Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5019

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2921
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking voorlopige voorziening gehandicaptenparkeerplaats

Verzoekster diende een aanvraag in voor een gehandicaptenparkeerplaats, welke door het college werd afgewezen vanwege de beperkte geldigheidsduur van haar gehandicaptenparkeerkaart. Na bezwaar vroeg zij een voorlopige voorziening, maar trok dit verzoek in nadat zij een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart ontving en het college haar nieuwe aanvraag in behandeling nam.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het college niet aan het verzoek om voorlopige voorziening was tegemoetgekomen, omdat er nog geen gehandicaptenparkeerplaats was toegekend, slechts een aanvraag in behandeling was genomen. Hierdoor kon het verzoek om proceskostenveroordeling niet worden toegewezen.

Daarnaast stelde de voorzieningenrechter vast dat verzoekster onvoldoende had onderbouwd dat zij haar gehandicaptenparkeerkaart niet eerder kon verlengen, terwijl het college aannemelijk maakte dat een herinnering vier maanden voor afloop wordt verstuurd. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenveroordeling daarom af.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het college niet is tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2921

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een gehandicaptenparkeerplaats. Met het besluit van 4 april 2026 heeft het college deze aanvraag afgewezen, omdat verzoeksters gehandicaptenparkeerkaart binnen een half jaar niet meer geldig is. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft verzoekster op 10 april 2026 een brief gestuurd, waarin staat dat haar gehandicaptenparkeerkaart verloopt op 8 augustus 2026 en dat zij haar kaart online kan verlengen. Verzoekster heeft gevraagd om verlenging van haar kaart.
3. Verzoekster heeft op 23 april 2026 bericht dat zij een nieuwe gehandicaptenparkeerkaart heeft ontvangen en zij een aanvraag heeft ingediend voor een gehandicaptenparkeerplaats. Het college heeft deze aanvraag in behandeling genomen. Verzoekster heeft vervolgens het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, met daarbij het verzoek om het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
4. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat er geen sprake is van tegemoetkomen door het college.
5. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
7. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2] Van tegemoetkomen is – kort gezegd - sprake als het bestuursorgaan het gewenste besluit alsnog neemt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
8. Verzoekster voert aan dat haar aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats is afgewezen omdat haar gehandicaptenparkeerkaart niet lang genoeg geldig was. Volgens verzoekster kon zij haar kaart echter niet eerder verlengen. Verzoekster stelt dat dit volgens het college pas kon een maand voor het verlopen van de geldigheid van de kaart en bij inloggen in ‘mijn loket’ van de gemeente Rotterdam stond de mogelijkheid om de kaart te verlengen niet open. Met de brief van 10 april 2026 heeft het college verzoekster in de gelegenheid gesteld om een verlengingsaanvraag in te dienen en inmiddels heeft verzoekster ook een nieuwe kaart ontvangen. Volgens verzoekster komt het college hiermee tegemoet aan de kern van het door haar gestelde spoedeisend belang.
9. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Verzoekster wilde met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er voorlopig een gehandicaptenparkeerplaats werd toegekend en geplaatst voor haar woning. Het college heeft verzoekster (nog) geen gehandicaptenparkeerplaats toegekend. Het college heeft verzoeksters aanvraag alleen in behandeling genomen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college niet aan het verzoek om een voorlopige voorziening is tegemoetgekomen. Dit is reden om het het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Geheel ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat verzoekster haar stellingen ten aanzien van het verlengen van haar gehandicaptenparkeerkaart niet heeft onderbouwd. Volgens het college wordt vier maanden voor het verlopen van een gehandicaptenparkeerkaart door het geautomatiseerde systeem Parksaver voor het eerst een herinnering aan de houder gestuurd dat de kaart zal verlopen. In dit geval is dat gebeurd bij brief van 10 april 2026. Verzoekster heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij haar gehandicaptenparkeerkaart niet eerder kon verlengen.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.