Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5084

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
C/10/681340 / HA ZA 24-550
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:11 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bestuurders en betaling openstaande facturen Badkamers B.V.

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van openstaande facturen van Badkamers B.V. ter hoogte van €191.539,43. Daarnaast vordert eiser schadevergoeding van Beheer B.V. en een individuele bestuurder wegens bestuurdersaansprakelijkheid, omdat zij persoonlijk ernstig verwijtbaar zouden hebben gehandeld door het niet nakomen van betalingsverplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat Badkamers B.V. gehouden is tot betaling van het grootste deel van de facturen. Beheer B.V. en de individuele bestuurder worden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor een bedrag van €26.897,47, omdat zij wisten of hadden moeten begrijpen dat Badkamers niet aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen. De rechtbank verwerpt het betoog van een vooropgezet plan om de activiteiten van Badkamers ten koste van eiser te beëindigen, mede omdat eiser onvoldoende onderbouwde dat dit het geval was.

Verder wijst de rechtbank de vordering tot buitengerechtelijke incassokosten tegen Beheer B.V. en de individuele bestuurder af, maar kent deze wel toe tegen Badkamers B.V. Ook worden beslagkosten en proceskosten toegewezen, waarbij Badkamers B.V. en de andere gedaagden naar rato worden veroordeeld. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Badkamers B.V. en bestuurders worden veroordeeld tot betaling van openstaande facturen en schadevergoeding, met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/681340 / HA ZA 24-550
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
handelend onder de naam [eiser] MODERNISE,
gevestigd en kantoorhoudend in Rödinghausen (Duitsland),
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat: mr. L.I. Velthuijsen te Amsterdam,
tegen

1.[naam ] BADKAMERS B.V.,

gevestigd in Zoetermeer,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
2.
[naam 1] BEHEER B.V.,
gevestigd in Zoetermeer,
gedaagde in conventie,
3.
[naam 2],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
advocaat: mr. J.H. Hommel te Rotterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagden] . genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk Badkamers, Beheer en [naam 2] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 oktober 2025 (hierna: het tussenvonnis);
- de akte van [gedaagden] . , met producties 18 tot en met 32;
- de akte van [eiser] , met producties 32 tot en met 38;
- de akte van [gedaagden] . , met productie 33.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende.
2.2.
[eiser] vordert van Badkamers betaling van facturen voor een bedrag van in totaal € 214.857,07 voor door hem verrichte werkzaamheden. Van Beheer en [naam 2] vordert [eiser] hetzelfde bedrag bij wijze van schadevergoeding, omdat [eiser] meent dat hun als (indirect) bestuurder van Badkamers een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. Badkamers heeft een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat de vorderingen tegenover Badkamers voor een bedrag van € 191.539,43 toewijsbaar zijn en dat Badkamers bij haar voorwaardelijke tegenvordering geen belang meer heeft.
2.4.
Over de vorderingen van [eiser] op Beheer en [naam 2] heeft de rechtbank geoordeeld dat [naam 2] als bestuurder aansprakelijk is ten aanzien van het onbetaald laten van de facturen 34/2023, 35/2023 en 36/2023, voor een bedrag van in totaal € 26.897,47. Hem treft naar het oordeel van de rechtbank een persoonlijk ernstig verwijt, omdat hij wist of redelijkerwijs moest begrijpen dat Badkamers niet aan haar betalingsverplichtingen ten aanzien van die facturen zou kunnen voldoen. Deze aansprakelijkheid rust op grond van artikel 2:11 BW Pro ook op Beheer.
2.5.
De rechtbank heeft in 5.51 van het tussenvonnis overwogen dat zij wat zij daarvoor heeft overwogen, voorshands voldoende acht als feitelijke grondslag voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid vanwege verhaalsfrustratie. In 5.45 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat zij het met [eiser] eens is dat de feiten in deze zaak de schijn wekken dat sprake was van een vooropgezet plan om de activiteiten van Badkamers te beëindigen ten koste van [eiser] . Omdat de stellingen van [eiser] over een vooropgezet plan voor het eerst ter zitting waren ingenomen, heeft de rechtbank Beheer en [naam 2] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld een akte te nemen om op die stellingen te reageren.
De beoordeling van de aktes
2.6.
[gedaagden] . betwisten dat sprake is van een vooropgezet plan om de activiteiten van Badkamers te beëindigen ten koste van [eiser] . De vof is al vier jaar voordat Badkamers besloot met haar activiteiten te stoppen, opgericht op advies van de boekhouder van [naam 2] . Het staken van ondernemingsactiviteiten was toen nog helemaal niet aan de orde. [eiser] wist in april 2023 al dat Badkamers haar activiteiten zou gaan staken. In april en mei 2023 zijn tussen [eiser] en Badkamers namelijk gesprekken gevoerd waarin is gemeld dat Badkamers haar activiteiten zou beëindigen en is gesproken over de rol van [eiser] in de toekomst. Dat [eiser] voldoende gemotiveerd heeft weersproken dat Badkamers hem heeft geïnformeerd over het beëindigen van haar activiteiten, zoals vermeld in 5.46 van het tussenvonnis is dus onjuist, zo stelt [gedaagden] . .
2.7.
[eiser] voert hiertegen aan dat ook al zou de vof niet zijn opgericht met als doel splitsing van kosten en baten – wat [eiser] betwist – [naam 2] dan wel gebruik heeft gemaakt van de vof om de baten naar de vof te laten vloeien en de kosten bij Badkamers neer te leggen, met [eiser] als benadeelde partij. [eiser] betwist dat zij op de hoogte was van het plan van Badkamers om haar activiteiten te staken. De gesprekken in april en mei 2023 gingen uitsluitend over de mogelijkheid dat [eiser] Badkamers zou kopen. [eiser] heeft dit aanbod in mei afgeslagen en [eiser] is in goed vertrouwen voor Badkamers blijven doorwerken, ook na 1 juli 2023. Hij zou dat nooit hebben gedaan als hij had geweten dat Badkamers haar activiteiten toen al had gestaakt.
2.8.
[gedaagden] . hebben bij hun laatste akte een Whatsapp bericht van 1 juli 2023 van [eiser] aan [naam 2] overgelegd, waaruit zou blijken dat [eiser] ermee bekend was dat Badkamers haar activiteiten per 1 juli 2023 zou staken. [gedaagden] . hebben [eiser] daarbij uitgenodigd hierop te reageren, wat [eiser] niet heeft gedaan.
2.9.
De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagden] . zo dat zij willen dat de rechtbank terugkomt op wat is overwogen in 5.46, waarin staat:
“Badkamers heeft ter zitting aangevoerd dat zij in april 2023 heeft besloten haar activiteiten te beëindigen. Zij heeft toen Mandemakers Groep en anderen hierover geïnformeerd. Volgens Badkamers heeft zij toen ook [eiser] geïnformeerd. Dit heeft [eiser] echter voldoende gemotiveerd weersproken, waarop Badkamers onvoldoende concreet en gemotiveerd heeft gereageerd. Zoals hiervoor overwogen heeft Badkamers [eiser] , met wie
Badkamers een intensieve samenwerking had waarbij veel werd omgezet, laten doorwerken
nadat de activiteiten van Badkamers al waren beëindigd, waarbij [eiser] uren en kosten heeft
gemaakt.”
2.10.
Ook als [eiser] op 1 juli 2023 op de hoogte was van het feit dat Badkamers haar activiteiten per die datum heeft beëindigd, staat daarmee niet vast dat [eiser] al in april 2023 op de hoogte was van de beëindiging van de activiteiten van Badkamers. Ook verandert dat niets aan het feit dat Badkamers [eiser] na 30 juni 2023 heeft laten doorwerken (terwijl [naam 2] toen wist dat Badkamers geen verhaal zou bieden, zoals overwogen in 5.38 van het tussenvonnis). Dit leidt er dan ook niet toe dat de rechtbank terugkomt op wat zij heeft overwogen in 5.46 van het tussenvonnis.
2.11.
Of de wetenschap van [eiser] op 1 juli 2023 over het beëindigen van de activiteiten van Badkamers relevant is voor de beoordeling van de stelling dat sprake is geweest van een vooropgezet plan van [naam 2] , kan in het midden blijven, omdat de rechtbank hierna oordeelt dat [eiser] , gelet op de gemotiveerde betwisting van Beheer en [naam 2] , onvoldoende onderbouwd hebben gesteld dat sprake is van verhaalsfrustratie.
2.12.
[gedaagden] . hebben aangevoerd dat onjuist is dat [eiser] vanaf 2020 factureerde aan de vof, zoals in 3.3 van het tussenvonnis is vermeld. De vof is pas op 1 september 2020 opgericht en [eiser] is al vanaf het voorjaar van 2020 door Badkamers ingeschakeld en factureerde ook altijd aan Badkamers. De slotzin van 5.47 van het tussenvonnis, waarin staat dat de facturen tot en met 4 december 2022 aan de vof zijn gericht en de facturen vanaf 26 maart 2023 aan Badkamers, is dus onjuist volgens [gedaagden] . . In dit verband wijzen [gedaagden] . er op dat in de periode 2020 tot en met 2023 er tussen de vof en [eiser] slechts 19 bij- en afschrijvingen hebben plaatsgevonden en tussen Badkamers en [eiser] in diezelfde periode 155.
2.13.
In 5.47 van het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat [eiser] bij conclusie van antwoord in reconventie onweersproken heeft gesteld dat er vanaf het begin van de samenwerking betalingen van facturen vanuit de vof aan [eiser] zijn voldaan. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] . in hun akte wel voldoende gemotiveerd hebben weersproken dat de facturen van [eiser] vanaf het begin van de samenwerking door de vof werden voldaan. [gedaagden] . hebben overzichten overgelegd, waaruit blijkt dat vanaf het begin van de samenwerking de facturen werden voldaan door Badkamers en ook dat gedurende de samenwerking het grootste deel van de facturen is voldaan door Badkamers. [eiser] heeft deze stukken onweersproken gelaten en heeft ook niet betwist dat Badkamers in totaal 155 betalingen aan [eiser] heeft verricht en de vof slechts 19 gedurende de samenwerking. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd gesteld dat vanaf het begin van de samenwerking betalingen van facturen vanuit de vof aan [eiser] zijn voldaan.
2.14.
[eiser] stelt ook dat hij de facturen altijd naar de vof heeft gezonden en dat hij vanaf het moment dat Badkamers verzocht de facturen voortaan naar Badkamers te sturen, de facturen aan Badkamers heeft gezonden. [gedaagden] . betwisten dat [eiser] de facturen voor het Whatsapp bericht altijd aan de vof heeft gezonden. Volgens hen waren de facturen van [eiser] altijd al gezonden aan Badkamers en was het Whatsapp bericht in die zin meer bedoeld voor de andere opdrachtgevers aan wie het Whatsapp bericht (ook) was gezonden.
2.15.
Of de facturen tot en met 4 december 2022 aan de vof werden gericht en vanaf 26 maart 2023 aan Badkamers, blijkt niet doorslaggevend te zijn, nu [gedaagden] . hebben aangetoond dat bijna alle facturen van [eiser] werden voldaan door Badkamers en niet door de vof. Of in 3.3 en 3.6 van het tussenvonnis de feiten hieromtrent juist zijn vastgesteld kan dan ook in het midden blijven. Tussen partijen is niet in geschil dat in het kader van de samenwerking [eiser] diensten uitvoerde in opdracht van Badkamers. Dat de vof ook een enkele betaling heeft gedaan, maakt niet dat [eiser] aanspraak kon maken op betaling van zijn facturen door de vof. De rechtbank acht doorslaggevend door wie de facturen normaal gesproken werden betaald en dat was Badkamers. De rechtbank gaat er van uit dat [eiser] wist dat Badkamers de facturen betaalde door het kennisnemen van de eigen bankafschriften en in lijn daarmee het uitblijven van een reactie op de door [gedaagden] . overgelegde bankafschriften.
2.16.
Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [naam 2] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat Badkamers haar betalingsverplichting tegenover [eiser] niet nakomt. Uit het voorgaande blijkt dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van een vooropgezet plan van [naam 2] om de activiteiten van Badkamers te beëindigen ten koste van [eiser] . Voor zover een verschuiving van facturering heeft plaatsgevonden, heeft dit immers geen financiële gevolgen gehad voor [eiser] , omdat zijn facturen, op een aantal uitzonderingen na, door Badkamers werden voldaan, Badkamers zijn opdrachtgever was en [eiser] dus in zoverre geen aanspraak kon maken op betaling door de vof.
Conclusie ten aanzien van Beheer en [naam 2]
2.17.
De conclusie is dat Beheer en [naam 2] (uitsluitend) hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 26.897,47, zoals vermeld in 5.41 van het tussenvonnis. Voor toewijzing van de gevorderde wettelijke handelsrente over dit bedrag als bedoeld in artikel 6:119a BW is hier geen plaats, omdat dit artikel niet van toepassing is op een vordering tot schadevergoeding. Ten aanzien van Beheer en [naam 2] wordt daarom de (gewone) wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toegewezen, vanaf de vervaldata van de facturen 34/2023, 35/2023 en 36/2023 tot de dag van volledige betaling.
Conclusie ten aanzien van Badkamers
2.18.
Zoals in 5.30 van het tussenvonnis is geoordeeld, wordt Badkamers veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 191.539,43. Een gedeelte van € 26.897,47 hiervan betreft een hoofdelijke veroordeling, nu ook Beheer en [naam 2] worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag en [eiser] uiteraard slechts één keer recht heeft op betaling daarvan. Het gedeelte waartoe Badkamers niet hoofdelijk wordt veroordeeld, is dus € 164.641,96.
2.19.
De gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt toegewezen, bij de uitvoering van dit vonnis te berekenen vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag van volledige betaling, met inachtneming van de deelbetalingen van € 16.027,94 en € 3.000,00 door verrekening op 7 augustus 2024 (zie 5.54 en 5.12 van het tussenvonnis) en met inachtneming van het afgewezen gedeelte van in totaal € 4.289,70 (zie 5.18 van het tussenvonnis voor de bedragen per factuur).
Buitengerechtelijke kosten
2.20.
[eiser] vordert primair [gedaagden] . hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 2.923,57 conform het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Ten aanzien van Badkamers geldt dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die vergoeding door Badkamers rechtvaardigen. Niet in geschil is dat Badkamers door [eiser] is aangeschreven bij brieven van 6 oktober 2023 en 13 december 2023. De inhoud en omvang van deze correspondentie rechtvaardigt in beginsel de toewijzing van de vordering op dit punt. De vordering tegen Badkamers is, op grond van het Besluit, dan ook toewijsbaar voor een bedrag van € 2.690,39, uitgaande van het toewijsbare bedrag van € 191.539,43.
2.21.
De vordering jegens Beheer en [naam 2] heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten door hen verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal. De rechtbank stelt vast dat [eiser] niet heeft gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt ten aanzien van Beheer en [naam 2] . De vordering tegen Beheer en [naam 2] wordt dan ook afgewezen.
Beslagkosten
2.22.
[eiser] vordert [gedaagden] . te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro (enkel) jegens Badkamers toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 860,70 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 2.051,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 2.051,00), totaal € 3.599,70.
2.23.
De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
2.24.
Badkamers is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,29
- griffierecht € 1.938,00
- salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal: € 6.373,29
2.25.
Beheer en [naam 2] zijn gedeeltelijk in het ongelijk gesteld en moeten daarom ook proceskosten betalen. Zij zijn echter voor een gedeelte van € 26.897,47 veroordeeld en niet voor het volledige toewijsbare bedrag van € 191.539,43, waartoe Badkamers is veroordeeld. Beheer en [naam 2] worden daarom naar rato veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 892,00. Daarnaast worden Beheer en [naam 2] veroordeeld tot het salaris advocaat van € 1.025,50 (0,5 punten × € 2.051,00) voor de akte van [eiser] . In totaal dus € 1.917,50, waarvan € 892,00 een hoofdelijke proceskostenveroordeling van Badkamers, Beheer en [naam 2] betreft.
2.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt Badkamers om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 164.641,96, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, op de wijze als omschreven in overweging 2.19,
3.2.
veroordeelt daarnaast [gedaagden] . hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 26.897,47,
3.3.
ten aanzien van Badkamers het in 3.2 vermelde bedrag te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als hiervoor in 3.1. aangegeven,
3.4.
ten aanzien van Beheer en [naam 2] het in 3.2 vermelde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vervaldata van de in 2.17 genoemde facturen, tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt Badkamers tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke kosten van € 2.690,39,
3.6.
veroordeelt Badkamers tot betaling aan [eiser] van de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 3.599,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
3.7.
veroordeelt Badkamers in de proceskosten van € 6.373,29, waarvan € 892,00 hoofdelijk met Beheer en [naam 2] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Badkamers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, een en ander met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro bij niet tijdige betaling,
3.8.
veroordeelt Beheer en [naam 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.917,50, waarvan € 892,00 hoofdelijk met Badkamers, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Beheer en [naam 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, een en ander met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro bij niet tijdige betaling,
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
3242/1694