ECLI:NL:RBROT:2026:4698
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing moratoriumverzoek en niet-ontvankelijkheid verzoek toelating schuldsaneringsregeling
Verzoeker heeft op 8 april 2026 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening (moratorium) ex artikel 287b Faillissementswet, gericht op het voorkomen van een ontruiming. Schuldhulpverlening gaf aanvankelijk aan dat alleen de sloten waren vervangen en geen ontruiming had plaatsgevonden. De rechtbank verzocht om opheldering, waarna verweerster bevestigde dat de woning op 8 april 2026 om 11.30 uur was ontruimd, hetgeen werd onderbouwd met een proces-verbaal.
Schuldhulpverlening stelde dat de inboedel toebehoorde aan verweerster en dat verzoeker belang had bij het moratorium om weer toegang tot de woning te krijgen. Verweerster gaf aan dat de ontruiming rechtmatig was uitgevoerd en juridisch voltooid. De rechtbank oordeelde dat het moratoriumverzoek niet toewijsbaar was omdat de ontruiming reeds had plaatsgevonden en het moratorium deze niet kan terugdraaien.
Daarnaast diende verzoeker een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling in ex artikel 284, tweede lid, Fw. De rechtbank verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat het minnelijk traject nog niet was gestart en naar verwachting niet op korte termijn zal worden afgerond, wat een vereiste is volgens artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw.
De rechtbank wees het moratoriumverzoek af en verklaarde het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk. Het vonnis werd op 9 april 2026 in het openbaar uitgesproken door rechter C.G.E. Prenger.
Uitkomst: Het moratoriumverzoek wordt afgewezen omdat de ontruiming reeds heeft plaatsgevonden en het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een afgerond minnelijk traject.