Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 11 december 2024;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ingekomen op 4 februari 2025;
- het bericht van de man van 17 oktober 2025;
- het bericht van de man van 10 december 2025;
- het bericht van de vrouw van 16 december 2025;
- het bericht van de man van 17 december 2025;
- het bericht met bijlagen van de man van 17 december 2025;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 8 januari 2026;
- het bericht met bijlage van de man van 8 januari 2026.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
2.De vaststaande feiten
hierna: [minderjarige] .
Met ingang van 01.09.2023 betaalt vader aan moeder een bedrag in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind ad. 530 euro per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Deze kinderalimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:4024a BW, voor het eerst per 1 januari 2024.”
3.De beoordeling
- te bepalen dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan haar toekomt;
- een door de man te betalen onderhoudsbijdrage van € 562,84 per maand vast te stellen.
Tijdens de mondeling behandeling is het verzoek namens de man zo toegelicht dat, mocht een eventueel uitgevoerd raadsonderzoek daartoe aanleiding geven, de man – aldus voorwaardelijk – om een ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzoekt.
4.De beslissing
- de man aan de vrouw met ingang van 1 december 2025, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 303,- per maand;
- deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2026 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;
- hetgeen de man tot 1 december 2025 diende te betalen ten behoeve van de onderhoudsbijdrage gelijk staat aan hetgeen hij heeft betaald, zodat partijen over deze periode over en weer niets van elkaar te vorderen hebben;