Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4865

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2850
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening rolstoellift en Connect Carrier

Verzoekster, grotendeels rolstoelgebonden en zwanger ten tijde van de aanvraag, vroeg om een Connect Carrier en een rolstoellift in de auto. Het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard wees deze aanvraag in februari 2026 af omdat er toen geen beperkingen waren die ondersteuning vereisten en verzoekster anticipeerde op een toekomstige situatie.

Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake is van onverwijlde spoed, mede omdat de beslissing op bezwaar binnen afzienbare tijd wordt verwacht en verzoekster tijdelijk kan terugvallen op hulp van haar partner en deeltaxi-vervoer.

Daarnaast weegt mee dat de gevraagde voorzieningen verstrekkend zijn, gepaard gaan met aanzienlijke kosten en niet gemakkelijk ongedaan gemaakt kunnen worden. Er is geen evident onrechtmatig besluit vastgesteld.

Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2850

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Spijkenisse, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.F.C. Lensen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard

(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een Connect Carrier en een rolstoellift in de auto. [1] Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.
4. Verzoekster is grotendeels rolstoelgebonden. Op het moment van de aanvraag was verzoekster zwanger. Het kindje van haar en haar partner werd begin april 2026 verwacht en zal dus inmiddels geboren zijn. Vooruitlopend op de geboorte van haar kindje heeft verzoekster gevraagd om een Connect Carrier en een rolstoellift in de auto. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat er op dat moment geen beperkingen waren in zelfredzaamheid/participatie waarbij ondersteuning nodig is. Volgens het college anticipeert verzoekster op een toekomstige situatie. Het college heeft overwogen dat verzoekster na de geboorte van het kindje een nieuwe aanvraag kan indienen als dan blijkt dat er feitelijk geen adequate vervoersoplossing bestaat. Op dat moment zal het college beoordelen wat verzoekster fysiek wel en niet kan en welke voorzieningen er nodig zijn.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bestreden besluit dateert van medio februari 2026. Zij verwacht daarom dat het college binnen afzienbare tijd een beslissing op bezwaar zal nemen of inmiddels al heeft genomen. Bovendien staat verzoekster er niet alleen voor. Zij kan bijvoorbeeld tijdelijk de hulp inroepen van haar partner en ze kan gebruik maken van vervoer van deur tot deur op afroep met een deeltaxi (CVV). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter verkeert verzoekster niet in een zodanige acute noodsituatie dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat het verzoek van verzoekster een verstrekkende voorziening betreft. De gevraagde voorzieningen gaan gepaard met aanzienlijke kosten en kunnen niet zo gemakkelijk ongedaan gemaakt worden, mocht de uitkomst van de bodemprocedure daar te zijner tijd aanleiding toe geven. Dit maakt dat de voorzieningenrechter ook niet snel tot toewijzing van de voorziening zal overgaan. Daarbij is van belang dat niet is gebleken van een evident onrechtmatig besluit.

Conclusie en gevolgen

6. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te tekenen
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit zijn maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.