ECLI:NL:RBROT:2026:5321
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming onderhuurder na woonfraude en huurachterstand
De zaak betreft een huurovereenkomst tussen Stichting Woonplus en [gedaagde 1], die een woning huurde maar deze niet zelf bewoonde. Na een woonfraude-onderzoek is de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 9 januari 2026. [gedaagde 2], de onderhuurder, weigerde de woning te verlaten, waarna Woonplus zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] dagvaardde.
De kantonrechter oordeelt dat er een onderhuurovereenkomst bestond tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2], waarbij laatstgenoemde maandelijks € 750 betaalde. De huurovereenkomst tussen Woonplus en [gedaagde 1] is rechtsgeldig beëindigd en de voortgezette onderhuurovereenkomst met [gedaagde 2] wordt ontbonden omdat Woonplus dit niet redelijk kan worden gevergd, mede vanwege de lange wachtlijst en het ontbreken van voldoende financiële waarborg.
[gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van € 5.742,71 en samen met [gedaagde 2] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de gebruiksvergoeding tot de dag van ontruiming. De ontruiming moet binnen een maand na betekening van het vonnis plaatsvinden. Incassokosten en rente worden afgewezen wegens oneerlijke bedingen. Proceskosten worden aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgelegd en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurovereenkomst is ontbonden, de onderhuurovereenkomst beëindigd, huurachterstand toegewezen en ontruiming met betaling van gebruiksvergoeding opgelegd.