Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4962

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/10/712349 / JE RK 25-2679
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ontbreken bedreiging ontwikkeling

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige voor een periode van drie maanden, met als doel het monitoren van de thuissituatie na het stoppen van het vier-ogen beleid. De ouders van de minderjarige verzetten zich tegen deze verlenging en stelden dat niet langer aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan, mede omdat het kind zich goed ontwikkelt en er geen ernstige bedreiging is.

Tijdens de zitting werd duidelijk dat het letsel dat aanleiding gaf tot de ondertoezichtstelling niet medisch verklaard kan worden en dat het kind sinds de uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin goed is opgevangen. De ouders hebben intensief samengewerkt met de GI en het netwerk is betrouwbaar en betrokken gebleven. Het vier-ogen beleid werd door de GI als niet langer noodzakelijk beschouwd.

De Raad voor de Kinderbescherming gaf aan dat een korte verlenging mogelijk was om zorgvuldig af te bouwen, maar twijfelde aan de noodzaak van voortzetting van de ondertoezichtstelling. De rechtbank concludeerde dat het belang van het kind en de veiligheid in de thuissituatie voldoende gewaarborgd zijn, dat het kind zich goed ontwikkelt en dat de ouders bereid en in staat zijn om de hulpverlening voort te zetten.

Daarom werd het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling afgewezen. De rechtbank benadrukte het belang van blijvende aandacht voor het preverbaal trauma van het kind en de verantwoordelijkheid van de ouders om alert te blijven op de behoeften van hun kind.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt afgewezen omdat niet langer aan de vereisten wordt voldaan en het kind zich goed ontwikkelt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/712349 / JE RK 25-2679
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] en [naam vader],
hierna te noemen: de ouders, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. Krol uit Rotterdam.
Op grond van het bepaalde in artikel 810, eerste lid, Rv is ter advisering in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 14 januari 2026;
  • de briefrapportage van de GI, ontvangen op 14 april 2026;
  • de aanvullende stukken ingediend namens de ouders, ontvangen op 20 april 2026;
  • de aanvullende stukken van de GI, ontvangen op 21 april 2026.
1.2.
Op 21 april 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
  • twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] ;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon C] .
1.3.
De rechtbank heeft bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling verleend aan [persoon D] en [persoon E] , de grootouders moederszijde (mz).

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 22 april 2026.

3.Het aangehouden verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Op een gedeelte van het verzoek is reeds een beslissing genomen. Er moet nog een beslissing worden genomen op het restant van het verzoek, te weten de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de periode van 22 april 2026 tot 22 januari 2027.
3.3.
De GI wijzigt het verzoek ter zitting, in die zin dat nu wordt verzocht om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de periode van 22 april 2026 tot 22 juli 2026.

4.De standpunten

4.1.
De GI licht de wijziging van het verzoek nader toe. Het vier-ogen beleid kan volgens de GI worden losgelaten. De vraag is of er nog een ondertoezichtstelling nodig is om die stap te monitoren. De enige omstandigheid die de ondertoezichtstelling nu overeind houdt, is de reden waarvoor die ooit is gestart: er is geen medische verklaring voor het letsel dat eerder bij [voornaam minderjarige] is geconstateerd. Die verklaring is er nog altijd niet. Waarschijnlijk wordt nooit duidelijk wat de oorzaak van dit letsel is geweest en hoe het is ontstaan. Er is sprake van een atypische letselzaak, omdat de ouders vanaf het eerste moment in alle openheid goed meewerken. De ouders zijn consequent naar de omgangsmomenten gegaan waardoor er een hechtingsrelatie met [voornaam minderjarige] is ontstaan. De GI is blij dat dit ook is terug te lezen in het KSCD-rapport. In het KSCD-rapport staat ook dat de ouders lijdensdruk ervaren door de huidige situatie. De GI kan dit goed begrijpen. De GI heeft tot de dag voor de zitting afwegingen gemaakt omtrent de vraag of een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De jurist en de gedragswetenschapper zijn er uiteindelijk op uitgekomen dat een verlenging voor de duur van drie maanden passend zou kunnen zijn om te monitoren hoe het gaat in de thuissituatie zonder het vier-ogen beleid. De vaste jeugdbeschermer vindt een verlenging echter niet nodig. Alle doelen zijn behaald en er is niets om de komende periode mee aan de slag te gaan. Daarnaast betekent een verlenging van de ondertoezichtstelling ook dat de Raad moet gaan toetsen of de ondertoezichtstelling afgesloten kan worden. Dit zou opnieuw spanning opleveren voor de ouders en daarmee voor [voornaam minderjarige] . De vraag is ook hoe zinvol dit is. De ouders hebben zich de afgelopen periode voortdurend tot het uiterste ingespannen en onder moeilijke omstandigheden overal aan meegewerkt. Daarnaast blijft ook zonder het vier-ogen beleid het netwerk betrokken. Dat netwerk is enorm en bovendien betrouwbaar gebleken. Alle betrokken partijen spreken hun vertrouwen uit in dit gezinssysteem. De GI heeft er alle vertrouwen in dat het ook zonder het vier-ogen beleid goed zal gaan met [voornaam minderjarige] .
4.2.
Namens en door de ouders wordt primair verzocht om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de ondertoezichtstelling te verlengen voor een kortere periode, te weten voor één maand. Er wordt niet (langer) voldaan aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] . Hij is begonnen met lopen, hij eet goed en hij slaapt goed. [voornaam minderjarige] wordt niet ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Daarnaast wordt ook niet aan de tweede grond voor een ondertoezichtstelling voldaan, want de ouders accepteren alle hulpverlening. De ouders willen onderzoeken of het preverbaal trauma van [voornaam minderjarige] preventief te behandelen is. Daarnaast hebben de ouders een betrokken netwerk en zeggen alle professionals dat de ouders de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige] zelfstandig kunnen oppakken. Verlenging van de ondertoezichtstelling maakt een ernstige inbreuk op het recht op privé- en gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Die inbreuk moet gerechtvaardigd zijn en dat is die niet meer, want er wordt niet aan de vereisten voldaan die de wet stelt voor de inzet van een ondertoezichtstelling. Wanneer er echter toch wel besloten zou worden tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan met de periode van een maand de toetsing door de Raad voorkomen worden. Ook dat zou op zichzelf weer een belasting zijn voor de ouders. Verder lijkt het opsporingsonderzoek dat zich richt op de oorzaak van het letsel van [voornaam minderjarige] en waarbij ouders als verdachten zijn aangemerkt, stil te liggen. Er is nog steeds geen vervolgingsbeslissing genomen.

5.De informatie

De Raad vindt het lastig om een concreet advies te geven. Enerzijds is de contra-indicatie (voor beëindiging van het vier-ogenbeleid) uit het KSCD-rapport te begrijpen en kan de Raad zich vinden in een korte verlenging om zorgvuldig af te bouwen. Anderzijds betekent een korte verlenging ook dat de Raad opnieuw moet toetsen. De Raad kan zich voorstellen dat dit spanning oplevert. Alles bij elkaar genomen heeft de Raad er voldoende vertrouwen in dat het goed gaat en dat het gezin verder kan zonder ondertoezichtstelling. De Raad betwijfelt daarnaast of er gronden zijn voor een ondertoezichtstelling, aangezien de ouders in staat en bereid zijn om de nodige hulpverlening te accepteren. Het is belangrijk dat het preverbaal trauma van [voornaam minderjarige] geen taboeonderwerp wordt en dat de ouders hier op termijn met [voornaam minderjarige] over praten op een manier die dan past bij zijn leeftijd en ontwikkeling.

6.De beoordeling

6.1.
Zoals beschreven in de beschikking van 14 januari 2026 is er het afgelopen jaar veel gebeurd. [voornaam minderjarige] is op 29 april 2025 uit huis geplaatst nadat er meer dan twintig botbreuken bij hem zijn geconstateerd. Inmiddels is uit nader onderzoek gebleken dat het letsel van [voornaam minderjarige] niet het gevolg is van een onderliggende medische aandoening. De ouders van [voornaam minderjarige] kunnen het letsel ook niet verklaren. Sinds de uithuisplaatsing verbleef [voornaam minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de oom en tante mz. Hier ging het goed met [voornaam minderjarige] en heeft hij geen nieuw letsel opgelopen. In de periode die volgde zijn de ouders de samenwerking met de GI aangegaan en is hun netwerk betrokken om alles rondom (de zorg voor en veiligheid van) [voornaam minderjarige] zo goed mogelijk te kunnen regelen. Het is hierdoor gelukt om een vier-ogen beleid te realiseren waarmee [voornaam minderjarige] twee dagen/nachten per week thuis kon verblijven.
6.2.
Tijdens de zitting van 14 januari is de machtiging om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen bij de oom en tante mz niet verlengd, en heeft de kinderrechter besloten dat [voornaam minderjarige] met toepassing van het vier-ogen beleid volledig thuis mag verblijven. De afgelopen periode hebben de ouders laten zien dat zij deze verantwoordelijkheid aankunnen en zijn er geen nieuwe zorgen over [voornaam minderjarige] , dan wel de opvoedvaardigheden van de ouders, ontstaan. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich goed en er is een gezonde gehechtheid tot stand gekomen tussen hem en de ouders. Het KSCD heeft onderzoek gedaan en geconstateerd dat er – op de onduidelijkheid over het ontstaan van de botbreuken na – geen contra-indicaties zijn om te stoppen met het vier-ogen beleid. De GI deelt deze visie en is voornemens om het vier-ogen beleid te stoppen. Een verlenging van de ondertoezichtstelling zou slechts dienen voor het monitoren van de thuissituatie na het stoppen van het vier-ogen beleid.
6.3.
De rechtbank constateert dat [voornaam minderjarige] niet meer ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] ontwikkelt zich goed en er zijn, aldus melden alle betrokkenen rondom [voornaam minderjarige] , geen zorgen over zijn veiligheid in de thuissituatie bij de ouders. Alle betrokken partijen zijn positief en vertrouwen erop dat de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de ouders, ook zonder toepassing van het vier-ogen beleid, wordt gewaarborgd. Daarnaast hebben de ouders het afgelopen jaar laten zien dat zij bereid en in staat zijn om de samenwerking met de GI aan te gaan. Zij hebben alle benodigde hulpverlening geaccepteerd en geven aan zich te realiseren dat het belang van [voornaam minderjarige] van hen vraagt om hiermee door te gaan, bijvoorbeeld binnen het kader van het preverbale trauma. Hier zullen de ouders de aandacht voor moeten (blijven) houden.
6.4.
Het bovenstaande maakt dat niet langer aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling wordt voldaan. De rechtbank zal het verzoek van de GI afwijzen.
6.5.
De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders ook in de toekomst de weg weten te vinden naar de hulpverlening en het belang van [voornaam minderjarige] op één blijven zetten. Preverbaal trauma kan veel effect hebben op een kind en de levensloop, soms ongemerkt, bepalen. Het is de verantwoordelijkheid van de ouders om hier alert op te zijn en [voornaam minderjarige] hierin voldoende te ondersteunen. Dat verdient [voornaam minderjarige] .
6.6.
Bovenstaande betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, mr. S. Riege en mr. S.J. Huizenga, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. A.L. Bottse als griffier, en op schrift gesteld op 29 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.