Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4811

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
C/10/713700 / HA ZA 26-80
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 lid 1 RvArt. 224 lid 2 RvArt. 224 lid 2 sub d RvArt. 6:51 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot zekerheidstelling voor proceskosten door eiser zonder verblijfplaats in Nederland

In deze civiele procedure vordert gedaagde zekerheidstelling van eiser, die geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, voor de proceskosten die zij mogelijk moet betalen. Eiser voert verweer en stelt dat zij slechts zekerheid hoeft te stellen voor griffierecht, twee proceshandelingen en nakosten, en dat de zekerheid binnen zes weken via storting op de derdenrekening van haar advocaat kan worden gesteld.

De rechtbank oordeelt dat eiser verplicht is zekerheid te stellen voor de proceskosten, ongeacht haar verwachting dat zij in de hoofdzaak zal winnen. Het verweer dat de zekerheidstelling de toegang tot de rechter belemmert, wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank stelt het bedrag van de zekerheid vast op €6.603, bestaande uit griffierecht, advocaatkosten en nakosten.

De wijze van zekerheidstelling staat in principe vrij, maar gezien de bezwaren van eiser wordt een bankgarantie niet verplicht gesteld. Storting op de derdenrekening van de advocaat is toereikend. De termijn voor zekerheidstelling wordt gesteld op zes weken, met de waarschuwing dat niet tijdig stellen leidt tot niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak. De beslissing over proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de hoofdzaak. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot zekerheidstelling van €6.603 binnen zes weken, onder dreiging van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/713700 / HA ZA 26-80
Vonnis in incident van 22 april 2026
in de zaak van
[eiser],
vestigingsplaats: Caïro (Egypte),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
advocaat: mr. T. Spronk,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
advocaat: mr. R.A. Shenouda.
Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 8 januari 2026, met bijlagen 1 tot en met 19;
  • de incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro;
  • de conclusie van antwoord in het incident, met bijlagen 20 en 21.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[gedaagde] vordert om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen – op straffe van niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak – om binnen vier weken na de datum van dit vonnis ten gunste van [gedaagde] zekerheid te stellen voor de proceskosten waartoe [eiser] veroordeeld zou kunnen worden door middel van een onherroepelijke bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden, althans het stellen van afdoende zekerheid op een zodanig door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze dat [gedaagde] haar proceskosten daarop zonder moeite zal kunnen verhalen, met bepaling van het bedrag van die zekerheid op ten minste € 9.175,00 en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van het incident.
2.2.
[eiser] voert verweer tegen de incidentele vordering tot zekerheidstelling. Dat verweer strekt
primairtot afwijzing van de vordering. [eiser] stelt zich
subsidiair– voor het geval dat zij zou worden verplicht zekerheid te stellen – op het standpunt dat zij slechts zekerheid hoeft te stellen voor het griffierecht in de hoofdzaak, twee proceshandelingen in de hoofdzaak en de nakosten, en dat moet worden bepaald dat zij binnen een termijn van zes weken na de datum van dit vonnis zekerheid moet stellen door storting van het bedrag van de zekerheid op de derdenrekening van haar advocaat, althans op een door de rechtbank te bepalen wijze. Dit alles met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten van het incident, althans met compensatie van de proceskosten, althans aanhouding van de beslissing over de proceskosten tot de beslissing in de hoofdzaak.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
Een eisende partij zonder woon- of verblijfplaats in Nederland is op vordering van de wederpartij verplicht om zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden. [1] Op die verplichting bestaat een beperkt aantal uitzonderingen. [2]
3.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] geen woon- of verblijfplaats heeft in Nederland. [eiser] is dus verplicht om zekerheid te stellen voor de door [gedaagde] te maken proceskosten. Daaraan doet, anders dan [eiser] kennelijk meent, niet af dat [eiser] verwacht dat haar (in haar eigen woorden: aanzienlijke) vordering op [gedaagde] in de hoofdzaak wordt toegewezen en dat [gedaagde] in dat geval geen recht heeft op een proceskostenveroordeling. Er kan nu namelijk nog niet vooruit worden gelopen op de mogelijke uitkomst van de hoofdzaak; [eiser] moet zekerheid stellen voor het geval dat zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld om de proceskosten van [gedaagde] te betalen. Verder stelt [eiser] zich weliswaar op het standpunt dat het opleggen van de verplichting om zekerheid te stellen haar effectieve toegang tot de rechter belemmert, [3] maar zij onderbouwt dat standpunt op geen enkele manier. De enkele stelling van [eiser] dat “
thans al haar liquiditeit nodig[heeft]
om de operationele processen te kunnen financieren” is daartoe in ieder geval onvoldoende, mede in het licht van het – zoals hierna zal blijken – in verhouding tot de vordering in de hoofdzaak niet al te hoge bedrag waarvoor [eiser] zekerheid moet stellen. Het verweer van [eiser] wordt dan ook verworpen. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van de andere uitzonderingen op de verplichting om zekerheid te stellen zich in dit geval voordoet.
3.3.
Ten aanzien van het bedrag waarvoor [eiser] zekerheid moet stellen, oordeelt de rechtbank als volgt. [gedaagde] heeft in de hoofdzaak een bedrag van € 3.083,00 aan griffierecht betaald. Voor wat betreft het salaris van haar advocaat kan in dit stadium van de procedure een bedrag van € 3.233,00 als voldoende worden geacht. De rechtbank gaat daarbij uit van één punt tegen tarief II à € 653,00 per punt voor de incidentele conclusie en twee punten tegen tarief IV à € 1.290,00 per punt voor de conclusie van antwoord en de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Voor het vaststellen van een hoger bedrag aan salaris advocaat, zoals [gedaagde] heeft gevorderd, bestaat geen aanleiding. [gedaagde] hoeft in het incident namelijk geen akte te nemen en er wordt ook geen mondelinge behandeling in het incident gehouden. Voor de vergoeding van de nakosten met betekening kent de rechtbank een bedrag van € 287,00 toe. [eiser] moet dan ook voor een bedrag van in totaal € 6.603,00 zekerheid stellen. Voor het geval dat de procedure in de hoofdzaak meer zou gaan omvatten dan waar de rechtbank op dit moment vanuit gaat, staat het [gedaagde] vrij om gedurende de hoofdzaak aanvullende zekerheid te vorderen.
3.4.
Ten aanzien van de wijze waarop zekerheid moet worden gesteld, oordeelt de rechtbank als volgt. Het is gebruikelijk dat de zekerheid wordt gesteld in de vorm van een bankgarantie bij een Nederlandse bank, zoals [gedaagde] ook heeft gevorderd. [eiser] heeft echter gesteld dat het voor haar omslachtig kan worden om een bankgarantie bij een Nederlandse bank te stellen. Gelet daarop en aangezien de vorm van de zekerheid in principe ter vrije keuze staat van degene die is verplicht tot het stellen van zekerheid, [4] zal de rechtbank [eiser] niet veroordelen om zekerheid te stellen door middel van het stellen van een bankgarantie bij een Nederlandse bank. In plaats daarvan wordt [eiser] veroordeeld om zekerheid te stellen op een zodanige wijze dat [gedaagde] daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Daartoe volstaat in ieder geval, zoals [eiser] voorstaat, dat [eiser] zekerheid stelt door middel van storting van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld op de derdengeldenrekening van haar advocaat.
3.5.
De rechtbank ziet aanleiding om, zoals door [eiser] is verzocht, aan de zekerheidstelling een termijn van zes weken na vandaag te verbinden. De rechtbank gaat ervan uit dat het [eiser] lukt om binnen deze termijn de zekerheid te stellen. De rechtbank wijst [eiser] erop dat het niet binnen de termijn stellen van de zekerheid in beginsel leidt tot haar niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak.
3.6.
De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
3.7.
De veroordeling om de zekerheid te stellen wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De rechtbank:
in het incident
4.1.
veroordeelt [eiser] om zekerheid te stellen voor een bedrag van € 6.603,00 voor de proceskosten waarin zij in de zaak (waaronder dit incident) kan worden veroordeeld, op een zodanige wijze dat [gedaagde] daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen;
4.2.
bepaalt dat [eiser] deze zekerheid, op straffe van haar niet-ontvankelijkheid in de hoofdzaak, uiterlijk op
3 juni 2026moet hebben gesteld;
4.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
houdt de beslissing over de proceskosten van het incident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
4.5.
wijst al het andere af;
in de hoofdzaak
4.6.
verwijst de zaak naar de rol van
17 juni 2026voor conclusie van antwoord;
4.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
3349 / 2459

Voetnoten

1.Artikel 224 lid 1 Rv Pro.
2.Artikel 224 lid 2 Rv Pro.
3.Artikel 224 lid 2 sub d Rv Pro.
4.Artikel 6:51 lid 1 BW Pro.