. Daarbij heeft de verzekeringsarts de mogelijkheden en beperkingen van verzoekster vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 18 juli 2025. Met deze FML heeft een arbeidsdeskundige onderzoek verricht naar de mogelijkheden om arbeid te verrichten op de omslagdatum (29 september 2024). In een rapportage van 17 november 2025 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat verzoekster niet haar eigen arbeid kan verrichten, maar wel passende arbeid, en dat verzoekster met deze passende arbeid 58,02% arbeidsongeschikt is. Hierover zal het UWV nog een besluit nemen.
Omdat volgens de arts sprake is van een gewijzigde belastbaarheid na de omslagdatum, heeft de arbeidskundige nog een beoordeling verricht en een rapportage uitgebracht, eveneens op 17 november 2025. In deze rapportage heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat verzoekster niet haar eigen arbeid kan verrichten, maar na overleg met de verzekeringsarts wel passende arbeid. Verzoekster is met deze passende arbeid 33,47% arbeidsongeschikt. Op basis hiervan heeft het UWV met het bestreden besluit bepaald dat verzoekster geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering, omdat zij daarmee minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de stopzetting van haar uitkering wordt opgeschort totdat is beslist op haar bezwaarschrift.
Spoedeisend belang
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Er moet dus zodanige spoed zijn dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
5. Verzoekster voert hierover aan dat zij met het stopzetten van haar uitkering haar volledige inkomen verliest. Verzoekster kan haar vaste lasten op korte termijn niet voldoen en zij kan niet direct overstappen naar de bijstand. Het zal even duren voordat haar aanvraag in behandeling wordt genomen en zij verwacht dat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor een bijstandsuitkering. Er staan twee auto’s op haar naam waarvan er één feitelijk van de partner van verzoekster is. Daar komt bij dat zij niet aan de sollicitatieplicht voor de bijstand kan voldoen, omdat zij arbeidsongeschikt is. Omdat verzoekster haar inkomen verliest, is er een reëel risico op huurachterstanden en verdere financiële ontwrichting.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. [2] Verzoekster heeft niet met financiële stukken aannemelijk gemaakt dat sprake is van acute financiële nood, en dat beroep op een vangnetvoorziening zoals de bijstand niet mogelijk is. Ook op andere wijze is de voorzieningenrechter niet gebleken van het vereiste spoedeisend belang.
7. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door UWV ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen aanleiding voor dat oordeel. In de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige is inzichtelijk toegelicht dat en waarom verzoekster in staat is om passende arbeid te verrichten. Verzoekster heeft geen nadere medische stukken overgelegd, waaruit blijkt dat het UWV een onvolledig beeld van haar medische situatie heeft gehad. Voor zover verzoekster zich op het standpunt stelt dat haar medische situatie onjuist is vastgesteld, kan zij daarover in de bezwaarprocedure nadere stukken indienen bij het UWV.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om nu een voorlopige voorziening te treffen en wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
2.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:225.