Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5080

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
12126482 VV EXPL 26-129
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 237 RvArt. 233 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens ernstige overlast en bedreigingen door huurder

De zaak betreft een huurgeschil tussen Stichting Waterweg Wonen en twee huurders die sinds 2017 een woning huren. Sinds 2024 zijn er steeds meer klachten over geluidsoverlast, intimiderend gedrag en bedreigingen door een van de huurders. Politierapportages en meldingen bevestigen de ernst van de situatie, waaronder een incident met een mes en meerdere politie-interventies.

Waterweg Wonen heeft meerdere pogingen gedaan om de overlast te stoppen, waaronder een laatste kansovereenkomst en waarschuwingen. Ondanks deze maatregelen bleef de overlast voortduren, met dreigmails aan medewerkers en een onveilige situatie voor omwonenden en medewerkers. Een medewerker is uitgevallen door psychische druk en een andere medewerker moest verhuizen uit veiligheidsoverwegingen.

De kantonrechter oordeelt dat Waterweg Wonen een spoedeisend belang heeft bij ontruiming. De huurovereenkomst zal naar verwachting in een bodemprocedure worden ontbonden wegens ernstige tekortkomingen. De ontruiming wordt binnen veertien dagen bevolen, met een redelijke termijn voor vervangende huisvesting en voortzetting van hulpverlening. De proceskosten worden aan de huurders opgelegd.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt de huurders tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen wegens ernstige overlast en bedreigingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12126482 VV EXPL 26-129
datum uitspraak: 13 april 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Waterweg Wonen,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: mr. S.A. den Engelsen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
gemachtigde: mr. J. Pearson.
Eiseres wordt ‘Waterweg Wonen’ genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd. Gezamenlijk worden zij ‘ [gedaagden] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 17 maart 2026, met bijlagen 1 tot en met 26;
  • de e-mail van [gedaagden] van 27 maart 2026, met 2 bijlagen;
  • de e-mail van Waterweg Wonen van 27 maart 2026, met bijlagen 27 en 28;
  • de e-mail van [gedaagden] van 30 maart 2026, met 3 bijlagen;
  • de pleitnota van Waterweg Wonen;
  • de pleitnotities van [gedaagden]
1.2.
Op 30 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Namens Waterweg Wonen waren daarbij aanwezig de heer [naam 1] , wijkconsulent, en mevrouw [naam 2] , directeur [afdeling] , bijgestaan door de gemachtigde. [gedaagde 2] is ook verschenen, vergezeld door de vader van [gedaagde 1] , bijgestaan door de gemachtigde en de heer [naam 3] van ThisisCare ambulante begeleiding.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagden] huren met ingang van 24 juli 2017 van Waterweg Wonen de woning aan de [adres] in [woonplaats] . Het betreft een hoekwoning op de bovenste (vierde) verdieping. [gedaagden] wonen samen met hun twee minderjarige kinderen in de woning. Waterweg Wonen heeft deze woning aangeboden onder aanvullende voorwaarden, omdat [gedaagde 1] overlast veroorzaakte in een vorige huurwoning die [gedaagden] van Waterweg Wonen huurden.
2.2.
Sinds 2024 ontvangt Waterweg Wonen steeds meer klachten van meerdere omwonenden over [gedaagde 1] . Het gaat om geluidsoverlast door bonken, hakken, breken, harde muziek, het hard dichtslaan van deuren en het vertonen van intimiderend en manipulatief gedrag. Uit een politierapportage van 4 juli 2025 blijkt dat de politie in de periode van 20 juli 2024 tot en met 29 mei 2025 acht keer ter plaatse is geweest na meldingen over [gedaagde 1] . Op 20 juli 2024 heeft [gedaagde 1] bij een burenruzie een mes gebruikt, waarna hij door de politie is aangehouden.
2.3.
Op 17 juli 2025 heeft Waterweg Wonen een laatste kansovereenkomst/gedrags-aanwijzing met [gedaagden] gesloten. Omdat de overlast ook hierna blijft voortduren, zijn [gedaagden] bij brief van 23 september 2025 voor de laatste keer gewaarschuwd door Waterweg Wonen. Vervolgens heeft [gedaagde 1] vanaf 30 september 2025 meerdere dreigmails naar een medewerkster van Waterweg Wonen gestuurd. Een andere medewerker, die in hetzelfde complex als [gedaagden] woonde, is in januari 2026 uit veiligheidsoverwegingen verhuisd. Bij brief van 13 februari 2026 heeft Waterweg Wonen nogmaals een waarschuwingsbrief aan [gedaagden] gestuurd. Ook heeft er op 2 maart 2026 een gesprek plaatsgevonden tussen [gedaagde 2] , Waterweg Wonen en een ervaringsdeskundige van de gemeente Vlaardingen. De bedreigingen door [gedaagde 1] zijn ook hierna doorgegaan.
2.4.
Waterweg Wonen stelt dat [gedaagden] tekort zijn geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, de (aanvullende) huurvoorwaarden, de laatste kansovereenkomst/
gedragsaanwijzing en de wet, omdat [gedaagde 1] al lange tijd ernstige overlast veroorzaakt aan omwonenden en medewerkers van Waterweg Wonen heeft bedreigd. Waterweg Wonen eist in deze procedure dat [gedaagden] worden veroordeeld tot ontruiming van de woning.
2.5.
[gedaagden] zijn het niet eens met de eis. [gedaagden] erkennen dat hoe zij hebben gehandeld niet altijd juist is geweest. Zij krijgen inmiddels hulp en willen de problemen oplossen. Zij voeren aan dat Waterweg Wonen geen spoedeisend belang heeft bij haar eis en dat een ontruiming grote gevolgen heeft voor (met name) hun twee minderjarige kinderen. [gedaagden] vragen de kantonrechter om een allerlaatste kans om de woning te behouden.
2.6.
De kantonrechter wijst de eis van Waterweg Wonen toe. Hierna wordt uitgelegd waarom dit de uitkomst is.
Toetsingskader
2.7.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Waterweg Wonen heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagden] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Waterweg Wonen heeft een spoedeisend belang
2.8.
Waterweg Wonen heeft voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar eis. Waterweg Wonen wil dat de overlast aan omwonenden en de bedreigingen jegens haar medewerkers nu echt stopt. Waterweg Wonen heeft ook toegelicht waarom zij enige tijd heeft gewacht met het starten van deze procedure. [gedaagden] is een kwetsbaar gezin en Waterweg Wonen wilde eerst alles proberen om een ontruiming te voorkomen. Ook wilde Waterweg Wonen eerst de toezegging van de gemeente Vlaardingen dat [gedaagden] na een ontruiming vervangende huisvesting krijgen.
[gedaagde 1] veroorzaakt ernstige overlast en bedreigt medewerkers van Waterweg Wonen
2.9.
Waterweg Wonen heeft haar stelling dat [gedaagde 1] ernstige en langdurige overlast aan omwonenden veroorzaakt en een medewerkster van Waterweg Wonen meerdere keren heeft bedreigd voldoende aannemelijk gemaakt. Waterweg Wonen heeft de overlastklachten en bedreigingen uitvoerig onderbouwd, zowel door de politierapportage van 4 juli 2025 als de door omwonenden ingediende overlastmeldingen en de dreigmails richting de betreffende medewerkster van Waterweg Wonen. Als gevolg van deze bedreigingen draagt deze medewerkster een noodknop met directe verbinding naar de meldkamer van de politie en heeft zij psychologische begeleiding. Desondanks is zij nu helemaal uitgevallen en niet meer in staat om haar werk te verrichten. Een andere medewerker die in hetzelfde complex woonde als [gedaagden] moest uit veiligheidsoverwegingen in januari 2026 noodgedwongen verhuizen. Er hebben zich diverse incidenten voorgedaan waar [gedaagde 1] bij betrokken was en waarbij de politie moest ingrijpen, waaronder zelfs een incident met een mes op 20 juli 2024. [gedaagde 1] is toen door de politie aangehouden. Omwonenden zijn al jarenlang bang voor [gedaagde 1] en moeten permanent leven met (geluids)overlast. Eén van de omwonenden heeft op 12 maart 2026 tegenover een onderzoeker van CED Forensic verklaard dat haar kinderen niet meer bij haar willen wonen uit angst voor [gedaagde 1] en omdat zij wakker worden van de geluidsoverlast die [gedaagde 1] veroorzaakt. Daarom slapen zij nu in een andere woning bij hun vader. De onderzoeker heeft op 12 maart 2026 zelf vastgesteld dat tijdens het 1,5 uur durende gesprek de uit de woning van [gedaagden] afkomstige muziek duidelijk hoorbaar was bij de buren.
2.10.
[gedaagde 1] heeft het veel te bont gemaakt. Het is begrijpelijk dat de maat nu vol is voor Waterweg Wonen. Van Waterweg Wonen kan niet verlangd worden dat zij [gedaagden] nog een keer een laatste kans biedt. Waterweg Wonen heeft al een andere huurwoning aangeboden aan [gedaagden] na de eerdere overlast die [gedaagde 1] veroorzaakte en ook al een laatste kansovereenkomst/gedragsaanwijzing met [gedaagden] gesloten. Ondanks alle pogingen die Waterweg Wonen heeft gedaan om de overlast te doen stoppen, de vele waarschuwingen en de kansen die zij [gedaagden] heeft geboden om de woning te behouden, blijkt keer op keer dat [gedaagde 1] zijn gedrag niet onder controle heeft. Ook voor de kinderen van [gedaagden] is de huidige situatie niet wenselijk. De politie heeft op 29 mei 2025 geconstateerd dat de woning ernstig is vervuild en slecht is onderhouden. Uit een inspectie op 31 december 2025 is gebleken dat de keuken in de woning onherstelbaar is beschadigd. Daarnaast hebben de kinderen last van het gedrag van hun vader. Deze onveilige thuissituatie kan zo niet voortduren. Het is verstandig en noodzakelijk dat [gedaagden] sinds kort professionele hulp hebben geaccepteerd en dat zij nu worden begeleid. Dit betekent echter niet dat ervan uitgegaan kan worden dat [gedaagde 1] zijn gedrag direct verandert en dat hij nooit meer overlast veroorzaakt en bedreigingen uit. Zoals gezegd lijkt [gedaagde 1] zijn gedrag niet onder controle te hebben. Het is daarom de verwachting dat een intensief behandelingstraject nodig is om tot een gedragsverandering te komen.
[gedaagden] moeten de woning ontruimen
2.11.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst zal worden ontbonden, omdat de tekortkoming van [gedaagden] ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen (artikel 6:265 BW Pro). Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op de ontbinding en [gedaagden] te veroordelen de woning te ontruimen. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend. De door Waterweg Wonen gevorderde ontruimingstermijn van drie dagen vindt de kantonrechter te kort, omdat de gemeente Vlaardingen, die heeft toegezegd dat zij zorgdraagt voor de opvang van het gezin, wel voldoende tijd moet hebben om vervangende huisvesting te regelen. Ook moet de huidige hulpverlening direct vanuit die nieuwe woonlocatie kunnen worden voortgezet. Een langere termijn van drie maanden, zoals [gedaagden] hebben gevraagd, vindt de kantonrechter niet nodig. Gelet op de toezegging van de gemeente komen de minderjarigen niet op straat te staan.
[gedaagden] moeten de proceskosten betalen
2.12.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagden] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan Waterweg Wonen moeten betalen op € 154,10 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.302,10. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing is vermeld.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.13.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Waterweg Wonen dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagden] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] in [woonplaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagden] bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Waterweg Wonen te stellen;
3.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, die aan de kant van Waterweg Wonen worden begroot op € 1.302,10, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
764