Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5293

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/10/716990 / KG ZA 26-288
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:75 BWSanctions and Anti-Money Laundering Act 2018Russia Regulations 2019Verdrag van Lugano (2007)Artikel 23 lid 1 Verdrag van Lugano
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot levering Hernieuwbare Brandstofeenheden wegens VK-sancties en UK-nexus

Lukoil Netherlands B.V. vordert in kort geding nakoming van meerdere overeenkomsten met Varo Energy Nederland B.V. en Varo Marketing AG voor de levering van Hernieuwbare Brandstofeenheden (HBE’s). Deze vorderingen zijn ingesteld nadat het Verenigd Koninkrijk sancties heeft opgelegd aan de groep waartoe Lukoil behoort, waardoor Varo NL e.a. de levering van HBE’s hebben opgeschort en de overeenkomsten hebben beëindigd.

De rechtbank beoordeelt of de VK-sancties de nakoming van de leveringsverplichtingen in de weg staan en of sanctievrijstellingen van de OFSI van toepassing zijn. Varo NL e.a. stellen dat de transacties onder de sancties vallen vanwege een UK-nexus, omdat het senior management van de Varo-groep Britse nationaliteit heeft en betrokken is bij besluitvorming over de transacties.

Lukoil NL betwist dit en beroept zich op sanctievrijstellingen die de voortzetting van bedrijfsactiviteiten mogelijk maken. De voorzieningenrechter oordeelt dat de VK-sancties extraterritoriale werking hebben en dat de UK-nexus aannemelijk is. De sanctievrijstellingen bieden onvoldoende zekerheid dat de transacties zijn toegestaan. De belangenafweging leidt tot afwijzing van de vorderingen, waarbij het zwaarwegende belang van Varo NL e.a. om strafrechtelijke risico’s te vermijden prevaleert boven het financiële belang van Lukoil NL.

Uitkomst: De vorderingen tot levering van Hernieuwbare Brandstofeenheden worden afgewezen vanwege toepassing van VK-sancties en het bestaan van een UK-nexus.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/716990 / KG ZA 26-288
Vonnis in kort geding van 22 april 2026
in de zaak van
LUKOIL NETHERLANDS B.V.,
gevestigd in Maastricht,
eiseres,
advocaten: mr. S. Nagy en mr. D.L. van Besouw te Amsterdam,
tegen

1.VARO ENERGY NETHERLANDS B.V.,

gevestigd in Rotterdam,
2.
VAROPREEM AG (VOORHEEN VARO ENERGY MARKETING AG),
gevestigd in Zug (Zwitserland),
gedaagden,
advocaten: mr. M-H.S. Berghuijs en mr. M.G. van de Langemheen te Amsterdam.
Partijen worden hierna Lukoil NL, Varo NL en Varo Marketing genoemd.
Gedaagden worden gezamenlijk aangeduid als Varo NL e.a.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 27 maart 2026;
- de 58 producties van Lukoil NL;
- de conclusie van antwoord;
- de 9 producties van Varo NL e.a.;
- de akte eisvermindering van Lukoil NL;
- de mondelinge behandeling op 8 april 2026;
- de pleitnota van Lukoil NL;
- de pleitnota van Varo NL e.a.

2.De feiten

2.1.
Lukoil NL exploiteert tankstations in Nederland en verhandelt daarnaast brandstoffen, olieproducten en smeermiddelen. Zij richt zich zowel op particulieren als op professionele klanten.
2.2.
De aandelen in Lukoil NL worden indirect gehouden door de Russische oliemaatschappij PJSC Lukoil via de Oostenrijkse vennootschap Lukoil International GmbH (hierna: Lukoil International) en de Belgische vennootschap Lukoil Belgium N.V. (hierna: Lukoil Belgium).
2.3.
Varo NL e.a. maken onderdeel uit van de Varo Energy groep (hierna: de Varo-groep), die actief is in de gehele keten van energieactiviteiten, waaronder het produceren van hernieuwbare brandstoffen in Europa.
2.4.
Lukoil NL is wettelijk verplicht de aan haar toe te rekenen CO₂-uitstoot te compenseren met CO₂-reductie. In dat kader rust op haar op grond van de Wet Milieubeheer een jaarverplichting om een bepaald aandeel hernieuwbare energie in het vervoer te realiseren (hierna: de Jaarverplichting). Dat realiseert zij door het aankopen van Hernieuwbare Brandstofeenheden (hierna: HBE’s). Er zijn verschillende categorieën HBE’s. Eén HBE staat voor één gigajoule (GJ) hernieuwbare energie. Op 1 mei 2026 moet Lukoil NL het aantal HBE’s dat uit haar Jaarverplichting voor 2025 volgt op haar rekening in het Register Energie voor Vervoer (hierna: het Register) hebben staan. De Nederlandse Emissieautoriteit (hierna: de NEa) houdt toezicht op de nakoming van de Jaarverplichting.
2.5.
Om aan haar Jaarverplichting te voldoen, heeft Lukoil NL in 2025 meerdere overeenkomsten gesloten met Varo NL e.a. voor de aankoop van HBE’s:
  • de Exchange & Throughput Agreementvan 25 januari 2025 tussen Lukoil NL en Lukoil Belgium enerzijds en Varo NL en Varo Energy Belgium N.V. anderzijds (hierna: de E&T Agreement), met afspraken over de wederzijdse levering en afname van brandstoffen (inclusief HBE’s) in Nederland en België. Onderdeel van de E&T Agreement is de HBE Agreement (annex 5), die is gesloten tussen Lukoil NL en Varo Marketing. In de HBE Agreement is vastgelegd dat Varo Marketing HBE’s verkoopt en levert aan Lukoil NL. Het aantal HBE’s hangt samen met de volumes brandstof die Lukoil NL afneemt op grond van de E&T Agreement;
  • de Spot Overeenkomst Ivan 20 mei 2025 tussen Lukoil NL en Varo Marketing, voor de verkoop en levering van 150.000 HBE’s;
  • de Spot Overeenkomst IIvan 28 augustus 2025 tussen Lukoil NL en Varo Marketing, voor de verkoop en levering van 75.000 HBE’s;
  • de Swap Overeenkomstvan 14 juli 2025 (OTC Flow ref. 25-uBlluUTL / Varo ref. 8448931) tussen Lukoil NL en Varo Marketing, op grond waarvan Varo Marketing 50.000 HBE’s (categorie Annex IXb) verkoopt en levert aan Lukoil NL.
Bovengenoemde overeenkomsten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de Overeenkomsten.
2.6.
Op 15 oktober 2025 heeft het Verenigd Koninkrijk PJSC Lukoil en haar dochtermaatschappijen aangewezen als ‘designated person’ zoals bedoeld in de Sanctions and Anti-Money Laundering Act 2018 (hierna: de SAMLA) en de Russia Regulations 2019 en op grond daarvan sancties (hierna: de VK-sancties) opgelegd. De VK-sancties omvatten onder meer bevriezing van tegoeden, beperkingen op financiële diensten, transport- en trustdienstenverboden en overige handelsbeperkingen.
2.7.
De Office of Financial Sanctions Implementation (hierna: de OFSI), de toezichthouder op economische sancties in het Verenigd Koninkrijk, heeft twee sanctievrijstellingen verstrekt aan Lukoil International en haar dochtermaatschappijen:
  • GENERAL LICENCE – Russian Oil Majors Wind Down, die gold voor de periode van 15 oktober t/m 28 november 2025;
  • GENERAL LICENCE – Continuation of Business of Lukoil International Entities, die aanvankelijk gold van 27 november 2025 tot 26 februari 2026 en daarna is verlengd tot 25 augustus 2026.
2.8.
Op 27 oktober 2025 hebben Varo NL e.a. aan Lukoil NL meegedeeld dat zij de E&T Agreement per 1 november 2025 en de Spotovereenkomsten en Swapovereenkomst per direct beëindigen vanwege de sancties die aan Lukoil NL zijn opgelegd.
2.9.
Lukoil NL heeft bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de Overeenkomsten en daartoe aangevoerd dat de VK-sancties niet van toepassing zijn op haar en op de betreffende transacties, en dat zij bovendien beschikt over sanctievrijstellingen (‘General Licenses’) van de OFSI.
2.10.
Partijen hebben over en weer correspondentie gevoerd, maar zijn niet tot een overeenstemming gekomen.
2.11.
In verband met sancties die door verschillende landen op PJSC Lukoil zijn opgelegd, is PJSC Lukoil bezig met de voorbereiding van de verkoop van Lukoil International en diens dochtermaatschappijen. In januari 2026 heeft PJSC Lukoil aangekondigd dat zij in dat kader in vergaande onderhandeling is met de Amerikaanse Carlyle-groep.

3.Het geschil

3.1.
Lukoil NL vordert – na eisvermindering en samengevat weergegeven – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
i. Varo NL te veroordelen tot levering van de volgende HBE’s onder de E&T Agreement:
 54.751 HBE-C,
 31.538 HBE-G en
 105.335 HBE-IX-B,
welke leveringen dienen plaats te vinden binnen 48 uur na de uitspraak van dit vonnis middels overschrijving op de rekening van Lukoil NL in het Register van de NEa, zulks op straffe van een dwangsom van € 3.503.525,47;
ii. Varo Marketing te veroordelen tot nakoming van:
1. de Spot Overeenkomst I, door levering van 150.000 GJ aan HBE-A (advanced) of HBE-O (other) tegen een prijs van € 11,50 per GJ,
2. de Spot Overeenkomst II, door levering van 75.000 GJ aan HBE-G Advanced tegen een prijs van € 13,96 per unit,
welke leveringen dienen plaats te vinden binnen 48 uur na de uitspraak van dit vonnis middels overschrijving op de rekening van Lukoil NL in het Register van de NEa, zulks op straffe van een dwangsom van € 4.113.750,00;
iii. Varo Marketing te veroordelen tot nakoming van de Swap Overeenkomst door levering van 50,000 GJ HBE Annex IXb tegen een prijs van € 12,525 per GJ, welke levering dient plaats te vinden binnen 48 uur na de uitspraak van dit vonnis middels overschrijving op de rekening van Lukoil NL in het Register van de NEa, zulks op straffe van een dwangsom van € 914.167,00;
iv. Varo NL e.a. (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;
v. iedere voorziening te treffen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend of noodzakelijk acht.
3.2.
Varo NL e.a. concluderen tot afwijzing van de vorderingen.

4.De beoordeling

Bevoegdheid
4.1.
Varo Marketing is gevestigd in Zwitserland, dat geen lidstaat is van de Europese Unie. Dat maakt dat het geschil een internationaal karakter heeft. Zowel Nederland als Zwitserland zijn partij bij het Verdrag van Lugano (2007). Hoewel het Verdrag van Lugano de toepassing van de Brussel I-bis Verordening onverlet laat, volgt uit artikel 64 lid 2 onder Pro a van dat Verdrag dat het Verdrag in ieder geval van toepassing is wanneer partijen een forumkeuze zijn overeengekomen. Dat is hier aan de orde. Partijen hebben in de Overeenkomsten de rechtbank Rotterdam aangewezen als (exclusief) bevoegd gerecht, zodat de voorzieningenrechter op grond van artikel 23 lid 1 van Pro het Verdrag van Lugano bevoegd is om van dit internationale geschil kennis te nemen.
Juridisch kader kort geding
4.2.
Bij de beoordeling van een eis in kort geding is van belang of de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten, en hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat de eisende partij heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagde als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
4.3.
Lukoil NL heeft gesteld dat de niet-nakoming van de Overeenkomsten door Varo NL e.a. ertoe leidt dat Lukoil NL niet tijdig (vóór 1 mei 2026) kan voldoen aan haar Jaarverplichting voor 2025 waardoor zij mogelijk geconfronteerd wordt met bestuursrechtelijke handhaving door de NEa. Daarmee is het spoedeisend belang van Lukoil NL bij haar vorderingen voldoende gegeven.
Inhoudelijke beoordeling
4.4.
Uit de Overeenkomsten volgt dat Varo Marketing en/of Varo NL verplicht zijn tot levering van HBE’s aan Lukoil NL. De vorderingen strekken tot nakoming door Varo NL e.a. van deze verplichtingen en zijn daarom in beginsel toewijsbaar. Dat is anders als Varo NL e.a. de Overeenkomsten rechtsgeldig hebben beëindigd, de nakoming van de leveringsverplichtingen hebben mogen opschorten of sprake is van overmacht waardoor Varo NL e.a. niet kunnen nakomen. In verband hiermee stellen Varo NL e.a. dat zij met het leveren van de overeengekomen HBE’s in strijd zouden handelen met de VK-sancties en risico lopen op sanctiemaatregelen.
4.5.
Beoordeeld moet dus worden of aannemelijk is dat (de bodemrechter zal oordelen dat) de VK-sancties de nakoming van de leveringsverplichting door Varo NL e.a. in de weg staan.
4.6.
Indien dat zo is, is aannemelijk dat Varo NL e.a. gerechtigd zijn de Overeenkomsten te beëindigen dan wel de leveringsverplichting op te schorten op grond van de toepasselijke bedingen in de Overeenkomsten. Varo NL e.a. hebben verwezen naar de sanctiebepalingen in de E&T Agreement en in de Spot Overeenkomst II. Die bepalingen houden in dat een partij niet verplicht is te presteren als dat leidt tot strijd met sanctiewetgeving of blootstelling aan sanctiemaatregelen. Verder hebben Varo NL e.a. gewezen op § 17 van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op Spot Overeenkomst I en II en de Swap Overeenkomst. Daarin is onder meer bepaald dat overheidssancties een overmachtssituatie kunnen opleveren, dat de verkoper (in dit geval Varo NL e.a.) zijn verplichtingen kan opschorten en dat partijen (later) de overeenkomst kunnen ontbinden. De stelling van Lukoil NL dat de sanctiebepaling in de E&T Agreement niet ziet op sancties vanuit het Verenigd Koninkrijk, kan haar niet baten. Ook als Varo NL e.a. de sanctiebepalingen niet zouden hebben bedongen, is verdedigbaar dat in die situatie hoe dan ook sprake is van overmacht in de zin van artikel 6:75 BW Pro. Wat dat betreft is van belang dat (zoals volgt uit de verklaring van Lukoil NL ter zitting, die Varo NL e.a. niet hebben betwist) voor beide partijen de afkondiging van de sancties in oktober 2025 niet voorzien was en kennelijk verband hield met geopolitieke ontwikkelingen.
4.7.
Zowel Lukoil NL als Varo NL e.a. hebben een
legal opinionovergelegd van een juridisch deskundige, waarin wordt ingegaan op de reikwijdte en werking van de VK-sancties (dus Engels recht) op de rechtsverhouding tussen partijen.
4.8.
De voorzieningenrechter begrijpt dat tussen partijen niet (langer) in geschil is dat de VK-sancties die op PJSC Lukoil zijn gelegd, ook gelden voor Lukoil NL omdat zij een (klein)dochtervennootschap is van PJSC Lukoil.
4.9.
Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of de VK-sancties op de transacties uit hoofde van de Overeenkomsten van toepassing zijn en, als dat het geval is, of de transacties toch toegestaan zijn in verband met de aan Lukoil NL gegeven sanctievrijstellingen.
Zijn de VK-sancties op de transacties van toepassing?
4.10.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de VK-sancties extraterritoriale werking hebben. In artikel 21 SAMLA Pro staat onder meer:
Extra-territorial application
(1) Prohibitions or requirements may be imposed by or under regulations under section 1 in relation to –
(a) conduct in the United Kingdom or in the territorial sea by any person;
(b) conduct elsewhere, but only if the conduct is by a United Kingdom person.
(2) In subsection (1) “United Kingdom person” means –
(a) a United Kingdom national, or
(b) a body incorporated or constituted under the law of any part of the United Kingdom.
(3) For this purpose a United Kingdom national is an individual who is –
(a) a British citizen, a British overseas territories citizen, a British National (Overseas) or a British Overseas citizen,
(…)”
Daaruit volgt dat de VK-sancties van toepassing zijn op handelingen die worden verricht in het gebied van het Verenigd Koninkrijk of handelingen buiten het Verenigd Koninkrijk door een ‘UK person’.
4.11.
Daarnaast geldt dat een handeling buiten het Verenigd Koninkrijk door een ‘non-UK person’ een overtreding van de VK-sancties kan betekenen als die handeling enig verband houdt met het Verenigd Koninkrijk, de zogenaamde ‘UK-nexus’. Verwezen wordt naar de ‘Financial Sanctions Enforcement and Monetary Penalties Guidance’ van 9 februari 2026 van de OFSI, waarin de OFSI het bestaan van een UK-nexus toelicht. Daarin staat:
5.3. UK Nexus
A breach does not have to occur within UK borders for OFSI’s authority to be engaged. There simply has to be a connection to the UK, which we call a UK nexus.
Financial sanctions apply to all persons within the territory and territorial sea of the UK and to all UK persons, wherever they are in the world. Individuals and legal entities who are within or undertake activities within the UK’s territory must comply with financial sanctions that are in force. All UK nationals and legal entities established under UK law, including their branches must also comply with UK financial sanctions that are in force, irrespective of where their activities take place.
A UK nexus might be created by such things as a UK company working overseas, transactions using clearing services in the UK, actions by a local subsidiary of a UK company (depending on the governance), action taking place overseas but directed from within the UK, or financial products or insurance bought on UK markets but held or used overseas. These examples are not exhaustive or definitive and will depend on the facts in the case.”
4.12.
Varo NL e.a. betogen dat de transacties vallen onder de werking van de VK-sancties. Onmiddellijk na de inwerkingtreding van de sancties tegen PJSC Lukoil heeft de Varo-groep een aangescherpt governance- en besluitvormingskader geïmplementeerd voor alle interacties met Lukoil-entiteiten. Dat betekent dat transacties met Lukoil-entiteiten zijn onderworpen aan de goedkeuring van de Risk Oversight Committee (hierna: de ROC) van de Varo-groep. De ROC bestaat uit vijf personen van het senior management, die allen de Britse nationaliteit hebben. Aldus zijn binnen de Varo-groep diverse ‘UK nationals’ direct betrokken bij de uitvoering van de Overeenkomsten. Dat levert een ‘UK-nexus’ op die aan levering van HBE’s in de weg staat, aldus Varo NL e.a.
4.13.
Volgens Lukoil NL zijn de VK-sancties niet van toepassing. Zij benadrukt dat zowel de partijen achter de gesloten Overeenkomsten als de uitvoering van de verplichtingen niets te maken hebben met het Verenigd Koninkrijk. Verder geldt dat de nationaliteit van betrokken managers binnen de Varo-groep niet kan leiden tot een ‘UK-nexus’. Het Engelse recht maakt, net als het Nederlandse recht, een expliciet onderscheid in de rechtspersoonlijkheid van een vennootschap en de positie van bestuurders achter de vennootschap. Geen van de leden van de ROC is bevoegd om Varo NL e.a. te vertegenwoordigen. Bovendien kan de inrichting van de interne protocollen binnen de Varo-groep niet aan Lukoil NL als buitenstaander worden tegengeworpen, aldus Lukoil NL.
4.14.
Varo NL e.a. hebben voldoende onderbouwd dat de besluitvorming met betrekking tot transacties met Lukoil NL volgens intern beleid (dat is vastgelegd als de ‘Know Your Counterparty Policy’) is onderworpen aan de goedkeuring van de ROC. Dat dit intern beleid is en de Varo-groep haar beleid anders had kunnen inrichten (zodat ‘UK persons’ niet bij de uitvoering van de Overeenkomsten waren betrokken), doet niet aan af aan de bestaande situatie. Varo NL e.a voeren op dat punt terecht aan dat, juist met het bestaan van het vastgelegde beleid, de leden van de ROC zich niet aan de uitvoering van hun taken kunnen onttrekken zonder zich daarmee schuldig te maken aan het omzeilen van sancties. Uit de toelichting van de OFSI op het bestaan van een ‘UK-nexus’ valt af te leiden dat een ‘UK-nexus’ al snel wordt aangenomen. Dat een bestuurder in beginsel niet aansprakelijk is voor schulden van de vennootschap, kan zo zijn, maar gelet op de ruime reikwijdte die de OFSI geeft aan het begrip ‘UK-nexus’, is vooralsnog aannemelijk dat het feit dat alle leden van de ROC ‘UK persons’ zijn, met zich brengt dat de transacties (die aan de goedkeuring van de ROC onderhevig zijn) een ‘UK-nexus’ hebben.
4.15.
Verder is tussen partijen niet in geschil dat HBE’s zijn te beschouwen als ‘economic resources’, door de OFSI omschreven als “
assets of every kind – tangible or intangible, movable or immovable – which are not funds, but may be used to obtain funds, goods, or services”. Artikel 14 lid 4 van Pro de Russia Regulations bevat een verbod om ‘economic resources’ beschikbaar te stellen aan “
a person who is owned or controlled directly or indirectly (within the meaning of regulation 7) by the designated person” (in dit geval Lukoil NL).
4.16.
Varo NL e.a. hebben al met al voldoende aannemelijk gemaakt dat de VK-sancties op de transacties van toepassing zijn. Het andersluidende standpunt van Lukoil NL wordt verworpen.
Zijn de transacties toch toegestaan op grond van sanctievrijstellingen?
4.17.
Lukoil NL doet een beroep op de door OFSI aan haar gegeven sanctievrijstellingen. OFSI heeft meerdere ‘General Licences’ afgegeven aan Lukoil International en haar dochtermaatschappijen, waaronder Lukoil NL. De laatste versie heeft als titel ‘GENERAL LICENCE – Continuation of Business of Lukoil International Entities’ en is geldig is voor de periode van 27 november 2025 tot 25 augustus 2026. In het lichaam van de ‘General Licence’ staat onder meer:
“4. Under this licence, subject to the conditions below:
4.1.
A Person may continue business operations involving Lukoil International and a Lukoil International Subsidiary including, but not limited to:
4.1.1.
Payments to or from Lukoil International and/ or a Lukoil International Subsidiary under any existing or new obligations or contracts;
4.1.2.
Payments to or from any other Person under any obligations or contracts; and
4.1.3.
Provision of, and receipt of, economic resources from Lukoil International and/ or a Lukoil International Subsidiary.
4.2.
Insofar as Lukoil International or a Lukoil International Subsidiary would have been (but for their designation) entitled to any funds (or any legal or equitable interests or rights therein) under paragraph 4.1 funds must not be made available (either directly or indirectly) to, or for the benefit of Lukoil International or a Lukoil International Subsidiary unless such funds are paid into a frozen account or until such time as Lukoil International is no longer owned or controlled, directly or indirectly, by PJSC Lukoil within the meaning of regulation 7 of the Russia Regulations.”
4.18.
Partijen verschillen van mening over de reikwijdte van de vrijstelling, in het bijzonder hoe de artikelen 4.1. aanhef en 4.1.3. moeten worden opgevat.
4.19.
Varo NL e.a. menen dat artikel 4.1.3., door de woorden “
economic resources from”, er enkel in voorziet dat Lukoil NL ‘economic resources’ mag leveren aan andere partijen maar niet andersom. Volgens Varo NL e.a. ligt dat voor de hand, gelet op de ratio van de sancties, namelijk dat moet worden voorkomen dat ‘economic resources’ uiteindelijk aan Rusland ten goede komen.
4.20.
Lukoil NL voert daartegen aan dat artikel 4.1.3. een ontwerpfout (‘drafting flaw’) bevat. Er had moeten staan ‘economic resources
to orfrom’. Dat is in lijn met de inhoud van de artikelen 4.1.1. en 4.1.2. en met de algehele strekking en doel van de vrijstelling, namelijk om de onbeperkte voortzetting van de onderneming van Lukoil International en haar (Europese) dochtermaatschappijen mogelijk te maken. Dat is niet alleen van belang met het oog op de voorgenomen verkoop van Lukoil International aan de Carlyle-groep, maar ook om het belang van de Europese consument bij behoud van de tankstations te dienen. Verder wijst Lukoil NL op de zinsnede in 4.1. “
including, but not limited to”. De opsomming in de artikelen 4.1.1. t/m 4.1.3. is dus niet limitatief. Gezien het doel van de vrijstelling, kan het volgens Lukoil NL niet anders dan dat het geleverd krijgen van HBE’s, wat noodzakelijk is voor de bedrijfsactiviteiten van Lukoil NL, ook onder de vrijstelling valt.
4.21.
De titel en de tekst in artikel 4.1. aanhef maken duidelijk dat de ‘General Licence’ is afgegeven met als doel dat Lukoil International en haar dochtermaatschappijen hun bedrijfsactiviteiten kunnen voortzetten. Daarna worden enkele, uitdrukkelijk niet-limitatief bedoelde voorbeelden genoemd en wordt in artikel 4.2. (slechts) een beperking opgenomen voor betalingen aan Lukoil NL. Nu er expliciet staat dat het gaat om niet-limitatief bedoelde voorbeelden, acht de voorzieningenrechter de uitleg van Lukoil NL, die inhoudt dat in principe alle bedrijfsactiviteiten met Lukoil NL mogen worden voortgezet en dat de genoemde voorbeelden daar op zichzelf geen afbreuk aan kunnen doen, niet onaannemelijk. Dat dit een ‘carte blanche’ zou geven voor het handelen met Lukoil International, is, anders dan Varo NL e.a. menen, niet zonder meer een aanwijzing voor het tegendeel, gezien de strekking van de vrijstelling.
4.22.
Aan de andere kant roept de formulering van artikel 4.1.3. vragen op. Uit de bewoording van het artikel volgt dat de vrijstelling mede ziet op het verstrekken en ontvangen van ‘economic resources’ van Lukoil NL, waarbij dus Lukoil NL de verstrekkende partij is. Dat roept de vraag op waarom dit zo is geformuleerd en of dat betekent dat het verstrekken van ‘economic resources’ (zoals HBE’s)
aanLukoil NL daarmee is uitgesloten. Daarbij speelt een rol dat in de artikelen 4.1.1. en 4.1.2., waar het gaat om betalingen, wel expliciet ‘to or from’ staat. De voorzieningenrechter acht het niet zonder meer aannemelijk dat, zoals Lukoil NL meent, het hier gaat om een ontwerpfout. Daarvoor zijn er geen aanwijzingen. Het gaat hier om een door de OFSI opgestelde Licence met (maar) twee pagina’s tekst die op 27 november 2025 is afgegeven en op 25 februari 2026 is verlengd zonder inhoudelijke wijzigingen.
4.23.
Het standpunt van Lukoil NL dat dit artikel niet afdoet aan de algemene regel dat het is toegestaan om de bedrijfsactiviteiten met Lukoil NL voort te zetten, is weliswaar verdedigbaar, maar kan niet met voldoende zekerheid voor juist worden aangenomen. Dat klemt temeer nu het hier gaat om de inhoud en uitleg van Engels recht, waarbij twee
legal opinionszijn overgelegd die elkaar gemotiveerd tegenspreken. Voor een verder (eigen) onderzoek naar de inhoud van het Engels recht is in dit kort geding geen plaats.
4.24.
Aldus bestaat met de voorliggende stukken onvoldoende zekerheid dat de transacties zijn toegestaan op grond van de ‘General Licence’. Dat betekent dat niet kan worden uitgesloten dat (in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat) de VK-sancties aan de levering van HBE’s in de weg staan. Het feit dat Lukoil NL al wel heeft betaald voor een groot deel van de HBE’s onder de E&T Agreement, maakt dat niet anders. Dat kan mogelijk leiden tot terugbetalingsverplichtingen van Varo NL e.a., maar die vraag ligt hier niet voor.
Belangenafweging
4.25.
Lukoil NL wenst te voorkomen dat zij boetes krijgt opgelegd van de NEa door niet tijdig aan de verplichtingen op grond van de Wet Milieubeheer te voldoen. Daarnaast is het voor haar van belang dat haar waarde als onderneming behouden blijft in het kader van de beoogde overname van Lukoil International door de Carlyle-groep.
4.26.
Het eerste belang is reëel, maar vormt een zuiver financieel belang. In een bodemprocedure, waar wel gelegenheid is voor nadere bewijslevering en onderzoek naar de inhoud van het Engelse recht, kan worden beoordeeld of Lukoil NL gelijk heeft. Indien dat zo is, zal het financiële belang van Lukoil NL zich oplossen in een schadevergoeding. Overigens is het nog maar de vraag of de NEa over zal gaan tot sanctiemaatregelen en, als zij dat wel doet, of zij de maximale beboeting toepast, gegeven de onderhavige omstandigheden, die er immers op neerkomen dat Lukoil NL buiten haar schuld niet kan voldoen aan het registreren van haar Jaarverplichting. Het gestelde belang in het kader van de beoogde overname is door Varo NL e.a. betwist en door Lukoil NL niet onderbouwd. Varo NL e.a. voeren terecht aan dat het niet op het eerste gezicht aannemelijk is dat een mogelijke bestuurlijke boete van de NEa van invloed is op een overname waar $ 22 miljard mee gemoeid is.
4.27.
Hier tegenover staat het belang van Varo NL e.a. en de aan haar verbonden ‘UK persons’ (de functionarissen in de ROC). Dat belang is niet alleen van financiële aard. Naast mogelijke beboeting, gaat het vooral om het risico van strafrechtelijke vervolging van het senior management, indien de Britse autoriteiten menen dat de ‘UK persons’ sancties hebben overtreden. Dit is naar zijn aard zwaarwegend. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de sancties van toepassing zijn, kan dat bij de huidige stand van zaken zeker niet worden uitgesloten. Varo NL e.a. hebben dus een zwaarwegend belang om dit risico te voorkomen.
4.28.
De voorzieningenrechter weegt verder mee dat Lukoil NL haar belang bij het voorkomen van bestuurlijke boetes ook op een andere manier had kunnen dienen, namelijk door op een eerder moment HBE’s elders in te kopen. Weliswaar zou dat zijn gebeurd tegen een hogere prijs (omdat vast staat dat de prijs van HBE’s in het afgelopen jaar is gestegen), maar die meerprijs had zij als schadevergoeding kunnen verhalen op Varo NL e.a. Het is een eigen keuze van Lukoil NL geweest om dit niet te doen, hoewel zij al sinds oktober 2025 wist dat Varo NL e.a. niet gingen nakomen. Deze afweging ligt in de risicosfeer van Lukoil NL.
4.29.
Al met al valt de belangenafweging dus uit in het voordeel van Varo NL e.a.
Conclusie
4.30.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de vorderingen worden afgewezen.
Proceskosten
4.31.
Lukoil NL wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Varo NL e.a. veroordeeld. Deze kosten worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.766,00
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.690,00

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt Lukoil NL in de proceskosten van € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Lukoil NL niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
2091 / 1980