Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5210

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
ROT 23/3555
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 2.6 WhtArt. 6:22 AwbArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Dienst Toeslagen moet toeslagjaren 2010 en 2011 herbeoordelen in compensatiezaak

Eiser heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) compensatie ontvangen voor het toeslagjaar 2009. De Dienst Toeslagen heeft echter niet beoordeeld of eiser ook recht heeft op compensatie over de jaren 2010 en 2011. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn aanvraag niet uitdrukkelijk heeft beperkt tot 2009 en dat de Dienst Toeslagen daarom ook deze jaren had moeten herbeoordelen.

De Dienst Toeslagen baseerde zich op het standpunt dat voor 2010 en 2011 geen aanvraag was gedaan en dat de kinderopvangtoeslag was stopgezet, maar de rechtbank vond dat onvoldoende gemotiveerd. Er is onvoldoende zekerheid dat eiser zelf de toeslag heeft stopgezet en het beleid van de Dienst Toeslagen kan ook compensatie toekennen zonder dat een aanvraag is gedaan, indien er een causaal verband bestaat met vooringenomen handelen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het niet over de jaren 2010 en 2011 beslist en draagt de Dienst Toeslagen op een nieuw besluit te nemen waarin deze jaren worden betrokken. Daarnaast veroordeelt de rechtbank de Dienst Toeslagen tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het niet over de jaren 2010 en 2011 beslist en draagt de Dienst Toeslagen op een nieuw besluit te nemen waarin deze jaren worden beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/3555

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit Hendrik-Ido-Ambacht, eiser
(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigde: mr. W.E. Louwerse).

Samenvatting

1. Eiser heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) compensatie gekregen over het toeslagjaar 2009. Het beroep leidt niet tot een hogere compensatie voor dit toeslagjaar. De Dienst Toeslagen heeft echter niet volledig op de aanvraag van eiser beslist door niet ook te beoordelen of eiser over de jaren 2010 en 2011 recht heeft op compensatie. De Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Procesverloop

2.
2.1.
Met een besluit van 7 oktober 2021 (met kenmerk UHT-DC I, het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen eiser op grond van de Wht een bedrag van € 2.525,- aan compensatie toegekend over het toeslagjaar 2009.
2.2.
Met een besluit van 6 april 2023 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft drie kinderen, geboren op [geboortedatum 1] 1993, [geboortedatum 2] 2000 en [geboortedatum 3] 2001. Hij heeft voor twee kinderen kinderopvangtoeslag aangevraagd en ontvangen voor het toeslagjaar 2009.
4. Eiser heeft zich gemeld voor een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Bij brief van 1 april 2021 heeft de Dienst Toeslagen eiser bericht dat hij in aanmerking komt voor het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Dit bedrag is aan eiser uitbetaald.
5. Op 2 juni 2020 heeft eiser toestemming gegeven aan de Dienst Toeslagen voor een herbeoordeling van zijn kinderopvangtoeslag. Uit het door de Dienst Toeslagen verrichte onderzoek is gebleken dat geen kinderopvangtoeslag van eiser is teruggevorderd. Wel heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat eiser recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen. Aan eiser zijn vragen gesteld in verband met het hoge aantal opgegeven opvanguren. Zonder de reactie van eiser af te wachten is vervolgens het aantal opvanguren naar beneden bijgesteld. De Dienst Toeslagen heeft het compensatiebedrag vastgesteld op € 2.525,-.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat de Dienst Toeslagen ten onrechte heeft afgezien van een herbeoordeling van de toeslagjaren 2010 en 2011. Eiser heeft dit in bezwaar ook aan de orde gesteld. Eiser heeft de aanvraag niet willen beperken tot het toeslagjaar 2009. De kinderopvangtoeslag is eind 2009 stopgezet, maar eiser betwist dat hij dit heeft gedaan. Volgens eiser is hij in het kader van het fraudeonderzoek naar gastouderbureau Bebegim ondervraagd door de FIOD. Eiser heeft niet opnieuw geprobeerd om de kinderopvangtoeslag aan te vragen vanwege angst voor nieuwe problemen. Eiser kon op een gegeven moment niet meer werken doordat er geen kinderopvangtoeslag meer werd betaald en zijn kinderen daarom niet meer konden worden opgevangen. Maar volgens eiser is er ook na 2009 nog sprake geweest van kinderopvang.
7. De Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat eiser de aanvraag om compensatie heeft beperkt tot het toeslagjaar 2009 en dat daarom de andere toeslagjaren niet zijn beoordeeld, zodat die andere jaren niet voorliggen in dit beroep. Volgens de Dienst Toeslagen is hierbij van belang dat voor de toeslagjaren 2010 en 2011 geen aanvraag is gedaan en er ook geen kinderopvangtoeslag is toegekend.
8. Als uitgangspunt geldt dat een aanvraag als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager de aanvraag uitdrukkelijk heeft beperkt. [1] Dat eiser zijn aanvraag uitdrukkelijk heeft beperkt tot 2009, is de rechtbank niet gebleken. Uit de stukken blijkt niet voldoende dat eiser duidelijk heeft willen maken dat wat hem betreft geen andere jaren in de herbeoordeling behoefden te worden meegenomen. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij voor 2010 en 2011 geen nieuwe aanvragen heeft gedaan. Ook is niet gebleken dat de Dienst Toeslagen over deze jaren beschikkingen heeft gegeven. Toch had de Dienst Toeslagen in dit geval, naar aanleiding van het bezwaar, ook de jaren 2010 en 2011 moeten herbeoordelen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
9. Volgens het beleid van de Dienst Toeslagen kan er ook recht op compensatie bestaan zonder dat kinderopvangtoeslag is aangevraagd, automatisch gecontinueerd of toegekend. Dit kan het geval zijn als er een causaal verband bestaat tussen de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door de Dienst Toeslagen als gevolg van een vooringenomen behandeling en het ontbreken van een aanvraag van kinderopvangtoeslag in de daaropvolgende periode. [2] De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen in dit geval had moeten beoordelen of de situatie van eiser onder dit beleid kan vallen. Volgens de Dienst Toeslagen heeft eiser de kinderopvangtoeslag eind 2009 zelf stopgezet, maar de rechtbank is van oordeel dat hierover vooralsnog onvoldoende zekerheid bestaat. De Dienst Toeslagen heeft in dit verband verwezen naar een XML-bestand waaruit zou volgen dat eiser de kinderopvangtoeslag op 6 november 2009 heeft stopgezet. De Dienst Toeslagen heeft echter niet voldoende gemotiveerd dat uit dit XML-bestand sluitend volgt dat het inderdaad eiser is geweest die de stopzetting heeft doorgevoerd. Hier komt bij dat uit het advies van de Commissie werkelijke schade (CWS) volgt dat op 6 november 2009 de kinderopvangtoeslag slechts voor één kind van eiser is stopgezet (per 31 december 2009). Voor het andere kind is de kinderopvangtoeslag stopgezet op 21 december 2009 (per 1 januari 2010). Van deze stopzetting heeft de Dienst Toeslagen geen XML-bestand overgelegd. Op basis van de informatie die nu voorhanden is, kan niet worden uitgesloten dat het genoemde beleid van toepassing is op de situatie van eiser in de jaren na 2009. Hierbij is ook van belang dat vooralsnog niet kan worden uitgesloten dat eiser ook na 31 december 2009 nog kinderopvang heeft afgenomen.
10. Gelet op het voorgaande heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte de jaren 2010 en 2011 niet betrokken in de herbeoordeling. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarin niet is beslist over de toeslagjaren 2010 en 2011. De Dienst Toeslagen moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen waarin die toeslagjaren ook worden beoordeeld. Dat de Dienst Toeslagen in deze procedure ook al inhoudelijk is ingegaan op de toeslagjaren 2010 en 2011, maakt dat niet anders. De Dienst Toeslagen zal bij zijn nadere besluitvorming in elk geval zorgvuldig moeten beoordelen of in het geval van eiser aanleiding bestaat voor toepassing van het onder 9 genoemde beleid. Daarbij zal de Dienst Toeslagen in elk geval de stopzetting van de kinderopvangtoeslag eind 2009 nader moeten onderzoeken en moeten nagaan of in zijn systemen meer informatie te vinden is over de vraag of na 2009 nog kinderopvang is afgenomen. De rechtbank gaat er van uit dat de Dienst Toeslagen bij zijn nadere besluitvorming het ouderdossier zal betrekken en dat vooraf aan eiser zal verstrekken. [3]
11. De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit nog om andere redenen gebrekkig is.
12. Eiser heeft aangevoerd dat de reactie van 18 januari 2023 van de Dienst Toeslagen op vragen van de bezwaarschriftenadviescommissie ten onrechte niet aan de gemachtigde van eiser is toegezonden. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat dit wel had gemoeten. De rechtbank zal met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorbijgaan aan dit gebrek omdat aannemelijk is dat eiser daardoor niet is benadeeld. Hierbij is van belang dat eiser in deze beroepsprocedure op de reactie van 18 januari 2023 heeft kunnen reageren.
13. Eiser voert aan dat hij het persoonlijk dossier van de Dienst Toeslagen had moeten ontvangen, evenals stukken over het onderzoek naar een eventuele FSV-registratie en stukken over het onderzoek naar een eventuele onterechte kwalificatie opzet of grove schuld (O/GS). Deze beroepsgrond slaagt niet. De Dienst Toeslagen is verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. [4] Niet gebleken is dat de Dienst Toeslagen dit in deze zaak, waarin de Dienst Toeslagen alleen het jaar 2009 heeft herbeoordeeld, niet heeft gedaan. [5] De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan zijn standpunt dat geen sprake is geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, in het geding had moeten brengen. Er bestaan namelijk geen aanknopingspunten die maken dat aan de juistheid van dit standpunt moet worden getwijfeld. Hierbij is van belang dat geen kinderopvangtoeslag van eiser is teruggevorderd en reeds daarom een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, van de Wht, niet aan de orde kan zijn. Met betrekking tot het onderzoek naar een eventuele FSV-registratie overweegt de rechtbank dat uit de CWS-procedure duidelijk is geworden dat eiser volgens de Dienst Toeslagen niet was geregistreerd in de FSV. Voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen over het hiernaar verrichte onderzoek nadere stukken in het geding had moeten brengen, ziet de rechtbank geen aanleiding.
14. Eiser voert aan dat hij recht heeft op meer compensatie voor het toeslagjaar 2009 omdat een nabetaling van € 5.516,- ten onrechte niet aan hem is overgemaakt maar aan het gastouderbureau. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De Dienst Toeslagen heeft verklaard dat deze nabetaling volgens de afspraken is overgemaakt aan het gastouderbureau. Eiser heeft dit niet betwist. Ook los daarvan heeft eiser niet duidelijk kunnen maken hoe het feit dat de nabetaling rechtstreeks aan het gastouderbureau is overgemaakt, zou kunnen leiden tot een hogere compensatie voor 2009.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit niet volledig op de aanvraag van eiser is beslist. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. Aan het gebrek met betrekking tot de reactie van 18 januari 2023 gaat de rechtbank voorbij met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb. Het bestreden besluit is niet om nog een andere reden gebrekkig. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover daarin niet volledig op de aanvraag van eiser is beslist. De rechtbank zal de Dienst Toeslagen opdragen een nieuw besluit op het bezwaar nemen. De Dienst Toeslagen zal hierbij ook de jaren 2010 en 2011 moeten beoordelen.
16. Omdat het beroep gegrond is, moet de Dienst Toeslagen het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt de Dienst Toeslagen ook in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin niet ook de jaren 2010 en 2011 zijn beoordeeld;
- draagt de Dienst Toeslagen op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de Dienst Toeslagen het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt de Dienst Toeslagen in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2026.
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van deze rechtbank van 17 december 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:13134, 27 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1081 en 26 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2489.
2.Zie paragraaf 3.1.5 en paragraaf 3.1.5a van het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek, versie 3.16, van 11 november 2025 (het Handboek).
3.Zie https://herstel.toeslagen.nl/dossiers/: “Gaat u in bezwaar tegen de uitslag van de integrale beoordeling? Of gaat u na de integrale beoordeling door naar de Commissie Werkelijke Schade? Dan ontvangt u bij de behandeling van uw zaak het ouderdossier.”
4.Artikel 8:42 van Pro de Awb.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990, r.o. 9. e.v.