ECLI:NL:RBROT:2026:53

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
AWB - 25 _ 2769
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.G.L. de Vette
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om omzetting studiebeurs in gift en beoordeling van studieschuld

In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 13 januari 2026, wordt het verzoek van eiser om zijn studiebeurs om te zetten in een gift afgewezen. Eiser, die in 1995 begon met zijn studie, heeft een studieschuld van € 31.784,85 opgebouwd door rentedragende leningen en teveel ontvangen studiefinanciering. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft het verzoek van eiser afgewezen, met het argument dat rentedragende leningen niet kunnen worden omgezet in een gift. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 30 oktober 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft afgewezen, omdat eiser geen prestatiebeurs heeft ontvangen, maar een tempobeurs, die onder de toen geldende wetgeving niet kan worden omgezet in een gift. De rechtbank oordeelt dat de besluitvorming van de minister zorgvuldig is geweest en dat er geen strijd is met het motiveringsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat hij geen griffierecht terugkrijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/2769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. K.W. Menig),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om zijn beurs om te zetten in een gift. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het verzoek om zijn beurs om te zetting in een gift terecht heeft afgewezen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft verzocht om zijn beurs om te zetten in een gift. De minister heeft dit verzoek met het besluit van 24 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen een specificatie van de opbouw van de studieschuld van eiser over te leggen. Bij e-mail van 12 november 2025 heeft de minister een specificatie van de studieschuld en een toelichting overgelegd. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om hierop een reactie te geven. Nu geen van de partijen heeft aangegeven om op een nadere zitting te worden gehoord, heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming bestreden besluit
3. Eiser is in september 1995 begonnen met zijn studie. Hij heeft studiefinanciering aangevraagd en aan hem is met ingang van 1 september 1995 een basisbeurs en een rentedragende lening toegekend. Eiser heeft in 2001 zijn diploma behaald. Eiser werd bij terugkomst uit Suriname in 2020 geconfronteerd met een studieschuld van € 31.784,85. Bij het primaire besluit heeft de minister de ontvangen beurs niet omgezet in een gift.
4. Bij et bestreden besluit heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft de minister zich, anders dan in het primaire besluit, op het standpunt gesteld dat eiser vanaf september 1995, gelet op de destijds geldende wetgeving, geen prestatiebeurs heeft ontvangen, maar een tempobeurs. De tempobeurs was een voorwaardelijke beurs. Als de student in een studiejaar voldoende studiepunten had behaald, werd deze voorwaardelijke beurs een gift. Er werd dan ook niet gekeken naar een afsluitend diploma. Het afsluitend diploma van eiser, ongeacht wanneer deze is ingediend, kan dan ook niet leiden tot een omzetting van de tempobeurs dan wel gedeeltelijke kwijtschelding van de studieschuld.
Standpunt van eiser
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel. Allereerst wordt in het primaire besluit gesproken over een prestatiebeurs en in het bestreden besluit over een tempobeurs, wat tegenstrijdig is. Bovendien heeft de minister niet gemotiveerd waarom eiser ondanks het behalen van de propedeuse in het eerste jaar en het behalen van het diploma in 2001, niet in aanmerking komt voor de omzetting van zijn beurs. Verder heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar de feiten en omstandigheden zoals het feit dat eiser zijn propedeuse in het eerste jaar heeft behaald en in 2001 is afgestudeerd, hetgeen voldoende zou zijn geweest om omzetting naar een gift te rechtvaardigen. Verder verwijst eiser naar artikel 10.7 van de Wet studiefinanciering 2000, waaruit blijkt dat de tempobeurs wordt omgezet in een gift als aan de voorwaarden wordt voldaan. Verder stelt de minister dat de termijn voor omzetting van de prestatiebeurs in een gift is verstreken, maar motiveert niet waarom deze termijn in dit geval doorslaggevend zou zijn, terwijl eiser reeds in 2001 zijn diploma heeft behaald en hier meermaals navraag over heeft gedaan. Het had op de weg van de minister gelegen om actief onderzoek te doen. Verder doet eiser een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Dienst Uitvoering Onderwijs heeft in haar communicatie en via haar internetsite onduidelijke informatie verstrekt over de toepasselijke regelgeving. Eiser mocht er, gelet op de eerder verstrekte informatie, op vertrouwen dat zijn prestatiebeurs kon worden omgezet in een gift, aangezien hij voldeed aan de voorwaarden.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt voorop dat aan eiser, die in 1995 is gaan studeren, gelet op de toen geldende wetgeving, een tempobeurs is toegekend en niet zoals in het primaire besluit is vermeld een prestatiebeurs. De prestatiebeurs is pas ingevoerd vanaf 1 september 1996. De studenten die na 31 juli 1991 en voor 1 september 1996 voor het eerst
studiefinanciering ontvingen, behielden studiefinanciering in de vorm van een
tempobeurs. De minister heeft in het bestreden besluit de in het primaire besluit gemaakte fout hersteld. Hoewel het voor eiser wellicht verwarrend was, is de heroverweging in bezwaar (mede) bedoeld om gebreken in primaire besluiten te herstellen.
Daarbij komt dat eiser hierdoor ook niet in zijn belangen is geschaad. Immers zoals ook uit het bestreden besluit, het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken heeft eiser een tempobeurs ontvangen en heeft hij steeds voldoende studiepunten behaald waardoor de voorwaardelijke tempobeurs destijds al is omgezet in een gift. De vraag of eiser tijdig zijn diploma heeft behaald is dan ook niet van belang. Van strijd met het motiveringsbeginsel is dan ook geen sprake.
6.1
De studieschuld van eiser bestaat uitsluitend uit rentedragende leningen die hij vanaf 1 september 1995 naast de basisbeurs in het kader van de studiefinanciering heeft aangevraagd en teveel ontvangen studiefinanciering. Dit blijkt ook uit de berichten die deel uitmaken van het dossier en uit het verweerschrift. Deze rentedragende leningen kunnen niet worden omgezet in een gift. Dat geldt ook als aan eiser een prestatiebeurs zou zijn toegekend. Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank nog een specificatie overgelegd van de opbouw van de studieschuld. Deze specificatie is gebaseerd op de in het dossier opgenomen berichten. Gesteld noch gebleken is dat de berekening van de hoogte van de studieschuld van € 31.784,85 onjuist is.
Gelet op wat in het bestreden besluit is overwogen, de toelichting daarop in het verweerschrift en de na de zitting van de overgelegde specificatie is de rechtbank van oordeel dat de besluitvorming van de minister zorgvuldig is geweest. Ook is er geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Nu aan eiser geen prestatiebeurs is toegekend, was de informatie over deze beurs niet op hem van toepassing. Uit de in het dossier opgenomen berichten, die aan eiser zijn verzonden, blijkt dat hierin ook steeds de hoogte van de studieschuld ie vermeld.
6.2.
Uit de stukken en wat er ter zitting is besproken, heeft eiser een betalingsregeling met de minister getroffen en heeft hij in 2025 € 200,- per maand afgelost.
6.3.
De minister heeft het verzoek om de beurs om te zetten in een gift dan ook terecht afgewezen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.