ECLI:NL:RBROT:2026:511

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/10/712185 / JE RK 25-2655 en C/10/711980 JE RK 25-2619
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen

Op 2 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Rotterdam een beschikking uitgesproken in de zaken van de Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond. De kinderrechter heeft de minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld voor de duur van twee maanden, met ingang van 2 januari 2026. De Raad en de GI hebben verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, gezien de ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige 3], die eerder letsel heeft opgelopen. De ouders hebben zich gemotiveerd verzet tegen deze verzoeken, waarbij zij stelden dat de veiligheid van de kinderen gewaarborgd is door de aanwezigheid van de grootmoeder en de inzet van hulpverlening. De kinderrechter heeft besloten om de verzoeken voor het overige aan te houden en de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. De ouders en betrokken instanties zijn opgeroepen om samen te werken en aanvullende hulpverlening te onderzoeken. De kinderrechter heeft benadrukt dat de veiligheid van de kinderen voorop staat en dat er openheid van zaken moet zijn om gerichte hulpverlening te kunnen bieden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/712185 / JE RK 25-2655 en C/10/711980 JE RK 25-2619
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt in alle zaken als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Kara, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt in de zaak van de Raad als belanghebbende aan:
De GI,voornoemd
.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI van 17 december 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum, in de zaak met zaaknummer
  • het verzoekschrift van de Raad van 19 december 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum, in de zaak met zaaknummer
  • het raadsrapport van 29 december 2025 met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum, in de zaak met zaaknummer
  • het verweerschrift van mr. S. Kara van 30 december 2025 met producties, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het bericht van mr. S. Kara met aanvullende producties van 2 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [naam 2] en [naam 3] .
1.3.
Bijzondere toegang is verleend aan mr. G. Sahin, kantoorgenoot van mr. S. Kara.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij de ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 16 januari 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 31 oktober 2025 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voorlopig onder toezicht gesteld tot 31 januari 2026.

3.De (gewijzigde) verzoeken

Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/712185 / JE RK 25-2655
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier maanden. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ten aanzien van de zaak met zaaknummer C/10/711980 JE RK 25-2619
3.2.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling en aansluitend voor de duur van de door de Raad verzochte ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De GI wijzigt ter zitting het verzoek, in die zin dat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verzoekt voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

4.De standpunten

4.1.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Desgevraagd door de kinderrechter zijn in het raadsrapport de zorgen niet per kind apart omschreven, nu de zorgen betrekking hebben op alle drie de kinderen en zij allemaal opgroeien in dezelfde opvoedsituatie.
Desgevraagd vraagt de Raad zich af of de veiligheid van de kinderen sinds het afwijzen van het verzoek tot uithuisplaatsing op 31 oktober 2025 voldoende is gewaarborgd. Het is ondervangen door het vierogenprincipe, maar dit is op de lange termijn onvoldoende. Desgevraagd geeft de Raad niet te hebben gekozen voor het instellen van hoger beroep omdat te lang gewacht zou moeten worden op een zitting.
Tot op heden is het nog steeds niet duidelijk wat er met [minderjarige 3] is gebeurd. De Raad is zich ervan bewust dat een uithuisplaatsing van drie jonge kinderen traumatisch kan zijn en het is kiezen tussen twee kwaden. Maar, wanneer sprake is van dusdanig ernstig letsel waarvoor geen verklaring is, is de Raad als professionele partij verplicht een uithuisplaatsing van de kinderen te verzoeken zodat hun veiligheid kan worden gewaarborgd. Daarnaast verloopt het contact tussen de Raad en de ouders erg moeizaam. Er was veel discussie over de oorzaak van het letsel bij [minderjarige 3] wat de samenwerking niet ten goede kwam. Ook hebben de ouders eerder onjuiste informatie verstrekt. De Raad nodigt de ouders uit openheid van zaken te geven en tot samenwerking te komen zodat er een gedegen plan voor de kinderen kan worden opgesteld.
4.2.
De GI handhaaft ter zitting het (gewijzigde) verzoek en licht het als volgt toe. Ondanks dat er alleen letsel bij [minderjarige 3] is geconstateerd, zien de zorgen op alle drie de kinderen nu zij allemaal risico lopen. Eerder overwoog de GI een uithuisplaatsing van de kinderen bij de grootmoeder mz, maar hier heeft de GI nu bewust niet voor gekozen. De GI durft er niet op te vertrouwen dat de grootmoeder mz aan de bel trekt wanneer het mis gaat, aangezien zij nauw betrokken is bij de zorg voor de kinderen. Om diezelfde reden is ook geen uithuisplaatsing bij de oom en tante mz onderzocht. Ook was de grootmoeder mz erg emotioneel, waardoor een inhoudelijk gesprek niet mogelijk was. Desgevraagd was ASH bij het gezin betrokken en zij waren positief over de ouders. De GI twijfelt er niet aan dat de ouders goede opvoeders zijn en zij het beste willen voor hun kinderen, maar de GI wil geen risico lopen dat een van de kinderen wederom letsel oploopt als bijvoorbeeld een van de ouders zichzelf niet zou kunnen beheersen. Desgevraagd wordt sinds de zitting van 31 oktober 2025 de veiligheid van de kinderen gewaarborgd door het vierogenprincipe. Sindsdien is geen aanvullende hulpverlening meer ingezet, maar de GI is hierover in gesprek met Yulius. Er is inmiddels een beschikbaar crisispleeggezin gevonden als de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen wordt uitgesproken. Daar vanuit wordt naar een geschikte vervolgplek gezocht. Het is onbekend of de kinderen gezamenlijk in het pleeggezin terecht zouden kunnen, maar dit is wel de bedoeling. Desgevraagd acht de GI een gezinsopname voor het gezin niet passend. Bij een gezinsopname wordt de interactie binnen het gezin onderzocht. Hiervoor is het noodzakelijk dat de toedracht van het letsel bekend is, zodat hiervoor specifieke hulpverlening kan worden ingezet. Na de zitting van 31 oktober 2025 is er nieuwe informatie ontvangen, namelijk dat er door de artsen is bevestigd dat er geen andere oorzaak is voor het letsel bij [minderjarige 3] dan dat dit is toebracht. Dit maakt dat de GI wederom een uithuisplaatsing van de kinderen verzoekt. Desgevraagd zien de huidige zorgen nu niet op het halfzusje van de kinderen, [naam 4] . De GI heeft begrepen dat zij de laatste tijd niet meer gedurende de weekenden bij de ouders komt.
4.3.
Door en namens de ouders wordt, naast het ingediende verweerschrift, ter zitting het volgende naar voren gebracht. De ouders begrijpen de zorgen van de Raad en de GI. Zij hadden immers dezelfde zorgen waardoor de moeder een onderzoek naar [minderjarige 3] in het ziekenhuis heeft geïnitieerd. Toen de ouders kennis namen van het letsel van [minderjarige 3] , hadden zij het gevoel dat zij als ouders hadden gefaald. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om [minderjarige 3] te beschermen en dat is niet gelukt. De ouders hebben echter niet gezien wat er mis is gegaan dan wel doorgehad dat [minderjarige 3] letsel had. Het idee dat [minderjarige 3] langere tijd pijn had, bezorgt de ouders een groot schuldgevoel en heeft vele slapeloze nachten veroorzaakt. De andere kinderen zijn ook onderzocht en gelukkig hadden zij nergens last van.
De ouders herkennen de zorgen van de Raad en de GI omtrent de samenwerking echter niet. Bij de ouders is geen sprake van weerstand: zij staan overal voor open, hebben aan alle onderzoeken meegewerkt en hebben meerdere gesprekken met de GI gehad. Wel kunnen de ouders soms kritisch zijn. Dit ziet niet op het letsel bij [minderjarige 3] , maar op de samenwerking met de instanties. Ondanks de meewerkende houding worden de ouders nog steeds gezien als daders. Ook krijgen de ouders het gevoel dat bij de instanties de gedachte heerst dat de moeder degene is die het letsel bij [minderjarige 3] heeft toegebracht, nu zij eerder een kind heeft verloren. De vader heeft daarentegen ook een dochter uit een eerdere relatie, maar hier wordt geen onderzoek naar gedaan. Desgevraagd komt [naam 4] niet op vaste momenten bij de ouders, nu de ex-partner van de vader zich niet aan de omgangsafspraken houdt. Op dit moment beschikken de partijen over dezelfde informatie als op de zitting van 31 oktober 2025, waarbij het verzoek om de uithuisplaatsing van de kinderen is afgewezen. Nog steeds kan niet met zekerheid worden vastgesteld hoe het letsel bij [minderjarige 3] is ontstaan. Sindsdien verblijven de kinderen nog steeds bij de ouders thuis en wordt het vierogenprincipe gehanteerd nu oma mz bij het gezin is ingetrokken. ASH was bij het gezin betrokken en dit is heel positief afgerond. Stevig Ouderschap is nog bij de ouders betrokken maar zij hebben besloten af te schalen naar een keer per maand. Gezien deze positieve ontwikkelingen en het feit dat ASH aangeeft dat het belangrijk is dat er nu rust komt in het gezin, dient het verzoek om de kinderen uit huis te plaatsen te worden afgewezen. Tevens heeft een uithuisplaatsing geen meerwaarde, nu dit er niet voor zal zorgen dat de veiligheid thuis dan wel wordt gewaarborgd. Ook zal een uithuisplaatsing er niet voor zorgen dat de oorzaak voor het letsel van [minderjarige 3] bekend wordt, nu de ouders consequent blijven aangeven dit niet te weten. Daarnaast gaat het thuis goed met de kinderen en [minderjarige 3] maakt stappen vooruit. [minderjarige 3] krijgt fysiotherapie aan huis omdat hij moeite had met rollen. Dit kan hij inmiddels. De kinderfysiotherapeut heeft een rapportage opgesteld waaruit volgt dat de interactie tussen de gezinsleden erg positief is. Ook de huisarts heeft de kinderen veelvuldig gezien en hier zijn geen zorgen uit naar voren gekomen.
Samengevat verzoeken de ouders primair de verzoeken van de Raad en de GI af te wijzen. Subsidiair verzoeken de ouders de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden uit te spreken en het verzoek voor het overige deel aan te houden, nu er geen andere zorgen spelen. Ook is een uithuisplaatsing van de kinderen niet noodzakelijk nu via de ondertoezichtstelling toezicht op de ouders en de kinderen kan worden gerealiseerd. Indien de kinderrechter een uithuisplaatsing van de kinderen toch noodzakelijk acht, wordt verzocht de kinderen te plaatsen binnen het netwerk, te weten bij de grootmoeder mz of bij de oom en tante mz. Zij zijn alle drie bekend en vertrouwd met de nog zo jonge kinderen. De gevolgen van een uithuisplaatsing van de kinderen op een voor hen onbekende plek, wellicht zelfs apart van elkaar en in een tijdelijk crisisgezin kunnen traumatisch zijn. Een uithuisplaatsing is een uiterste middel en dat is hier te zwaar, temeer gelet op de nog zo jonge leeftijd van de drie kinderen.

5.De beoordeling

5.1.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat er ernstige zorgen zijn over [minderjarige 3] en zijn broertjes. Eerder is bij [minderjarige 3] fors letsel geconstateerd, namelijk een fractuur in zijn rib, twee bloedophopingen aan de linker- en rechterkant van zijn schedel en forse bloedingen in het netvlies van zijn beide oogjes. Door de vertrouwensartsen is vastgesteld dat de combinatie van het letsel meer past bij toegebracht letsel dan iets waar een medische verklaring voor is. De ouders ontkennen echter enige betrokkenheid bij het toebrengen van dit letsel aan [minderjarige 3] . De ouders zijn hiervan ernstig geschrokken en hebben het gevoel dat zij gefaald hebben, nu zij de veiligheid van [minderjarige 3] niet hebben kunnen waarborgen. De heftigheid van het letsel in combinatie met het ontbreken van een verklaring hiervoor door de ouders, heeft ertoe geleid dat de Raad over is gegaan tot het verzoek om de kinderen (voorlopig) onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen.
5.2.
Bij beschikking van 31 oktober 2025 heeft de kinderechter het verzoek om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een pleeggezin afgewezen. Ter zitting hebben de Raad en de GI hierover hun ernstige onvrede geuit. Hoger beroep tegen de destijdse beslissing is door de Raad niet ingesteld. Wel heeft de situatie ertoe geleid dat de Raad en de GI (opnieuw) een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen hebben verzocht. De Raad en de GI hebben ter zitting naar voren gebracht dat zij zich als professionele partij verplicht voelen de uithuisplaatsing van de kinderen wederom te verzoeken nu door andere artsen is bevestigd dat het letsel bij [minderjarige 3] in de thuissituatie moet zijn toegebracht. Dit maakt dat de veiligheid van de kinderen in die thuissituatie onvoldoende kan worden gewaarborgd nu de ouders geen verklaring hebben voor het ontstaan van het letsel bij [minderjarige 3] . Voorkomen moet worden dat de kinderen (wederom) slachtoffer zouden worden en letsel oplopen. De Raad en de GI willen graag dat de ouders openheid geven van zaken zodat er gerichte hulpverlening kan worden ingezet.
5.3.
De ouders verweren zich gemotiveerd tegen de verzoeken van de Raad en de GI. Sinds de beslissing van de kinderrechter op 31 oktober 2025 verblijven de kinderen bij de ouders thuis en is de grootmoeder mz in het kader van het vierogenprincipe ieder moment van de dag bij het gezin aanwezig. Hierdoor wordt de veiligheid van de kinderen gewaarborgd. Tevens is ASH is bij de ouders thuis ingezet en is dit positief afgesloten. Op dit moment is Stevig Ouderschap nog bij het gezin betrokken, maar door de positieve ontwikkelingen hebben zij besloten in frequentie af te schalen. Zij komen nu nog maar een keer per maand langs. Door de GI is sindsdien geen andere hulpverlening ingezet en er zijn geen nieuwe zorgen naar voren gekomen. Ook hebben de ouders en hun advocaat verslagen van de kinderfysiotherapeut en de huisarts overgelegd, die deze positieve ontwikkeling onderschrijven. Het voorgaande maakt dat de ouders en hun advocaat een uithuisplaatsing van de kinderen een te vergaande inbreuk op hun gezinsleven vinden.
5.4.
Gelet op de nog zeer jonge leeftijd van de drie betrokken kinderen, de complexiteit van de zaak en het feit dat de visies van de ouders en de instanties lijnrecht tegenover elkaar staan, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek voor verdere behandeling en beslissing te verwijzen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op de hierna te noemen zittingsdatum.
5.5.
In afwachting hiervan roept de kinderrechter de ouders en de instanties nadrukkelijk op de samenwerking met elkaar aan te gaan. Belangrijk is dat de ouders open staan voor de hulpverlening, hieraan meewerken in het belang van de kinderen en (laten) onderzoeken of aanvullende hulpverlening in de thuissituatie ingezet kan/moet worden.
Daarnaast verzoekt de kinderrechter de GI nadere informatie te verstrekken over de plek waar de kinderen bij een eventuele uithuisplaatsing terecht komen alsmede hoe de samenwerking met de grootmoeder mz verloopt.
5.6
De Raad, de GI en de ouders worden verzocht om een week vóór de hierna vermelde zittingsdatum een briefrapportage (met afschrift aan de Raad, de GI, de ouders en mr. S. Kara) te overleggen, met daarin beschreven de dan stand van zaken, het verloop van de samenwerking en de visie van betrokkenen op hetgeen in het belang van ieder van de drie kinderen wordt geacht.
5.7.
Binnen de komende periode, gezien de verwijzing naar de meervoudige kamer van deze rechtbank, lopen de huidige maatregelen af. Aangezien naar het oordeel van de kinderrechter vooralsnog is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, zal de kinderrechter [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht stellen voor de duur van twee maanden en de verzoeken voor het overige aanhouden.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 2 januari 2026 tot 2 maart 2026;
6.2.
verwijst de zaak voor verdere behandeling en beslissing naar de meervoudige kamer en roept de Raad, de GI, de ouders en mr. S. Kara op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.P.G. Rietbergen, mr. S.J. Huizenga en mr. L.L.H. Roebroek van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan
Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op
21 januari 2026 te 13:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
6.3.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
6.4.
verzoekt de grootmoeder mz op te roepen als informant;
6.5.
verzoekt de Raad, de GI, de ouders en mr. S. Kara uiterlijk op de genoemde datum de rechtbank de sub 5.6. verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. E.T. van Ringelesteijn als griffier, en op schrift gesteld op 12 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.