ECLI:NL:RBROT:2026:5313
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling en verwaarlozing minderjarige stiefkinderen
De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het fysiek mishandelen, verwaarlozen en psychisch mishandelen van zijn minderjarige stiefkinderen in de periode van 2012 tot 2020. De tenlastelegging omvatte onder meer fysieke mishandeling, het onthouden van medische zorg en noodzakelijke hygiëne, en het blootstellen van de kinderen aan geweld en vernedering.
De rechtbank oordeelde dat een deel van de feiten verjaard was, waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk werd verklaard voor gedragingen vóór respectievelijk 25 juni 2013 en 25 juni 2019. De bewijsvoering berustte voornamelijk op studioverhoren van de kinderen, waarvan slechts summiere samenvattingen in het dossier aanwezig waren, waardoor de context en tijdstippen onduidelijk bleven. Andere verklaringen en medisch onderzoek ondersteunden de beschuldigingen niet.
De verdachte ontkende de mishandelingen en verklaarde slechts een incidentele aanraking in een winkel. De rechtbank kon niet vaststellen dat de mishandelingen binnen de niet-verjaarde periode hadden plaatsgevonden. Ook was onvoldoende bewijs dat verdachte opzettelijk de kinderen in een hulpeloze toestand had gebracht of medische zorg had onthouden.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs en de beperkte rol van verdachte in de opvoeding, sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten. De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk voor het verjaarde deel van de feiten en ontvankelijk voor het overige.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid wegens verjaring.