Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5190

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/10/717933 / KG ZA 26-340
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119a BWArtikel 4 lid 1 Brussel I bis-VoArtikel 4 lid 1 onder b) Rome IArtikel 4 lid 3 Rome I
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geldvordering in kort geding tegen niet-verschijnende gedaagde

In deze kortgedingprocedure vorderen eisers, gevestigd in Portugal en Duitsland, betaling van respectievelijk €41.225,44 en €55.902,06 van gedaagde, gevestigd in Nederland. De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve zijn internationale bevoegdheid en toepasselijk recht en stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is vanwege de nauwere band met Nederland.

Gedaagde is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, waarna verstek wordt verleend. Het spoedeisend belang van eisers wordt erkend vanwege de substantiële bedragen en aanwijzingen van onvoldoende liquiditeit bij gedaagde. Gedaagde heeft voorafgaand slechts gedeeltelijk verweer gevoerd over verrekening en betaling, welke bedragen reeds in de vorderingen zijn verwerkt.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vorderingen niet onrechtmatig of ongegrond zijn en wijst deze toe, inclusief wettelijke handelsrente vanaf 16 april 2026. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsommen, rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, met een extra bedrag bij niet-tijdige betaling. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen, rente, incassokosten en proceskosten, met verstek en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/717933 / KG ZA 26-340
Vonnis in kort geding van 6 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] LDA,

statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] (Portugal),
2. [eiser 2] GMBH,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] (Duitsland),
eisende partijen,
advocaat: mr. B.J. Maes,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutaire vestigingsplaats: [vestigingsplaats 3] ,
gedaagde partij,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna [eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] genoemd. [eiser 1] en [eiser 2] worden hierna samen [eisers] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 april 2026, met bijlagen 1 tot en met 18;
  • de mondelinge behandeling op 28 april 2026.

2.De vorderingen

2.1.
[eisers] vorderen om bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser 1] van een bedrag van € 41.225,44 (zijnde € 39.051,73 hoofdsom + € 2.173,71 verschenen rente), alsmede tot betaling aan [eiser 2] van een bedrag van € 55.902,06 (zijnde € 53.312,68 hoofdsom + € 2.589,38 verschenen rente), te vermeerderen met € 1.336,82 aan buitengerechtelijke incassokosten, al dan niet bij wijze van voorschot totdat daarover een einduitspraak in een eventuele bodemprocedure zal zijn gedaan, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over de respectievelijke hoofdsommen vanaf de dag van dagvaarding tot en met de dag der algehele voldoening, zulks met bepaling dat de vordering binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis dient te zijn voldaan, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten (met rente).

3.De beoordeling

3.1.
Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [eiser 1] in Portugal is gevestigd en [eiser 2] in Duitsland is gevestigd. De voorzieningenrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of hij internationaal bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen en welk recht op de zaak van toepassing is. Omdat [gedaagde] in Nederland (meer specifiek: in [vestigingsplaats 3] ) is gevestigd, is de Nederlandse rechter (meer specifiek: de voorzieningenrechter in de Rechtbank Rotterdam) bevoegd om van deze zaak kennis te nemen. [1] Hoewel [eiser 1] en [eiser 2] in Portugal respectievelijk Duitsland zijn gevestigd en om die reden in beginsel Portugees respectievelijk Duits recht van toepassing is op deze zaak, [2] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een kennelijk nauwere band met Nederland heeft en daarom Nederlands recht van toepassing is op deze zaak. [3] [eisers] zijn ingeschreven in het handelsregister van de Nederlandse Kamer van Koophandel, [gedaagde] is in Nederland gevestigd en de overeengekomen diensten zijn door [eisers] in Nederland verleend.
3.2.
De voorzieningenrechter verleent verstek tegen [gedaagde] . [gedaagde] is namelijk niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, terwijl bij haar oproeping in deze zaak alle wettelijke termijnen en regels zijn gevolgd.
3.3.
Het spoedeisend belang van [eisers] bij hun vorderingen volgt uit de stellingen in de dagvaarding en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Het gaat om voor de bedrijven van [eisers] substantiële bedragen en er zijn aanwijzingen dat [gedaagde] over onvoldoende liquide middelen beschikt om die bedragen aan [eisers] te betalen.
3.4.
Uit de processtukken blijkt dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure heeft aangevoerd dat [eisers] in hun vorderingen rekening moeten houden met de verrekening van een bedrag van € 18.115,00 en met een voor [gedaagde] verrichte betaling van € 15.000,00. Uit de processtukken blijkt ook dat deze bedragen in de vorderingen van [eisers] zijn verdisconteerd. Voor het overige heeft [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure geen verweer gevoerd. De vorderingen van [eisers] komen de voorzieningenrechter mede gelet hierop niet onrechtmatig of ongegrond voor en worden daarom toegewezen. In de gevorderde bedragen is de wettelijke handelsrente opgenomen tot en met de dag van dagvaarding, zodat die verder toewijsbaar is vanaf de dag daarna, 16 april 2026.
3.5.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- dagvaarding € 128,65
- griffierecht € 3.083,00
- salaris advocaat € 760,00 (tarief verstekzaak)
- nakosten €
189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 4.160,65
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser 1] € 41.225,44 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 39.051,73 vanaf 16 april 2026 tot en met de dag van algehele voldoening;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser 2] € 55.902,06 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 53.312,68 vanaf 16 april 2026 tot en met de dag van algehele voldoening;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan [eisers] € 1.336,82 aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen;
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.160,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
3349 / 1694

Voetnoten

1.Artikel 4 lid 1 Brussel Pro I bis-Vo (herschikking).
2.Artikel 4 lid 1 onder Pro b) Rome I.
3.Artikel 4 lid 3 Rome Pro I.