De rechtbank Rotterdam behandelde op 18 maart 2026 het verzoek van een schuldenaar om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). De schuldenaar bevindt zich in een problematische schuldensituatie en voldoet aan de voorwaarden voor toelating, waaronder te goeder trouw zijn bij het ontstaan van de schulden en de verwachting dat hij aan de verplichtingen zal voldoen.
De rechtbank stelde vast dat zij bevoegd was de insolventieprocedure te openen, aangezien het centrum van voornaamste belangen van de schuldenaar in Nederland ligt. De looptijd van de Wsnp werd vastgesteld op 18 maanden, ingaand op de datum van het vonnis, 18 maart 2026.
Het verzoek om een eerdere ingangsdatum, namelijk 30 mei 2025, werd afgewezen omdat de schuldenaar niet voldoende bewijs had geleverd dat hij gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan zijn afdrachtverplichtingen had voldaan. Er ontbraken belangrijke documenten zoals uitkeringsspecificaties en onderliggende stukken bij de berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb).
De rechtbank benoemde een bewindvoerder en een rechter-commissaris die toezicht houden op de naleving van de Wsnp-verplichtingen. De bewindvoerder beheert de boedel en controleert de nakoming van verplichtingen. Bij volledige naleving van de verplichtingen kan de schuldenaar na afloop van het traject een schone lei krijgen, waardoor schuldeisers niet langer kunnen verhalen op de schuldenaar.