ECLI:NL:RBROT:2026:520

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/707881 / JE RK 25-2056 en C/10/711866 JE RK 25-2601
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met zorgregeling

Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2023. De kinderrechter heeft de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdbescherming als gecertificeerde instelling betrokken bij de procedure. De ouders van de minderjarige, bijgestaan door hun advocaat mr. R.A.A.H. van Leur, hebben hun bezorgdheid geuit over de huidige verblijfplaats van hun kind en de omgangsregeling. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk blijven, gezien de ontwikkeling van de minderjarige en de betrokkenheid van de GI. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd tot 25 november 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing tot 25 juli 2026. Tevens is er een zorgregeling vastgesteld voor de omgang tussen de ouders en de minderjarige, waarbij de omgang begeleid zal worden door een neutrale partij. De ouders hebben aangegeven dat de huidige omgangslocatie te ver weg is, wat hen belemmert in hun rol als ouders. De kinderrechter heeft de GI verzocht om de mogelijkheden voor een betere omgangsregeling te onderzoeken, zodat de continuïteit van de omgang gewaarborgd blijft. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en de verdere behandeling van de zaak is aangehouden tot 1 juni 2026.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/707881 / JE RK 25-2056 en C/10/711866 JE RK 25-2601
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdbescherming,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.A.A.H. van Leur, kantoorhoudende te Dordrecht,
[naam 1] ,
hierna te noemen: de gezinshuismoeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de tussenbeschikking van 11 november 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken,
  • het verzoekschrift van de GI van 15 december 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 16 december 2025,
  • de briefrapportage van de GI van 22 december 2025, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum,
  • de pleitnota overlegd ter zitting door mr. van Leur.
1.2.
Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
De gezinshuisouder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de gezinshuisouder wel juist is opgeroepen.
2.
De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een perspectief biedend gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 november 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 25 januari 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 25 januari 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.

3.De (aangehouden) verzoeken

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/707881
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor een jaar. Over de periode tot 25 januari 2026 is reeds beslist. Er resteert nu een beslissing over de periode tot 25 november 2026.
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/711866
3.2.
De GI verzoekt de kinderrechter op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een zorgregeling vast te stellen met daarin de volgende voorwaarden:
- De omgang wordt begeleid door een neutrale partij die SKJ gecertificeerd is;
- Omgang is in de oneven weken op donderdag van 15:30 tot 17:00 uur;
- Tijdens de zomertijd (april tot en met eind oktober) vindt de omgang plaats bij
kinderboerderij in Uden;
- Tijdens de wintertijd (november tot en met eind maart) vindt de omgang plaats bij
Okido in Oss;
- Ouders zijn aanwezig bij de omgang;
- Ouders zeggen de omgang alleen af bij omstandigheden buiten hun macht (ziekte of een noodsituatie);
- Ouders laten het uiterlijk vóór 12:00 uur van het omgangsmoment weten als ze niet aanwezig zijn en brengen de omgangsbegeleider en jeugdbeschermer hiervan op de hoogte;
- Wanneer ouders 3 keer niet aanwezig zijn of te laat zijn zal er geen omgang plaats vinden totdat er een evaluatieafspraak is waarbij de omgangsbegeleider en de jeugdbeschermer aanwezig zijn;
- De omgang wordt iedere 8 weken geëvalueerd, waar het inhoudelijk gaat over de omgang. Alles wat niet over de omgang gaat, wordt op een ander moment besproken.
3.3.
De GI handhaaft de verzoeken en licht het ter zitting als volgt toe. Sinds mei 2025 hebben de ouders en [minderjarige] begeleide omgang. Sindsdien hebben er zes omgangsmomenten plaatsgevonden en zijn er acht omgangsmoment afgezegd. Aan de hand van deze 6 omgangsmomenten kan de GI onvoldoende bepalen of [minderjarige] naar de ouders kan terugkeren. De GI is voornemens een perspectiefonderzoek in te stellen en onderzoek te doen naar de opvoedvaardigheden van de ouders. Belangrijk is dat de omgang hiervoor stabieler is. Desgevraagd door de kinderrechter heeft de GI het verzoek van de ouders om de locatie voor de omgang te wijzigen intern met een gedragswetenschapper besproken. Op dit moment acht de GI een wijziging van de omgangslocatie niet in het belang van [minderjarige] . Dit omdat de omgang niet structureel plaatsvindt en gezien wordt dat [minderjarige] na de omgang overprikkeld is. De omgang is nu op een kwartier reizen afstand. Wanneer [minderjarige] naar Den Bosch zou moeten afreizen, zoals de ouders vragen, is de reistijd dubbel zo lang en dit is nog minder wenselijk nu hij al overprikkeld is. Voordat dit nogmaals overwogen kan worden, moet de omgang eerst structureel plaatsvinden. Belangrijk is daarom dat de afspraken over de omgang worden vastgelegd zodat alle partijen weten waar zij aan toe zijn.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders wordt, naast de overlegde pleitnota, ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ouders staan niet achter de plek waar [minderjarige] op dit moment verblijft. [minderjarige] krijgt in het gezinshuis ongezond eten en drinken en hij heeft vaak wondjes op zijn hoofd en onder zijn ogen. Ook is de plek waar de omgang plaatsvindt te ver weg. Dit is financieel lastig voor de ouders en zij zijn afhankelijk van het openbaar vervoer waarvan de aansluiting slecht is. De ouders hebben de GI daarom verzocht de omgang te laten plaatsvinden rondom het station van Den Bosch. De ouders hebben onderzoek gedaan naar geschikte locaties en deze met de GI gedeeld. Dit scheelt de ouders veel reistijd en deze afstand is voor hen veel beter uit te voeren. De afspraken kunnen dan ook beter nagekomen worden hetgeen in het belang is van [minderjarige] . De GI weigert de locatie voor de omgang te wijzigen omdat [minderjarige] dan een half uur in de auto zou moeten zitten en hij al overprikkeld is. Zeker gezien de doelgroep van de GI is de advocaat van oordeel dat de GI de ouders meer moet ondersteunen en haar best moet doen om de omgang tussen de ouders en [minderjarige] soepeler mogelijk te maken. Daarnaast is dat de omgang eenmaal niet door is gegaan vanwege de weersomstandigheden, maar dit gezien wordt als een afmelding door de ouders. Dit is niet eerlijk. De advocaat verzoekt de kinderrechter daarom de verzoeken van de GI voor een kortere periode toe te wijzen, zodat de GI met een gedegen plan voor de omgang komt waarbij de belangen van de ouders ook worden meegenomen. Uiteindelijk is daarmee het belang van [minderjarige] ook gediend. De advocaat geeft aan indien mogelijk aanwezig te zijn bij de evaluaties over de omgang in de hoop dat de gesprekken met de GI beter verlopen. Ouders voelen zich niet serieus genomen in hun rol voor [minderjarige] . Ook moet de screening van het netwerk van de ouders nog plaatsvinden. De ouders hebben binnenkort daartoe een netwerkbijeenkomst.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting volgt dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De afgelopen maanden is er gewerkt aan het behalen van de doelen van de ondertoezichtstelling, maar dit is nog onvoldoende gelukt. Het voorgaande maakt dat de betrokkenheid van de GI en de hulpverlening noodzakelijk blijft.
5.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 november 2026.
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] [minderjarige] verblijft sinds november 2024 in het perspectiefbiedend gezinshuis. Dit gezinshuis is gericht op kinderen met een medische zorgvraag en biedt [minderjarige] de medische ondersteuning en structuur die hij nodig heeft. Daarnaast ontwikkelt [minderjarige] zich hier ook sociaal-emotioneel goed. Een terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders is op dit moment niet aan de orde, nu er nog onvoldoende zicht is op de opvoedingsvaardigheden van de ouders. De GI is daarom voornemens hier onderzoek naar te doen evenals een perspectiefonderzoek te laten verrichten. In afwachting hiervan is het in het belang van [minderjarige] dat zijn verblijf in het gezinshuis wordt gecontinueerd.
5.5.
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen, maar voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor 6 maanden. De aankomende periode is van belang dat de GI een gedegen onderzoek doet naar de opvoedvaardigheden van de ouders en zijn perspectief zodat duidelijk wordt in hoeverre [minderjarige] bij de ouders zou kunnen opgroeien en welke rol ouders kunnen blijven/gaan spelen in zijn leven. Ouders zijn immers belangrijk voor [minderjarige] .
5.6.
De GI wordt verzocht om
een weekvóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en aan de advocaat van de moeder) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.
De zorgregeling
5.7.
Ingevolgde artikel 1:265g, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.8.
Op dit moment is er geen sprake van een door de rechter vastgelegde verdeling van zorg- en opvoedingstaken. De kinderrechter is van oordeel dat het vaststellen van een regeling in het belang van [minderjarige] is.
5.9.
Uit de overlegde stukken en de mondelinge behandeling volgt dat de omgang tussen de ouders en [minderjarige] niet structureel wordt nageleefd. Sinds mei 2025 hebben de ouders begeleide omgang met [minderjarige] en sindsdien is de omgang meermaals niet konden doorgaan of zijn afgezegd door de ouders. Gebleken is dat de voornaamste oorzaken hiervoor zijn dat de omgangslocatie te ver reizen is voor de ouders en zij beperkte financiële middelen hebben. Ook is de omgang soms niet doorgegaan vanwege omstandigheden die buiten het bereik van de ouders lagen. Dit wordt hen echter wel toegerekend. Gedurende de omgang wordt gezien dat de ouders erg liefdevol zijn naar [minderjarige] en zij goed kunnen aansluiten bij het tempo en de behoeftes van [minderjarige] . Wel zijn er nog verbeterpunten waardoor het belangrijk is dat de omgang vooralsnog begeleid doorgang blijft vinden.
5.10.
Alle partijen zijn het er met elkaar over eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij omgang heeft met zijn ouders en dat dit structureel plaatsvindt. De ouders geven ter zitting aan er alles aan te willen doen om op de omgangsmomenten te verschijnen, maar grote moeite te hebben met de praktische obstakels. Het is daarom van doorslaggevend belang dat de obstakels omtrent de omgang worden weggenomen zodat dit de continuïteit van de omgang ten goede komt. Daar heeft de nog zeer jonge [minderjarige] namelijk recht op. Om dit mogelijk te maken is het belangrijk dat de GI serieus de mogelijkheden onderzoekt om de omgang rondom het station van Den Bosch te laten plaatsvinden. Het reizen naar de omgangslocatie wordt daardoor eenvoudiger. De kinderrechter verwacht van de ouders dat zij zich aan de gemaakte afspraken zullen houden en zij gedurende elk omgangsmoment zullen verschijnen zodat het vertrouwen van de GI in de ouders groeit en [minderjarige] leert dat hij op de ouders kan bouwen. Ten slotte is het belangrijk dat de ouders en de GI proberen de samenwerking weer met elkaar op te zoeken in het belang van [minderjarige] .
5.11.
Gelet op het voorgaande, zal de kinderrechter de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig als volgt vaststellen:
- De omgang wordt begeleid door een neutrale partij die SKJ gecertificeerd is;
- Omgang is in de oneven weken op donderdag van 15:30 tot 17:00 uur;
- Tijdens de zomertijd (april tot en met eind oktober) vindt de omgang plaats bij
een -ook met het openbaar vervoer- goed bereikbare locatie;
- Tijdens de wintertijd (november tot en met eind maart) vindt de omgang plaats bij een -ook met het openbaar vervoer- goed bereikbare locatie;
- De omgang kan alleen worden afgezegd bij zeer dringende omstandigheden (ziekte of een noodsituatie);
- Ouders laten uiterlijk vóór 12:00 uur op de dag van de omgang weten als ze niet aanwezig kunnen zijn en brengen de omgangsbegeleider en jeugdbeschermer hiervan tijdig op de hoogte;
- De omgang wordt iedere 8 weken geëvalueerd, waarbij het inhoudelijk alleen gaat over de omgang. Alles wat niet over de omgang gaat, wordt op een ander moment besproken. De advocaat van de ouders wordt hiertoe uitgenodigd door de GI om aanwezig te zijn met de ouders.
5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.13.
De definitieve beslissing op het verzoek van de GI wordt aangehouden tot een nader te bepalen zittingsdatum.
5.14.
De GI wordt verzocht om
een weekvóór de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de ouders, mr. van Leur en de gezinshuisouder) te overleggen over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het verzoek voor het overig verzochte wordt gehandhaafd.

6.De beslissing

De kinderrechter:
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/707881
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voorziening tot 25 juli 2026;
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/711866
6.3.
stelt voorlopig de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast:
- De omgang wordt begeleid door een neutrale partij die SKJ gecertificeerd is;
- Omgang is in de oneven weken op donderdag van 15:30 tot 17:00 uur;
- Tijdens de zomertijd (april tot en met eind oktober) vindt de omgang plaats bij
een -ook met het openbaar vervoer- goed bereikbare locatie;
- Tijdens de wintertijd (november tot en met eind maart) vindt de omgang plaats
bij een -ook met het openbaar vervoer- goed bereikbare locatie;
- De omgang kan alleen worden afgezegd bij zeer dringende omstandigheden (ziekte of een noodsituatie);
- Ouders laten uiterlijk vóór 12:00 uur op de dag van de omgang weten als ze niet aanwezig kunnen zijn en brengen de omgangsbegeleider en jeugdbeschermer hiervan tijdig op de hoogte;
- De omgang wordt iedere 8 weken geëvalueerd, waarbij het inhoudelijk alleen gaat over de omgang. Alles wat niet over de omgang gaat, wordt op een ander moment besproken. De advocaat van de ouders wordt hiertoe uitgenodigd door de GI om aanwezig te zijn met de ouders.
6.4.
bepaalt dat deze regeling geldt zolang de kinderrechter geen nadere of definitieve (gewijzigde) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft bepaald;
6.5.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad
en alvorens verder te beslissen:
6.6.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaken met zaaknummers C/10/707881 / JE RK 25-2056 en C/10/711866 JE RK 25-2601 worden aangehouden tot 1 juni 2026 pro forma;
6.7.
bepaalt dat de GI, de ouders, mr. van Leur en de gezinshuismoeder op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.8.
verzoekt de GI uiterlijkeen weekvoor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de ouders, mr. van Leur en de gezinshuismoeder) de sub 5.6 en 5.14 verzochte rapportage te doen toekomen;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 13 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.