Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4702

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
C/10/716494 / FA RK 26/2104
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortzetting crisismaatregel op grond van Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg

De officier van justitie verzocht op 16 maart 2026 om voortzetting van een op 14 maart 2026 opgelegde crisismaatregel voor betrokkene, die verblijft in een GGZ-instelling. De medische verklaring van een psychiater stelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychotisch toestandsbeeld, met risico op ernstig lichamelijk letsel, psychische schade en maatschappelijke teloorgang.

Tijdens de mondelinge behandeling op 18 maart 2026 verschenen betrokkene met haar advocaat, een arts van de GGZ-instelling en haar ouders. Betrokkene betwistte het psychotisch beeld en gaf aan lichamelijke klachten te hebben door een ongeluk in 2016, maar weigerde medisch onderzoek. De rechtbank achtte de medische verklaring van de onafhankelijke psychiater betrouwbaarder.

De rechtbank oordeelde dat de crisissituatie te ernstig is om de procedure voor een zorgmachtiging af te wachten. Verplichte zorg zoals medicatie, medische controles, bewegingsbeperking, en opname in een accommodatie werden noodzakelijk geacht. Andere gevraagde maatregelen werden afgewezen wegens onvoldoende noodzaak.

De rechtbank had onvoldoende vertrouwen in vrijwilligheid of een minder bezwarend alternatief, mede omdat betrokkene zich afwerend opstelde en het ernstig nadeel ook bij haar ouders plaatsvond. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel werd verleend voor drie weken, tot en met 8 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken wegens ernstig nadeel en onvoldoende vertrouwen in vrijwilligheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/716494 / FA RK 26/2104
Referentienummer: [nummer]
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 18 maart 2026 betreffende een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam,hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1992, [geboorteplaats] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in [naam GGZ-instelling] , [afdeling] te [plaats] ,
advocaat mr. J van Veelen-De Hoop te Rotterdam.

1.Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 16 maart 2026, heeft de officier verzocht om voortzetting van de op 14 maart 2026 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel van 14 maart 2026;
  • de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 14 maart 2026;
  • het historisch overzicht, waarop geen eerder afgegeven machtigingen staan vermeld, anders dan de crisismaatregel;
  • de relevante politiegegevens van betrokkene;
  • het bericht dat er geen relevante strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene zijn.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
  • betrokkene met haar hiervoor genoemde advocaat;
  • [persoon B] , arts, verbonden aan [naam GGZ-instelling] ;
  • de ouders van betrokkene.
1.3.
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

2.Beoordeling

2.1.
Uit de medische verklaring blijkt dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade en maatschappelijke teloorgang. De politie is op 13 maart 2026 door de ouders van betrokkene ingeschakeld, omdat zij zich zorgen maakten over betrokkene en haar die dag niet konden bereiken. De politie is de woning van betrokkene binnengetreden door de deur te forceren, waar betrokkene in een soort trance werd aangetroffen. Haar ouders hebben haar vervolgens meegenomen naar hun huis. Aldaar trad een soortgelijk toestandsbeeld op, waarbij nauwelijks contact te maken was met betrokkene en zij in zichzelf lachte en prevelde. Betrokkene is vervolgens beoordeeld door de crisisdienst. Betrokkene was agressief toen de ambulance kwam om haar naar de instelling te vervoeren. Verder blijkt uit de medische verklaring dat betrokkene sinds enkele maanden ziek is gemeld van werk. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van fors ernstig nadeel: er is blijkbaar met politie een deur ingeramd, terwijl dat normaal gesproken, als er even geen contact met ouders zou zijn, niet gebruikelijk is.
2.2.
Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een psychotisch toestandsbeeld, nog onduidelijk in welk kader. Namens betrokkene wordt afwijzing van het verzoek bepleit. Tijdens de mondelinge behandeling verklaart betrokkene dat zij last heeft van letsel en trauma’s die zij heeft opgelopen bij een ongeluk in 2016 waarbij er een ruit op haar hoofd is gevallen. Betrokkene ervaart hier nog steeds verschillende lichamelijke klachten van, maar benadrukt dat deze puur medisch van aard zijn. Betrokkene wil voor die klachten vanuit de thuissituatie geholpen worden. De arts licht echter toe dat er op de afdeling wel een psychotisch beeld wordt gezien, waarbij betrokkene zich afwerend en boos opstelt. Betrokkene uit daarbij lichamelijke klachten, maar weigert onderzoek. De rechtbank heeft, op basis van de enkele verklaring van betrokkene, onvoldoende reden om aan de juistheid van de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater te twijfelen.
2.3.
De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.4.
Op basis van de medische verklaring en de mondelinge behandeling, acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
  • het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles;
  • het beperken van de bewegingsvrijheid;
  • het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
  • het opnemen in een accommodatie.
2.5.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten het toedienen van vocht en voeding, het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, het insluiten, het uitoefenen van toezicht op betrokkene, het onderzoek aan kleding of lichaam, het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen, het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen en het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek, worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de arts tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
2.6.
Namens betrokkene wordt afwijzing van het verzoek bepleit omdat betrokkene hulp wil maar geen opname. Betrokkene vertrouwt op haar ouders, zij kan daar verblijven. De rechtbank heeft onvoldoende vertrouwen in de vrijwilligheid dan wel een minder bezwarend alternatief. Betrokkene is tijdens de opname boos en afwerend, zij staat geen lichamelijk onderzoek toe terwijl zij aangeeft last te hebben van klachten en het ernstig nadeel heeft ook bij de ouders van betrokkene plaatsgevonden.
2.7.
De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
2.8.
Gelet op het voorgaande zal een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel worden verleend, welke machtiging een geldigheidsduur heeft van drie weken na vandaag.

3.Beslissing

De rechtbank:
3.1.
verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
3.2.
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.4. kunnen worden getroffen;
3.3.
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 8 april 2026;
3.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 18 maart 2026 mondeling gegeven door mr. S.L. Raphael, rechter, in tegenwoordigheid van R. van Wijngaarden, griffier, en op 1 april 2026 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.