Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4650

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/714463 / JE RK 26-232
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2018. De moeder voert geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar betwist de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vanwege onvoldoende onderbouwing en verstrekkende kwalificaties.

De kinderrechter oordeelt dat de gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en verlengt deze voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor zes maanden, korter dan verzocht, omdat de situatie van de minderjarige in het gezinshuis stabiel is en de opvoedstijl inmiddels beter aansluit. De omgang tussen moeder en kind is momenteel stopgezet vanwege onveilige situaties.

De moeder staat open voor onderzoek, en de kinderrechter acht het noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om de ontwikkeling van de minderjarige en de voortgang van de moeder te monitoren. De behandeling van het resterende verzoek wordt aangehouden tot een pro forma zitting in juli 2026, waarna verdere beslissingen worden genomen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor zes maanden met aanhouding van het verdere verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/714463 / JE RK 26-232
Datum uitspraak: 7 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.A. Middelkoop, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 30 januari 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 5 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI, [persoon A] en [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend om bij de zitting aanwezig te zijn aan de oma van moederszijde.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 13 april 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 november 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend tot 13 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De GI verwijst daarbij naar het uitgebreide verzoekschrift. De afgelopen periode is geprobeerd om een afspraak te maken bij de oogarts voor [voornaam minderjarige] , maar de moeder wil haar toestemming niet geven. Er is inmiddels een verzoek ingediend voor vervangende toestemming. Het contact tussen de moeder en de GI verloopt moeizaam. De contactmomenten met [voornaam minderjarige] zijn stopgezet, doordat de situatie niet voldoende veilig was. Het is belangrijk dat de moeder aan de slag gaat met haar emotieregulatie en dat er onderzoek plaatsvindt, zodat de bezoeken met [voornaam minderjarige] weer tot stand kunnen worden gebracht.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
Door en namens de moeder wordt ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder voert geen verweer tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Wel wordt verweer gevoerd tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing is onvoldoende concreet onderbouwd. Daarnaast gebruikt de GI verstrekkende kwalificaties over de moeder in de stukken, zonder dat daar onderzoek naar is gedaan. De moeder staat open voor onderzoek, maar daarvoor is wel belangrijk dat het voor de moeder duidelijk wordt wat voor onderzoek de GI wenst. De moeder voegt daaraan toe dat zij de afgelopen periode stappen heeft gezet. Zij is op zoek naar werk en heeft binnenkort een sollicitatiegesprek. De samenwerking met de hulpverlening verloopt moeizaam en wanneer de moeder voor zichzelf opkomt, wordt dit gezien als boosheid. De moeder wil niet dat [voornaam minderjarige] haar op die manier ziet tijdens de bezoeken. Zij denkt vaak aan [voornaam minderjarige] en wil hem graag zien. Primair wordt verzocht om het verzoek ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht de duur van de machtiging te beperken, zodat objectieve diagnostiek kan plaatsvinden.

5.De beoordeling

5.1.
Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling en de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat de gronden van de ondertoezichtstelling zoals gesteld in art. 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) aanwezig zijn, zal de ondertoezichtstelling worden verlengd voor de duur van een jaar. De komende periode moet er nog een hoop gebeuren en de kinderrechter acht het van belang dat de GI betrokken blijft. Zo kan worden gekeken of het goed blijft gaan met [voornaam minderjarige] en kan er passende hulp worden ingezet.
5.2.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] [voornaam minderjarige] is een enorm kwetsbare jongen die veel ondersteuning nodig heeft. [voornaam minderjarige] verblijft momenteel in een gezinshuis en het heeft even tijd gekost om de opvoedstijl te vinden die het best bij [voornaam minderjarige] aansluit. De responsieve en sensitieve aanpak bleek voor [voornaam minderjarige] te onveilig te zijn. Daarop is het gezinshuis overgestapt op een meer gestructureerde aanpak met duidelijke grenzen. Dat blijkt goed te passen. Inmiddels ontwikkelt [voornaam minderjarige] zich goed in het gezinshuis en hij gaat structureel naar Horses & Co, waar er eerder veel verzuim was. De kinderrechter is van oordeel dat het gezinshuis voor nu de beste plek is voor [voornaam minderjarige] . Vanuit daar kan worden bekeken welke vorm van basisonderwijs passend is. Momenteel vinden er geen bezoeken plaats tussen de moeder en [voornaam minderjarige] . De kinderrechter begrijpt dat dit voor de moeder enorm verdrietig is, maar benadrukt dat de omgang voor [voornaam minderjarige] fijn moet zijn. Daarvoor is het belangrijk dat de moeder er met de GI voor zorgt dat [voornaam minderjarige] geen last heeft van de onderlinge spanningen en discussies. Het is positief dat de moeder ter zitting heeft aangegeven open te staan voor het door de GI gewenste onderzoek. De komende periode dienen er stappen te worden gezet. De uitkomst van het onderzoek van de moeder zal moeten worden afgewacht, zodat daarna hulp of behandeling kan worden ingezet. Ook moet er steeds naar de mogelijkheden worden gekeken om omgangsmomenten organiseren, zodat de band tussen de moeder en [voornaam minderjarige] behouden blijft.
5.3.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere duur dan is verzocht. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van zes maanden en de beslissing voor het overige aanhouden. Tegen die tijd kan worden gekeken naar de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] en naar de voortgang van de moeder. Daarnaast heeft de GI aangegeven dat er een verzoek ligt bij de Raad voor de Kinderbescherming om onderzoek te doen naar het gezag van de moeder. Ook naar de stand van zaken ten opzichte van dat onderzoek kan op dat moment worden gekeken.
5.4.
De GI wordt verzocht uiterlijk
twee wekenvoor de hierna te noemen pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. Middelkoop) aan de kinderrechter aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd. Zoals ter zitting besproken is de pro forma datum met name bedoeld om een datum voor een nieuwe inhoudelijke zitting in september te kunnen plannen. Een inhoudelijke rapportage hoeft pas voor die inhoudelijke zitting opgemaakt te worden.
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 13 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 13 oktober 2026;
en alvorens te beslissen:
6.3.
houdt de behandeling van het verzoek van de GI voor het overige aan en bepaalt dat het verzoek wordt aangehouden tot
1 juli 2026 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI, de moeder en mr. L.A. Middelkoop op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk
twee wekenvoor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de moeder en mr. L.A. Middelkoop) de verzochte mededeling te doen toekomen;
6.6.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026 door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.