Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4816

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
12024498 CV EXPL 25-27522
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:44 BWArt. 6:119 BWArt. 237 RvArt. 233 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallige zorgpremie en incassokosten door verzekerde

In deze zaak vordert DSW Zorgverzekeraar betaling van een achterstallige premie van €298,- over april en september 2024, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. De verzekerde betwist de vordering en stelt dat hij al ruim €2.000,- aan betalingen heeft gedaan via incassobureau GGN, maar kan dit niet met betalingsbewijzen onderbouwen.

DSW heeft specificaties overgelegd waaruit blijkt dat de betalingen van de verzekerde betrekking hebben op andere dossiers en dat de gevorderde premie nog openstaat. De verzekerde heeft niet gereageerd op deze specificaties, waardoor de kantonrechter ervan uitgaat dat deze juist zijn.

De kantonrechter wijst de vordering toe, inclusief een vermindering van de incassokosten wegens reeds gedane betalingen, en veroordeelt de verzekerde tot betaling van de resterende premie, incassokosten, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige premie, incassokosten, rente en proceskosten aan DSW Zorgverzekeraar.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 12024498 CV EXPL 25-27522
datum uitspraak: 3 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
DSW Zorgverzekeraar U.A.,
vestigingsplaats: Schiedam,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘DSW’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 10 december 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de repliek met een vermindering van de eis, met bijlagen.
1.2.
De kantonrechter heeft [gedaagde] de kans gegeven om te reageren op de repliek, maar dat heeft hij niet gedaan.

2.De beoordeling

Wat is de kern van de zaak?
2.1.
In 2024 had [gedaagde] een zorgverzekering bij DSW, waarvoor hij elke maand premie moest betalen. Volgens DSW heeft [gedaagde] de premie van april en september 2024 van in totaal € 298,- niet betaald. Daarom eist DSW dat [gedaagde] wordt veroordeeld die achterstallige premie, met rente en buitengerechtelijke kosten, aan DSW te betalen.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van DSW en voert aan dat hij al ruim € 2.000,- aan GGN heeft betaald. Volgens [gedaagde] zijn er verschillende dossiers van DSW in behandeling bij GGN en dat maakt het verwarrend voor hem. [gedaagde] vraagt zich daarom af wat er met zijn betaling van € 2.000,- is gedaan en of hij daarmee niet meer heeft betaald dan dat hij aan DSW verschuldigd was. Ook zegt [gedaagde] dat GGN hem zowel via post als via sms en e-mail brieven stuurt en dat daarbij telkens andere bedragen worden genoemd.
2.3.
De kantonrechter wijst de eis van DSW toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet de achterstallige premie aan DSW betalen
2.4.
DSW heeft in haar repliek uitgelegd dat [gedaagde] in het verleden meerdere keren betalingsachterstanden heeft laten ontstaan, waardoor zij al drie keer eerder een vordering op [gedaagde] ter incasso uit handen heeft moeten geven aan GGN. DSW heeft van al die dossiers specificaties overgelegd, waaruit blijkt welke betalingen [gedaagde] heeft gedaan en op welke dossiers die betalingen in mindering zijn gebracht. Het is DSW niet duidelijk welke betalingen [gedaagde] verder nog bedoelt met zijn stelling dat hij ‘ruim € 2.000,-’ heeft betaald.
2.5.
[gedaagde] heeft niet meer op de uitleg van DSW en op de betalingsspecificaties gereageerd. Daarom gaat de kantonrechter er van uit dat die uitleg en de specificaties kloppen. Als [gedaagde] vindt dat hij meer heeft betaald dan DSW heeft gezegd, dan had hij betalingsbewijzen in het geding moeten brengen waaruit dat blijkt. Dat heeft hij niet gedaan. Dat [gedaagde] al ruim € 2.000,- zou hebben betaald, is dan ook niet gebleken. De kantonrechter begrijpt dat het voor [gedaagde] verwarrend kan zijn dat er verschillende dossiers bij GGN in behandeling waren. Dat heeft [gedaagde] echter zelf veroorzaakt door meerdere keren betalingsachterstanden te laten ontstaan. Omdat er meerdere dossiers liepen, is het ook begrijpelijk dat er in de brieven van GGN telkens andere bedragen worden genoemd.
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat DSW met het bovenstaande voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] , ondanks zijn betalingen aan GGN, de premie van april en september 2024 van in totaal € 298,- nog niet heeft betaald. De specificaties laten namelijk zien dat de daarin genoemde betalingen van [gedaagde] allemaal betrekking hebben op andere dossiers. De achterstallige premie, die in deze procedure wordt geëist, moet [gedaagde] dus nog aan DSW betalen.
[gedaagde] moet nog € 22,74 aan incassokosten betalen
2.7.
DSW heeft recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van
€ 48,40. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is namelijk voldaan (artikel 6:96 BW Pro). Uit de dagvaarding blijkt dat [gedaagde] , voorafgaand aan deze procedure, specifiek voor deze vordering slechts € 14,63 heeft betaald. DSW heeft verder bij repliek haar eis nog verminderd met een betaling van € 11,03. In totaal heeft [gedaagde] dus € 25,66 (€ 14,63 + € 11,03) betaald. Als iemand afbetaalt op een schuld dan wordt dit eerst in mindering gebracht op de kosten, vervolgens op de rente en daarna pas op de hoofdsom (artikel 6:44 BW Pro). Met de hiervoor genoemde betalingen heeft [gedaagde] dan ook al een deel van de incassokosten betaald. [gedaagde] moet nog € 22,74 (€ 48,40 -/- € 25,66) aan incassokosten betalen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat DSW genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarbij gaat het tot 10 december 2025 om € 27,75 aan vervallen rente. Daarnaast moet [gedaagde] ook de rente vanaf 10 december 2025 betalen totdat hij de hoofdsom volledig heeft betaald.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv Pro). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan DSW moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 174,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 87,-) en € 43,50 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 502,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.10.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat DSW dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan DSW te betalen € 348,49 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 298,- vanaf 10 december 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van DSW worden begroot op € 502,64;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
44487