Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5321

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
11765539 CV EXPL 25-14240
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:225 BWArt. 7:269 lid 1 BWArt. 7:269 lid 2 sub a BWArt. 7:269 lid 2 sub c BWArt. 6:7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming onderhuurder na woonfraude en huurachterstand

De zaak betreft een huurovereenkomst tussen Stichting Woonplus en [gedaagde 1], die een woning huurde maar deze niet zelf bewoonde. Na een woonfraude-onderzoek is de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 9 januari 2026. [gedaagde 2], de onderhuurder, weigerde de woning te verlaten, waarna Woonplus zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] dagvaardde.

De kantonrechter oordeelt dat er een onderhuurovereenkomst bestond tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], waarbij laatstgenoemde maandelijks € 750 betaalde. De huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] is rechtsgeldig beëindigd en de voortgezette onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] wordt ontbonden omdat Woonplus dit niet redelijk kan worden gevergd, mede vanwege de lange wachtlijst en het ontbreken van voldoende financiële waarborg.

[gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 5.742,71 en samen met [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de gebruiksvergoeding tot de dag van ontruiming. De ontruiming moet binnen een maand na betekening van het vonnis plaatsvinden. Incassokosten en rente worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen. Proceskosten worden aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst is ontbonden, de onderhuurovereenkomst beëindigd, huurachterstand toegewezen en ontruiming met betaling van gebruiksvergoeding opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11765539 CV EXPL 25-14240
datum uitspraak: 1 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonplus Schiedam,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: mr. N.V.C. Haneveld,
tegen

1..[gedaagde 1] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

2..[gedaagde 2] ,

verblijfplaats: [verblijfplaats] ,
gedaagden,
die zelf procederen.
De partijen worden hierna ‘Woonplus’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit het (tussen)vonnis in het incident en de hoofdzaak, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
[gedaagde 2] is in het tussenvonnis in de hoofdzaak in de gelegenheid gesteld om te reageren op de dagvaarding van Woonplus. Dit heeft zij niet gedaan. De kantonrechter heeft vervolgens vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde 1] huurde van Woonplus sinds 14 maart 2022 een woning in Schiedam. Hij heeft een huurachterstand laten ontstaan. In de dagvaarding van 26 juni 2025 eist Woonplus dat [gedaagde 1] de huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. Uit een woonfraude-onderzoek van Woonplus is vervolgens gebleken dat [gedaagde 1] de woning niet zelf gebruikt. Partijen hebben in een gesprek met elkaar dan ook afgesproken om de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 9 januari 2026. [gedaagde 1] moest de woning met ingang van die datum verlaten hebben. Dit heeft hij ook aan zijn onderhuurder, [gedaagde 2] , gemeld.
2.2.
[gedaagde 2] heeft zich daarna bij Woonplus gemeld en haar gemachtigde heeft op 8 januari 2026 aan Woonplus laten weten dat [gedaagde 2] de woning niet wil verlaten. Bij een bezoek op 9 januari 2026 door Woonplus aan de woning bleek inderdaad dat de woning nog volledig ingericht was en [gedaagde 2] geen medewerking verleent aan een vrijwillige oplevering op 9 januari 2026.
2.3.
[gedaagde 1] heeft erkend de woning tijdelijk in gebruik te hebben gegeven aan [gedaagde 2] , omdat zij en haar kinderen geen onderdak hadden. Nu [gedaagde 2] de woning niet wil verlaten, ziet Woonplus zich genoodzaakt om de eis tegen [gedaagde 1] te wijzigen door naast betaling van de huurachterstand, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning ook te vorderen dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld in de schade die Woonplus lijdt doordat [gedaagde 2] weigert uit de woning te vertrekken, zoals ontruimingskosten, de gebruiksvergoeding en overige kosten nader op te maken bij staat.
2.4.
Bij dagvaarding van 29 januari 2026 heeft Woonplus [gedaagde 2] ook betrokken in de procedure op grond van hetzelfde feitencomplex als hiervoor is geschetst. Woonplus wil dat [gedaagde 2] de woning ook ontruimt. Woonplus vindt namelijk dat [gedaagde 2] zonder recht of titel in de woning verblijft. Als de kantonrechter vindt dat er sprake is van een onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die Woonplus met ingang van 9 januari 2026 heeft voortgezet, dan wil Woonplus dat de onderhuurovereenkomst wordt beëindigd. Daarnaast eist Woonplus dat ook [gedaagde 2] wordt veroordeeld de gebruiksvergoeding tot de ontruiming en de proceskosten te betalen.
2.5.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] geven aan dat [gedaagde 2] tot januari 2026 maandelijks aan [gedaagde 1] heeft betaald voor het gebruik van de woning. [gedaagde 2] benoemt verder dat zij de woning niet wil verlaten, omdat zij een stabiele thuissituatie wil creëren voor haar kinderen en dat dit zonder woning niet mogelijk is. Zij wil minstens tot het einde van het schooljaar in de woning verblijven. [gedaagde 1] beargumenteert dat hij niet langer verantwoordelijk is voor de kosten van de woning nadat de huurovereenkomst is geëindigd per 9 januari 2026 en dat hij dat ook tegen [gedaagde 2] heeft gezegd. Hij vindt dat Woonplus zich voor die kosten moet richten tot [gedaagde 2] .
2.6.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] de woning moeten verlaten voor zover zij dit nog niet hebben gedaan. [gedaagde 1] moet de huurachterstand betalen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk verantwoordelijk voor de gebruiksvergoeding tot de dag van ontruiming. Dit oordeel wordt hieronder uitgelegd.
[gedaagde 1] moet een huurachterstand van € 5.742,71 betalen
2.7.
[gedaagde 1] wordt veroordeeld om € 5.742,71 aan Woonplus te betalen. Woonplus heeft voldoende onderbouwd dat dit de huurachterstand is tot en met 9 januari 2026. [gedaagde 1] heeft dit niet onderbouwd tegengesproken.
De huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] is geëindigd
2.8.
De kantonrechter verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] per 9 januari 2026 met wederzijds goedvinden is geëindigd. Dit blijkt voldoende duidelijk uit de afspraken die partijen hierover hebben gemaakt. [gedaagde 1] heeft dit ook erkend. Omdat de primaire vordering op dit punt wordt toegewezen, komt de kantonrechter niet toe aan het subsidiair gevorderde.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben een (onder)huurovereenkomst gesloten
2.9.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een onderhuurovereenkomst hebben gesloten. [gedaagde 1] heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij de woning tijdelijk in gebruik heeft gegeven aan [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] voor dit gebruik maandelijks een bedrag betaalde aan [gedaagde 1] . Dat dit bedrag in delen en niet op vaststaande tijdstippen is betaald, maakt daarbij niet uit. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde 2] tot januari 2026 maandelijks een bijdrage van € 750,00 per maand betaalde. Volgens [gedaagde 1] was dit een bijdrage aan de huur.
De (onder)huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 2] wordt beëindigd
2.10.
Na de beëindiging van de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Woonplus per 9 januari 2026 heeft Woonplus als verhuurder de overeenkomst die tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gold, voortgezet (artikel 7:269 lid 1 BW Pro). Woonplus wil deze overeenkomst ontbinden. De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van Woonplus dat zij wil dat de (onder)huurovereenkomst wordt beëindigd, omdat [gedaagde 2] te weinig financiële middelen heeft om de huurovereenkomst voort te zetten en omdat het van Woonplus in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gevergd kan worden om de huurovereenkomst met [gedaagde 2] voort te zetten (artikel 7:269 lid 2 sub a en Pro sub c BW).
2.11.
De kantonrechter kan niet vaststellen dat [gedaagde 2] onvoldoende financiële waarborg biedt, omdat Woonplus dat onvoldoende heeft onderbouwd en [gedaagde 2] heeft gesteld dat zij de afgelopen maanden ongeveer € 750,00 per maand aan huur heeft betaald. Ter zitting is echter wel gebleken dat [gedaagde 2] met haar salaris de huur maar net kan betalen. Dit is een omstandigheid die de kantonrechter zal meewegen in de beoordeling of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van Woonplus gevergd kan worden dat zij de huurovereenkomst met [gedaagde 2] voortzet.
2.12.
De kantonrechter beëindigt de (onder)huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 2] , omdat van Woonplus niet gevergd kan worden dat zij deze overeenkomst voortzet met [gedaagde 2] . [gedaagde 2] heeft belang bij het behoud van de woning en de huurovereenkomst, omdat zij en haar twee minderjarige kinderen een dak boven het hoofd moeten houden en zij haar kinderen een stabiele gezinssituatie wil bieden. De kantonrechter moet op grond van artikel 3 lid 1 van Pro het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de belangen van het kind bij behoud van de woning als eerste meewegen. De ontruiming van de woning met minderjarige kinderen is namelijk een ingrijpende maatregel. Woonplus heeft echter als sociale verhuurder ook een zwaarwegend belang om de woning weer snel tot haar beschikking te krijgen. Door de woning onder te huren, dringt [gedaagde 2] namelijk voor op de lange wachtlijst die voor sociale huurwoningen bestaat voor huurders. Woonplus moet hiervoor waken. Daarnaast is niet gebleken dat [gedaagde 2] de bestaande verplichtingen tussen haar en Woonplus kan blijven nakomen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen duidelijke afspraken gemaakt over het in gebruik nemen van de woning. Dat betekent dat Woonplus een onderhuurovereenkomst overneemt zonder dat er voorwaarden zijn afgesproken over een kernprestatie zoals de (wijze van) betaling. Het feit dat [gedaagde 2] een afwachtende houding aanneemt in haar zoektocht naar een andere woning, haar inschrijving bij Woonnet heeft laten verlopen en weigert te communiceren met Woonplus over de huidige situatie helpen haar ook niet. Bovendien is de woning waarin zij met haar minderjarige kinderen verblijft een zogenaamd seniorenflat en daarom niet geschikt voor haar. De kantonrechter vindt dat het door al deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van Woonplus gevergd kan worden om de onderhuurovereenkomst voort te zetten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
2.13.
Omdat de huurovereenkomsten zijn beëindigd, moeten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de woning met al hun spullen verlaten. Dat moet binnen een maand nadat dit vonnis is betekend, voor zover de aanzegging en ontruiming nog niet heeft/hebben plaatsgevonden na het vonnis in incident. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er minderjarige kinderen in de woning wonen. Zo heeft [gedaagde 2] iets meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken. De kantonrechter vindt het onder de omstandigheden die zijn geschetst in 2.12 te ver gaan om de ontruimingstermijn te verlengen totdat het huidige schooljaar is afgelopen.
2.14.
De hiervoor genoemde termijn voor ontruiming is misschien achterhaald, omdat de kantonrechter in haar vonnis in het incident al heeft geoordeeld dat [gedaagde 2] de woning moet ontruimen. Voor zover [gedaagde 2] de woning nog niet heeft ontruimd, maar het vonnis in het incident wel al is betekend en de ontruiming daarmee is aangezegd, overweegt de kantonrechter daarom dat het wijzen van dit vonnis niet betekent dat Woonplus dit vonnis opnieuw moet betekenen en de ontruimingstermijn opnieuw moet worden aangezegd. Met dit vonnis ‘verliest’ de in het incident genomen beslissing weliswaar zijn werking, maar omdat de ontruiming op dezelfde gronden wordt toegewezen, bepaalt de kantonrechter dat dit vonnis de aangezegde ontruimingstermijn niet onderbreekt als het vonnis in het incident al is betekend en de ontruimingstermijn hierdoor is aangevangen.
2.15.
De kantonrechter machtigt Woonplus niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv Pro).
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de gebruiksvergoeding
2.16.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde 2] een gebruiksvergoeding van € 750,00 per maand betalen (artikel 7:225 BW Pro). [gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn hoofdelijk aansprakelijk voor dit bedrag. Woonplus eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 2] en [gedaagde 1] die moeten betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen.
2.17.
[gedaagde 1] is hoofdelijk verantwoordelijk voor de gebruiksvergoeding die [gedaagde 2] moet betalen en hij is verantwoordelijk voor het verschil tussen de huurprijs die [gedaagde 1] aan Woonplus moest betalen (€ 768,50) en het bedrag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben afgesproken (€ 750,00), omdat [gedaagde 2] met zijn toestemming de woning is gaan gebruiken. [gedaagde 1] heeft voor de onderverhuur aan [gedaagde 2] geen toestemming gevraagd aan Woonplus. Hierdoor is hij tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor Woonplus schade lijdt. Voor deze schade is [gedaagde 1] aansprakelijk. Hij vindt zelf dat hij niet aansprakelijk is, omdat hij [gedaagde 2] heeft verteld dat zij niet in de woning mag blijven. Dat [gedaagde 2] nu onderhuurdersbescherming geniet, is echter ontstaan door het handelen van [gedaagde 1] . De kantonrechter oordeelt dan ook dat [gedaagde 1] wel aansprakelijk is voor de gebruiksvergoeding nadat zijn huurovereenkomst met Woonplus is beëindigd.
2.18.
De kantonrechter verwijst de zaak niet naar de schadestaatprocedure, omdat zij van oordeel is dat de omvang van de schade in deze procedure kan worden vastgesteld. De proceskosten voor een procedure tegen [gedaagde 2] worden namelijk hieronder al vastgesteld. De ontruimingskosten worden afgewezen, omdat nog niet vaststaat of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten gaan zijn. De gebruiksvergoeding is hierboven ook vastgesteld.
[gedaagde 1] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
2.19.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In artikel 13.3 van de algemene voorwaarden van Woonplus staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag Woonplus daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. [1] De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde 1] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde 1] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. Woonplus wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
2.20.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten de proceskosten betalen
2.21.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan Woonplus moeten betalen op € 297,39 aan dagvaardingskosten, € 514,00 aan griffierecht, € 864,00 aan salaris voor de gemachtigde (3 punten x € 288,00) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.819,39. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Voor € 1.097,94 van deze proceskosten zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk (artikel 6:7 BW Pro). [gedaagde 1] moet daarnaast € 145,45 aan dagvaardingskosten en € 576,00 aan salaris voor de gemachtigde betalen, omdat die kosten zijn gemaakt voordat [gedaagde 2] bij de procedure is betrokken.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.22.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonplus dat eist. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit oordeel uitvoerig te motiveren, omdat hiertegen geen bezwaar is gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan Woonplus te betalen € 5.742,71;
3.2.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] voor het gebruik van de woning aan het adres [adres] in Schiedam geëindigd is per 9 januari 2026;
3.3.
beëindigt de voortgezette huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 2] voor de woning gelegen aan de [adres] in Schiedam;
3.4.
bepaalt dat dit vonnis de aangezegde ontruimingstermijn niet onderbreekt als het vonnis in het incident al is betekend en de ontruimingstermijn hierdoor is aangevangen;
3.5.
veroordeelt, als het vonnis in het incident nog niet is betekend en de ontruimingstermijn nog niet is aangevangen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen een maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in Schiedam te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen;
3.6.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om vanaf 9 januari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonplus te betalen € 750,00 per maand;
3.7.
veroordeelt [gedaagde 1] om vanaf 9 januari 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Woonplus te betalen € 18,85 per maand;
3.8.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten tot het moment dat [gedaagde 2] werd betrokken in de procedure, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 721,45;
3.9.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de verdere proceskosten, die aan de kant van Woonplus worden begroot op € 1.097,94;
3.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.11.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
64363

Voetnoten

1.Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)