Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4628

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
11925840 VZ VERZ 25-6498 en 12006348 VZ VERZ 25-7174
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 2 BWArt. 7:629a lid 1 BWArt. 7:668 lid 2 BWArt. 7:668 lid 3 BWArt. 7:672 lid 11 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging arbeidsovereenkomst advocaat-stagiaire na beëindiging patronaat en loonstop wegens weigering mediation

De zaak betreft de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen een advocaat-stagiaire en een advocatenkantoor nadat het patronaat met toestemming van de raad van de orde is opgezegd. De arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege op 9 oktober 2025. De stagiaire stelde dat sprake was van racisme, buitensluiting en pesten, en dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was beëindigd. Het advocatenkantoor ontkende deze beschuldigingen en stelde dat de stagiaire disfunctioneerde en mediation weigerde, wat leidde tot een loonstop.

De kantonrechter oordeelde dat het einde van de arbeidsovereenkomst objectief bepaalbaar was en dat de beëindiging van het patronaat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig deed eindigen. De loonstop was terecht opgelegd omdat de weigering tot mediation een redelijk re-integratievoorschrift schond. Er was geen ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, zodat geen billijke vergoeding verschuldigd was.

Verder wees de kantonrechter de vorderingen van de stagiaire af voor niet-uitbetaald loon, schadevergoeding, aanzegvergoeding, aanvullende transitievergoeding, en vergoeding van buitengerechtelijke kosten. De proceskosten werden aan de stagiaire opgelegd vanwege het ongelijk in de procedure. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigde rechtsgeldig op 9 oktober 2025, de loonstop was terecht en de stagiaire krijgt geen billijke vergoeding of andere schadevergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummers: 11925840 VZ VERZ 25-6498 en
12006348 VZ VERZ 25-7174
datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
[advocatenkantoor],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. P. Burger,
tegen
[advocaat-stagiaire],
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. T. van Steenis,
en de zaak van:
[advocaat-stagiaire],
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. T. van Steenis,
tegen
[advocatenkantoor],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster,
gemachtigde: mr. P. Burger,
De partijen worden hierna ‘ [advocaat-stagiaire] ’ en ‘ [advocatenkantoor] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier met zaaknummer 11925840 VZ VERZ 25-6498 bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [advocatenkantoor] (ontvangen op 16 oktober 2025), met bijlagen;
  • het verweerschrift van [advocaat-stagiaire] , met bijlagen;
  • de e-mail van de gemachtigde van [advocatenkantoor] van 4 maart 2026, met als bijlagen aanvullende producties 41 t/m 48;
  • de spreekaantekeningen van [advocatenkantoor] ;
  • de spreekaantekeningen van [advocaat-stagiaire] .
1.2.
Het dossier met zaaknummer 12006348 VZ VERZ 25-7174 bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [advocaat-stagiaire] (ontvangen op 8 december 2025), met bijlagen;
  • het verweer van [advocatenkantoor] , met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van [advocaat-stagiaire] ;
  • de spreekaantekeningen van [advocatenkantoor] .
1.3.
Op 10 maart 2026 zijn de zaken tegelijkertijd tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij was [advocaat-stagiaire] aanwezig, bijgestaan door mr. Van Steenis. Namens [advocatenkantoor] waren aanwezig mr. [naam 1] en mr. [naam 2] , bijgestaan door mr. Burger.

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[advocaat-stagiaire] werkte sinds 1 april 2024 bij [advocatenkantoor] als advocaat-stagiaire, onder patronaat van mr. [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’). Op 9 (of 11) april 2025 heeft [advocaat-stagiaire] zich ziek gemeld. Op 24 april 2025 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [advocaat-stagiaire] met ingang van 11 april 2025 ongeschikt was voor het verrichten van haar werkzaamheden. Op 17 september 2025 heeft [advocaat-stagiaire] zich hersteld gemeld.
2.2.
Volgens [advocaat-stagiaire] is zij ziek geworden als gevolg van de werkomstandigheden bij [advocatenkantoor] . Volgens [advocaat-stagiaire] was sprake van racisme, buitensluiting en pesten op de werkvloer. Toen zij steun vroeg bij [naam 1] en andere leden van de maatschap, nadat zij de vertrouwenspersoon had ingeschakeld, kreeg zij die niet. Volgens [advocaat-stagiaire] heeft [advocatenkantoor] in plaats daarvan al snel juist ingezet op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [advocaat-stagiaire] .
2.3.
Volgens [advocatenkantoor] is niet gebleken van racisme, buitensluiten en pesten. Zij heeft haar best gedaan om [advocaat-stagiaire] te helpen, maar dat lukte niet. Volgens [advocatenkantoor] was sprake van disfunctioneren. [advocatenkantoor] heeft ingezet op mediation met [advocaat-stagiaire] , maar [advocaat-stagiaire] bleef dat weigeren. Dat heeft geleid tot een loonstop over de periode van 1 augustus 2025 tot 17 september 2025.
Al in mei 2025 heeft [advocatenkantoor] bij de raad van de orde melding gemaakt van een geschil met [advocaat-stagiaire] . Op 21 juli 2025 heeft [advocatenkantoor] om toestemming gevraagd om het patronaat van mr. [naam 1] over [advocaat-stagiaire] te beëindigen. Die toestemming heeft zij op 8 oktober 2025 gekregen. [advocatenkantoor] heeft op 8 oktober 2025 aan [advocaat-stagiaire] laten weten dat haar advocaatstage per 9 oktober 2025 werd beëindigd en dat daarmee ook haar arbeidsovereenkomst op diezelfde datum eindigde. [advocatenkantoor] beroept zich erop dat de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor (betrekkelijk) bepaalde duur, omdat daarin is bepaald dat deze geldt voor de duur van de advocaatstage. Onder normale omstandigheden (dat wil zeggen zonder verlenging van de stage, zonder beëindiging van het patronaat en bij het voldoen aan alle voorwaarden) zou [advocaat-stagiaire] haar stage op 22 februari 2026 hebben voltooid.
2.4.
[advocaat-stagiaire] vindt dat [advocatenkantoor] haar arbeidsovereenkomst niet (tussentijds) mocht beëindigen en in elk geval niet per 9 oktober 2025. Volgens haar is geen sprake van een arbeidsovereenkomst die van rechtswege eindigt zodra de beëindiging van het patronaat is goedgekeurd door de raad van de orde en op basis daarvan de advocaatstage wordt beëindigd. [advocatenkantoor] meent dat uit de arbeidsovereenkomst, gebaseerd op het in Rotterdam gebruikte model, volgt dat dit wel mogelijk is.
2.5.
[advocaat-stagiaire] werkt sinds 1 december 2025 zelfstandig als stagiaire-ondernemer in het arrondissement Amsterdam. Volgens haar is zij nog niet in staat om volledige dagen te werken en heeft zij nog geen inkomsten uit haar praktijk. De omzet die zij heeft, moet zij op grond van de geldende regels reserveren als buffer. [advocaat-stagiaire] heeft van het UWV een voorschot ontvangen op een WW-uitkering.
Wat verzoeken partijen?
2.6.
De zaak met nummer 11925840 VZ VERZ 25-6498 is gestart met een verzoekschrift van [advocatenkantoor] , waarin zij onder meer verzoekt voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst met [advocaat-stagiaire] per 9 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd. In die procedure heeft [advocatenkantoor] voorwaardelijk verzocht om de arbeidsovereenkomst met [advocaat-stagiaire] te ontbinden. [advocaat-stagiaire] heeft in die procedure verweer gevoerd. [advocaat-stagiaire] is vervolgens een nieuwe procedure gestart, met nummer 12006348 VZ VERZ 25-7174, waarin zij onder meer een verklaring voor recht vraagt dat de arbeidsovereenkomst niet per 9 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd. Voor dit geval, maar ook voor het geval de arbeidsovereenkomst wel is geëindigd, maakt [advocaat-stagiaire] aanspraak op betaling van niet-uitbetaald loon en diverse (schade)vergoedingen. [advocatenkantoor] heeft in die procedure verweer gevoerd. De kantonrechter heeft beide procedures gezamenlijk behandeld en doet in deze beschikking in beide zaken samen uitspraak. [advocatenkantoor] had al haar verzoeken immers ook in de eerste procedure als (zelfstandig) tegenverzoek kunnen indienen.
2.7.
[advocaat-stagiaire] maakt, nadat zij op de zitting heeft verklaard te berusten in het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2025, aanspraak op een aanzegvergoeding van € 6.105,07 bruto, een gefixeerde schadevergoeding van € 6.105,07 bruto en een billijke vergoeding van € 230.000,- bruto. Daarnaast heeft [advocatenkantoor] volgens [advocaat-stagiaire] te weinig verlofuren uitbetaald, waardoor nog een betaling van € 1.113,37 bruto moet plaatsvinden. Ook de betaalde transitievergoeding klopt niet volgens [advocaat-stagiaire] ; zij maakt aanspraak op een nabetaling van € 110,67 bruto.
2.8.
Over de periode van 1 augustus 2025 tot 17 september 2025 heeft [advocatenkantoor] geen loon aan [advocaat-stagiaire] betaald, omdat zij een loonsanctie aan [advocaat-stagiaire] heeft opgelegd vanwege het niet meewerken aan mediation. [advocaat-stagiaire] verzoekt in deze procedure betaling van het loon over die periode à € 8.736,46 bruto, plus een netto onkostenvergoeding van € 100,-, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro. [advocatenkantoor] meent dat zij terecht een loonstop heeft opgelegd en dat zij dit bedrag niet hoeft te betalen. Zij heeft de kantonrechter gevraagd om dit voor recht te verklaren.
2.9.
Verder verzoekt [advocaat-stagiaire] een verklaring voor recht dat [advocatenkantoor] aansprakelijk is voor de volledig voor haar geleden en nog te lijden schade in verband met het tussentijds beëindigen van de stage en haar arbeidsongeschiktheid, inclusief letselschade en de kosten voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook verzoekt zij een vergoeding voor buitengerechtelijke advocaatkosten van € 7.358,49, vergoeding van therapie- en coachingkosten van € 1.500,- en een verklaring voor recht dat [advocatenkantoor] aansprakelijk is voor de stagekosten voor zolang de stage voortduurt, met betaling van € 1.000,- exclusief btw per maand vanaf 1 december 2025 plus reis- en parkeerkosten, eenmalige kosten voor de aanschaf van kantoorartikelen à € 1.000,- en de overige kosten, nader op te maken bij staat. [advocaat-stagiaire] maakt aanspraak op wettelijke rente over alle gevorderde bedragen.
De arbeidsovereenkomst is op 9 oktober 2025 geëindigd
2.10.
[advocaat-stagiaire] baseert een deel van haar vorderingen op de stelling dat het einde van de stage (wegens het beëindigen van het patronaat van mr. [naam 1] ) er niet van rechtswege toe heeft geleid dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 9 oktober 2025. De kantonrechter moet daarom eerst de standpunten van partijen over deze beëindiging beoordelen. De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege op 9 oktober 2025 is geëindigd. Vanwege het eindigen van de arbeidsovereenkomst op die datum, heeft [advocaat-stagiaire] geen recht meer op loon vanaf 10 oktober 2025. Voor zover haar verzoeken daarop zien, worden ze afgewezen.
2.11.
Over het eindigen van de arbeidsovereenkomst overweegt de kantonrechter het volgende. Een arbeidsovereenkomst kan worden aangegaan voor bepaalde tijd, waarbij de arbeidsovereenkomst dan van rechtswege eindigt op het moment dat die bepaalde tijd is verstreken. Van een bepaalde tijd kan ook sprake zijn als de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor een project of bij vervanging van een zieke werknemer, waarbij de exacte einddatum bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst nog niet vast staat. Het einde van de arbeidsovereenkomst moet in zo’n geval wel objectief bepaalbaar zijn, waarbij het eindigen van de overeenkomst niet mag afhangen van de wil van een van de partijen.
2.12.
Het staat vast dat het patronaat, en daarmee de stage, rechtsgeldig is geëindigd door opzegging door mr. [naam 1] , na verkregen goedkeuring van de raad van de orde. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat het dienstverband eindigt op de dag dat de stage eindigt. Het besluit van de raad volgt op een verzoek van [advocatenkantoor] , maar enkel dat feit is onvoldoende voor de gevolgtrekking dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet objectief kan worden vastgesteld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de raad van toezicht een inhoudelijk objectieve toets heeft verricht. Het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst zou eindigen was daarmee voldoende objectief bepaalbaar [1] . Het door [advocatenkantoor] gevraagde oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 9 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd wordt dan ook toegewezen.
[advocatenkantoor] hoeft geen gefixeerde schadevergoeding te betalen
2.13.
Omdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd op 9 oktober 2025, is geen sprake van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [advocatenkantoor] hoeft daarom geen gefixeerde schadevergoeding te betalen (artikel 7:672 lid 11 BW Pro).
[advocatenkantoor] hoeft geen aanzegvergoeding te betalen
2.14.
[advocaat-stagiaire] maakt ook aanspraak op de aanzegvergoeding van artikel 7:668 lid 3 BW Pro, maar ook die hoeft [advocatenkantoor] niet te betalen. Er is immers bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst schriftelijk overeengekomen dat deze eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld (artikel 7:668 lid Pro 2, aanhef en sub a BW).
[advocatenkantoor] hoeft geen ‘aanvullende’ transitievergoeding te betalen
2.15.
[advocaat-stagiaire] heeft geen recht op een aanvullende transitievergoeding. [advocatenkantoor] heeft de transitievergoeding berekend op basis van een einde van de arbeidsovereenkomst per 9 oktober 2025 en dat is juist. Bij de berekening van de transitievergoeding hoeft de pensioentoeslag die partijen zijn overeengekomen, van 2% van het brutoloon, niet te worden meegerekend. Deze toeslag is namelijk geen loon in de zin van artikel 1 Besluit Pro loonbegrip. [2]
[advocatenkantoor]
hoeft geen loon te betalen over de periode van 1 augustus 2025 tot 17 september 2025
2.16.
De kantonrechter oordeelt verder dat [advocatenkantoor] op 28 juli 2025 mocht besluiten om de loonbetaling aan [advocaat-stagiaire] met ingang van 1 augustus 2025 stop te zetten, omdat zij niet wilde meewerken aan mediation. De eis van [advocatenkantoor] dat [advocaat-stagiaire] zou meewerken aan mediation moet worden beschouwd als een redelijk re-integratievoorschrift. Het zonder deugdelijke grond meewerken aan zo’n redelijk re-integratievoorschrift betekent dat het recht op loondoorbetaling bij ziekte vervalt (artikel 7:629 lid 2 aanhef Pro en onder d BW).
2.17.
Van belang is de context waarin [advocatenkantoor] de eis heeft gesteld dat mediation zou plaatsvinden. Dat had te maken met de re-integratie en de uitdrukkelijke wens van [advocaat-stagiaire] om dat bij mr. [advocatenkantoor] als nieuwe patroon te doen.
2.18.
Op 24 april 2025 is [advocaat-stagiaire] voor het eerst bij de bedrijfsarts geweest. De bedrijfsarts heeft in zijn verslag vermeld dat hij op dat moment geen aanvullende mediation adviseerde, omdat al “een externe tussenpersoon betrokken is of binnenkort betrokken wordt”. Hij adviseerde nadrukkelijk om Work Solutions in te schakelen. Dat is ook gebeurd. [advocatenkantoor] heeft op dat moment ook niet als eis gesteld dat (toch) mediation moest plaatsvinden.
2.19.
Het traject met Work Solutions heeft geen resultaat gehad. Op 6 juni 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [advocaat-stagiaire] onder begeleiding van [begeleider 1] van Work Solutions. In dit gesprek heeft [advocaat-stagiaire] de wens te kennen gegeven om haar stage voort te zetten onder patronaat van mr. [naam 3] . Mr. [naam 3] heeft laten weten dat hij bereid was om verder als patroon van [advocaat-stagiaire] te fungeren, maar dat wel mediation moest plaatsvinden omdat [advocaat-stagiaire] zou moeten blijven samenwerken met haar collega’s van de sectie arbeidsrecht en daarmee ook met [naam 1] , die deze sectie leidt. [advocaat-stagiaire] heeft een dag later laten weten dat zij het niet eens was met het plan van aanpak dat naar aanleiding van het gesprek was opgemaakt en dat zij niet met een mediator in gesprek wilde gaan. Volgens [advocaat-stagiaire] was de verslaglegging van Work Solutions niet correct. Zij heeft Work Solutions bericht dat zij wilde dat het verslag zou worden aangepast op de punten die volgens haar niet klopten. [advocaat-stagiaire] heeft [begeleider 1] laten weten geen vertrouwen in haar te hebben. In een latere e-mail aan [begeleider 2] van Work Solutions heeft [advocaat-stagiaire] laten weten dat zij wilde dat het verslag zou worden aangepast op de door haar aangegeven manier. Work Solutions heeft besloten om de opdracht niet verder af te maken en heeft geen verslag uitgebracht.
2.20.
Vervolgens heeft [advocaat-stagiaire] op 16 juni 2025 weer contact met de bedrijfsarts gehad in het kader van het spreekuur. De bedrijfsarts heeft een probleemanalyse aan [advocaat-stagiaire] gestuurd en een aan [advocatenkantoor] . Tussen deze twee analyses bleek een verschil te zitten. In het plan van aanpak dat [advocaat-stagiaire] heeft ontvangen werd niet gerept over mediation; in het plan van aanpak dat [advocatenkantoor] heeft ontvangen stond dat mediation werd geadviseerd. Hierop heeft [advocaat-stagiaire] op 27 juni 2025 aaan [advocatenkantoor] laten weten dat zij bereid was tot mediation om voortzetting van het patronaat door mr. [naam 3] mogelijk te maken. Daarop is contact gezocht met een mediator. [advocaat-stagiaire] heeft daarna het voorgesprek dat gepland was met de mediator afgezegd. Zij liet weten dat zij vasthield aan de probleemanalyse die zij van de bedrijfsarts had ontvangen en dat ze dit met haar zou bespreken. Daarnaast schrijft ze:
“Op dit moment ben ik niet in staat om mediation of andere gesprekken te voeren naast mijn behandeltrajecten. Tegen [naam 3] had ik dit al gezegd en ik heb hem ook laten weten dat ik dit eerst met de bedrijfsarts zou bespreken. (…)”
2.21.
Op 30 juni 2025 heeft [advocaat-stagiaire] per e-mail aan de case manager laten weten dat zij geen afspraken en interventies wilde. Op diezelfde datum heeft ook een gesprek plaatsgevonden met [personeelsmanager] (personeelsmanager bij [advocatenkantoor] ) over de re-integratie van [advocaat-stagiaire] en de wenselijkheid van mediation. In dat gesprek heeft [advocaat-stagiaire] aangegeven dat zij om medische redenen niet in gesprek kon gaan met [advocatenkantoor] . Op 9 juli 2025 reageerde de case manager door te zeggen dat op 16 juli 2025 de bedrijfsarts opnieuw de belastbaarheid van [advocaat-stagiaire] zou beoordelen en zou oordelen of mediation aan de orde was. Op 16 juli 2025 heeft [advocaat-stagiaire] inderdaad weer contact met de bedrijfsarts gehad. Naar aanleiding van dat contact heeft de bedrijfsarts geadviseerd om een gesprek tussen werknemer en werkgever te laten plaatsvinden, waarbij [advocaat-stagiaire] en [advocatenkantoor] de vorm van dat overleg samen moesten bepalen. Als dat niet tot resultaat zou leiden, zou er alsnog mediation moeten plaatsvinden.
2.22.
[advocatenkantoor] heeft vervolgens, direct op 16 juli 2025, aan [advocaat-stagiaire] (via haar toenmalige gemachtigde, mr. [gemachtigde] ) bevestigd dat mr. [naam 3] bereid was om het patronaat over te nemen van [naam 1] , onder de voorwaarde dat mediation zou plaatsvinden die erop gericht zou zijn om weer een werkbare verhouding tussen [advocaat-stagiaire] en [naam 1] te creëren en duidelijke werkafspraken te maken. [advocaat-stagiaire] wees mediation af, omdat volgens haar eerst nog een gesprek moest plaatsvinden en zij niet belastbaar was voor mediation. Op 21 juli 2025 heeft [advocatenkantoor] aan mr. [gemachtigde] bericht dat zij voldoende grondslag zag om een loonstop op te leggen aan [advocaat-stagiaire] als zij zou blijven weigeren mee te werken aan mediation. [advocaat-stagiaire] is zich op het standpunt blijven stellen dat zij niet in staat was om deel te nemen aan mediation.
2.23.
[advocaat-stagiaire] heeft aangevoerd dat zij om medische redenen niet in staat was om deel te nemen aan mediation, maar die stelling vindt geen steun in de adviezen van de bedrijfsarts. [advocaat-stagiaire] heeft ook geen deskundigenverklaring van het UWV overgelegd waaruit dat blijkt. Aan de enkele (summiere) verklaring van een waarnemend huisarts van 13 augustus 2025, die [advocaat-stagiaire] ter onderbouwing heeft overgelegd, kan geen doorslaggevende betekenis in het voordeel van [advocaat-stagiaire] worden toegekend. De kantonrechter gaat daarom aan die verklaring voorbij. Gelet op de wens van [advocaat-stagiaire] om haar werk te hervatten onder een andere patroon en fysiek op een andere verdieping, terwijl zij wel werkzaam zou blijven in het arbeidsrecht, is de eis van [advocatenkantoor] dat hierover mediation zou plaatsvonden een alleszins redelijk re-integratievoorschrift te noemen. [advocaat-stagiaire] had hieraan gevolg kunnen en moeten geven. Dat heeft zij niet gedaan. Pas in een gesprek met de raad van de orde op 17 september 2025 heeft [advocaat-stagiaire] gezegd dat zij open stond voor mediation. Diezelfde middag heeft zij zich hersteld gemeld. De loonstop is op dat moment opgeheven.
2.24.
Gelet op de ‘voorgeschiedenis’ voordat [advocatenkantoor] de (harde) eis stelde dat mediation zou plaatsvinden en de aanleiding daarvoor (te weten dat samenwerking met de arbeidsrechtsectie noodzakelijk bleef, ook al zou het patronaat worden overgedragen), is sprake van een redelijk re-integratievoorschrift. [advocaat-stagiaire] heeft voldoende gelegenheid gekregen om aan dit voorschrift te voldoen. [advocatenkantoor] heeft gewaarschuwd dat zij een loonstop kon opleggen als [advocaat-stagiaire] bleef weigeren. In die omstandigheden heeft [advocaat-stagiaire] geen aanspraak op loon over de periode van 1 augustus tot 17 september 2025. De door [advocatenkantoor] verzochte verklaring voor recht dat de loonstop terecht is opgelegd, wordt daarom toegewezen.
2.25.
Het verzoek van [advocaat-stagiaire] om [advocatenkantoor] te veroordelen om het loon over deze periode uit te betalen, stuit niet alleen af op het oordeel dat de loonstop terecht is opgelegd, maar kan ook niet worden toegewezen wegens het ontbreken van een deskundigenoordeel (artikel 7:629a lid 1 BW). Nu [advocaat-stagiaire] ervoor heeft gekozen om pas op 11 januari 2026 een dergelijk deskundigenoordeel aan te vragen en niet reeds bij aanvang van de loonstop, komt het feit dat dat oordeel ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet beschikbaar was voor risico van [advocaat-stagiaire] .
[advocatenkantoor] hoeft geen billijke vergoeding te betalen
2.26.
Omdat de arbeidsovereenkomst per 9 oktober rechtsgeldig is geëindigd, moet worden beoordeeld of [advocaat-stagiaire] op grond van artikel 7:673 lid 9 BW Pro recht heeft op billijke vergoeding. Daarvoor is vereist dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [advocatenkantoor] . Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake en het verzoek om een billijke vergoeding toe te kennen wordt daarom afgewezen. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.
2.27.
[advocaat-stagiaire] stelt dat sprake is geweest van pestgedrag op de werkvloer. Collega [collega 1] (hierna: ‘ [collega 1] ’) zou racistische uitspraken hebben gedaan en [advocaat-stagiaire] zou door collega’s zijn buitengesloten. [naam 1] zou onvoldoende hebben gedaan om dit op te lossen.
2.28.
Hoewel de kantonrechter niet wil afdoen aan de beleving van [advocaat-stagiaire] , is naar zijn oordeel in deze procedure onvoldoende komen vast te staan dat sprake is geweest van pestgedrag, racisme en/of buitensluiten op de werkvloer. De producties die [advocaat-stagiaire] heeft overgelegd hebben geen betrekking op dergelijk gedrag, met uitzondering van één whatsappbericht van een onbekende persoon – naar zeggen van [advocaat-stagiaire] een collega – die aangaf dat “
[collega 1] gewoon heel racistisch en naar is”. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [advocatenkantoor] kan de kantonrechter aan deze printscreen, waarop geen namen vermeld staan, geen data staan en waaruit ook geen context blijkt (bijvoorbeeld of het inderdaad over collega [collega 1] gaat) niet de conclusie ontlenen dat sprake is geweest van racisme op de werkvloer jegens [advocaat-stagiaire] .
Uit de andere overgelegde producties blijkt (ook) niet van pestgedrag of buitensluiten. De betekenis die [advocaat-stagiaire] aan de overgelegde berichten volgt geeft daar niet uit, mogelijk omdat ook hier context ontbreekt. Die context is, na de betwisting van [advocatenkantoor] , ook niet gegeven. De overgelegde berichten bevestigen daarentegen het beeld dat [advocatenkantoor] van [advocaat-stagiaire] schetst, namelijk dat problemen ontstaan zodra [advocaat-stagiaire] het juridisch-inhoudelijk niet eens is met een collega, waarbij [advocaat-stagiaire] dan de ander verwijten maakt. Dit wordt bevestigd door [collega 2] in haar verklaring over de blog en door [collega 1] in haar verklaring. De kantonrechter gaat uit van de juistheid van deze verklaringen; van beïnvloeding door [advocatenkantoor] is niet gebleken. [advocaat-stagiaire] heeft de suggestie dat daarvan sprake zou zijn onvoldoende onderbouwd.
Dat [advocaat-stagiaire] de aanvaringen met haar collega’s mogelijk als ‘onveilig’ heeft ervaren, betekent niet dat in objectieve zin sprake is geweest van pestgedrag door deze collega’s. Waar [advocaat-stagiaire] de door haar overgelegde e-mails aan [naam 1] en mr. [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’) benoemt als ‘meldingen van ongewenst gedrag’, ziet de kantonrechter hierin enkel een betoog van [advocaat-stagiaire] dat haar standpunt (verwoord in een blog) niet ter discussie mag worden gesteld. Dat dat toch wordt gedaan, vindt [advocaat-stagiaire] kennelijk ongewenst gedrag, maar dat kan niet worden gekwalificeerd als objectief ongewenst gedrag in de zin van pesten of ander grensoverschrijdend gedrag. Het toetsen van een inhoudelijk oordeel is, zoals [advocatenkantoor] terecht opmerkt, gebruikelijk in een praktijk waarin meerdere advocaten werken.
2.29.
Zelfs als ervan wordt uitgegaan dat inderdaad sprake is geweest van (enig) ongewenst gedrag op de werkvloer, is de vraag die daarna moet worden beantwoord of [advocatenkantoor] , in strijd met haar verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, daar onvoldoende actie op heeft genomen. De kantonrechter ziet geen tekortkoming of onrechtmatig handelen van [advocatenkantoor] . [advocatenkantoor] heeft de klachten van [advocaat-stagiaire] voldoende serieus genomen, maar het is [advocaat-stagiaire] zelf geweest die niet wilde dat er meer mee gedaan werd.
Zo heeft mr. [naam 3] aan [advocaat-stagiaire] voorgesteld om het gesprek aan te gaan met de betrokkenen onder begeleiding van een gespreksleider. Hij noemde vier personen die als gespreksleider zouden kunnen optreden. Op 27 april 2025 antwoordde [advocaat-stagiaire] per e-mail:
“(…) Het klopt dat ik ongewenst gedrag ervaar. De bekende voorbeelden (met uitzondering van de racistische opmerkingen) zijn gedeeld. Er kan desgewenst nader onderzoek naar worden gedaan, maar dat is geen vereiste. (…)”. Haar zorgen richten zich, zo schreef zij, op de kwaliteit van het werk en belangen van derden. Zij reageerde niet op de voorstellen voor gespreksleiders. Op 29 april 2025 bevestigde mr. [naam 3] dat met [advocaat-stagiaire] was besproken dat zij op dat moment geen behoefte had aan een-op-een gesprekken onder begeleiding van een derde. Hij merkte op dat als zij later nog wel iets wil doen met haar melding over ongewenst gedrag, hij het graag zou horen. Ook schreef hij dat hij van [advocaat-stagiaire] had begrepen dat zij er geen behoefte aan had dat er verder iets zou gebeuren met de racistische opmerkingen waarover [advocaat-stagiaire] het had gehad.
In het memo dat was gevoegd bij de e-mail van mr. [naam 1] aan [advocaat-stagiaire] van 5 mei 2025, waarin de officiële waarschuwing is opgenomen, stond dat als [advocaat-stagiaire] dingen ervoer die konden worden beschouwd als ongewenst gedrag, zij het protocol ongewenst gedrag moest volgen. Dit houdt in dat zij de keuze had uit de een aantal opties: i) de ongewenste gedragingen bespreken met de persoon in kwestie, ii) de ongewenste gedraging bespreken met haar patroon of een ander lid van de maatschap, of in vertrouwen met een collega, iii) het ongewenste gedrag bespreken met de externe vertrouwenspersoon, of iv) de klacht voorleggen aan een passende instantie. Niet gebleken is dat [advocaat-stagiaire] daarna van een van deze opties gebruik heeft gemaakt.
Gelet op deze gang van zaken, waarin [advocaat-stagiaire] eerst zelf de boot heeft afgehouden en zij niet op haar klachten is teruggekomen, kan zij [advocatenkantoor] niet verwijten dat zij geen actie heeft ondernomen.
2.30.
[advocatenkantoor] heeft ook niet ernstig verwijtbaar gehandeld door [advocaat-stagiaire] aan te spreken op haar samenwerking met collega’s en haar aanspreekbaarheid op haar (juridisch-inhoudelijke) werk. Uit de door [advocatenkantoor] overgelegde verklaringen (van [collega 2] , [collega 1] en [naam 1] ) blijkt dat collega’s van [advocaat-stagiaire] er moeite mee hadden dat [advocaat-stagiaire] niet open stond voor een andere (inhoudelijke) mening dan de hare. Ook in het stageverslag over de periode van 1 april 2024 tot 1 april 2025 staat onder meer:
“Aandachtspunten zijn de analytische vaardigheden (het analyseren van het probleem), de communicatie daarover (het kernachtig formuleren, mondeling en schriftelijk) en de samenwerking met anderen (in die zin dat het inhoudelijk consensus bereiken over hoe het arbeidsrechtelijk zit of wat de beste strategie is niet altijd soepel verloopt.”
Onderdeel van het werk als advocaat-stagiair is de samenwerking met collega’s. [advocaat-stagiaire] kan [advocatenkantoor] dan ook niet verwijten dat dit als ontwikkelpunt is opgenomen bij de periodieke evaluatie van haar stage.
2.31.
Omdat sprake was van een ontwikkelpunt en omdat uit de klachten van [advocaat-stagiaire] (de e-mails aan [naam 1] en [naam 2] van 3 april 2025) juist volgde dat [advocaat-stagiaire] de schuld bij anderen legde en dus niet inzag wat haar eigen rol in het geheel was, mocht [advocatenkantoor] haar op 5 mei 2025 waarschuwen. In het memo bij de e-mail van de datum staat hierover:
“(…) Steeds opnieuw raak je met verschillende mensen, in verschillende context, in conflict over jouw kwaliteiten, en met name jouw juridische kwaliteiten. Op het moment dat iemand jou daarop aanspreekt, ga je naar een derde om je over diegene te beklagen. Het rechtstreekse gesprek met de betreffende persoon ga je echter uit de weg, omdat dat niet nodig zou zijn. Vervolgens zaai je onrust op de werkvloer en ervaren anderen stress als gevolg van de wijze waarop jij op de situatie reageert. Daarbij vertel je aan ons en aan collega’s bij herhaling dingen die onwaar zijn.
Met dit gedragspatroon zet je mensen tegen elkaar op, ondergraaf je [naam 1] positie als jouw patroon en leidinggevende en zorg je ervoor dat collega’s jou niet meer rechtstreeks durven aanspreken op inhoudelijke gebreken.
Wij waarschuwen jou dat dit gedrag onmiddellijk moet stoppen. Als anderen jou aanspreken, dien je je open te stellen voor inhoudelijke kritiek en discussie. (…)”
2.32.
Tot slot mocht [advocatenkantoor] het conflict tussen [advocaat-stagiaire] en mr. [naam 1] melden bij de raad van de orde. Gelet op de verwijten die [advocaat-stagiaire] [naam 1] in deze procedure maakte en de verklaring van [naam 1] over de samenwerking met [advocaat-stagiaire] , was er op 6 mei 2025 voldoende aanleiding om het bestaan van een geschil te melden. Ook de loonstop die is opgelegd was terecht, zoals hiervoor reeds is overwogen. Geen van deze handelingen kunnen worden aangemerkt als een tekortkoming of onrechtmatig of onzorgvuldig handelen waardoor [advocatenkantoor] kan worden verweten dat [advocaat-stagiaire] ziek is geworden of gebleven.
[advocatenkantoor] hoeft geen betaling meer te doen voor niet genoten vakantie-uren
2.33.
[advocatenkantoor] hoeft aan [advocaat-stagiaire] geen bedrag meer te betalen voor niet-genoten verlofuren. Volgens [advocaat-stagiaire] had zij op 9 oktober 2025 134,92 verlofuren opgebouwd; [advocatenkantoor] heeft 113,81 uur uitbetaald. Volgens [advocatenkantoor] heeft het verschil te maken met de periode waarin de loonstop is opgelegd. In de berekening van [advocatenkantoor] is geen opbouw van vakantie-uren in die periode opgenomen. Nu hiervoor is geoordeeld dat de loonstop terecht is opgelegd, volgt daaruit ook dat over die periode geen verlofuren zijn opgebouwd. Die hoeft [advocatenkantoor] dan ook niet aan [advocaat-stagiaire] uit te betalen.
2.34.
[advocatenkantoor] heeft de stelling van [advocaat-stagiaire] dat over de verlofuren geen vakantietoeslag is uitgekeerd weersproken en erop gewezen dat de vakantietoeslag is inbegrepen in de totale vakantietoeslag die is uitbetaald. [advocaat-stagiaire] heeft daar niet op gereageerd, zodat de kantonrechter daarvan uitgaat.
2.35.
Tot slot oordeelt de kantonrechter dat over de verlofuren geen 2% pensioentoeslag verschuldigd is. [advocaat-stagiaire] heeft die stelling niet onderbouwd. Naar het oordeel van de kantonrechter is geen sprake van een vaste looncomponent die ook over het saldo van niet genoten vakantie-uren moet worden uitbetaald. Het is een vergoeding die wordt berekend over het loon.
2.36.
Uit het voorgaande volgt ook dat de verklaring voor recht die [advocaat-stagiaire] vraagt dat het verlofsaldo op 31 december 2025 159,78 uur bedraagt, wordt afgewezen.
[advocatenkantoor] hoeft geen schadevergoeding te betalen
2.37.
De kantonrechter oordeelt dat [advocatenkantoor] geen (aanvullende) schadevergoeding hoeft te betalen voor de door [advocaat-stagiaire] gestelde schades. Het gaat daarbij om letselschade, het niet kunnen afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering, de kosten voor therapie en coaching en de kosten voor het als ondernemer moeten afmaken van de advocaatstage, in plaats van in loondienst. De kantonrechter heeft hiervoor al overwogen dat [advocatenkantoor] niet is tekortgeschoten in haar verplichtingen als werkgever en niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [advocaat-stagiaire] . Daarmee ontbreekt een grondslag voor deze vorderingen, inclusief de gevraagde verklaringen voor recht dat [advocatenkantoor] aansprakelijk is voor “de volledige door [advocaat-stagiaire] geleden en nog te lijden schade in verband met het tussentijds beëindigen van de stage en haar arbeidsongeschiktheid” en voor “de stagekosten zolang de stage voortduurt”. Daar komt nog bij dat [advocaat-stagiaire] onvoldoende heeft gesteld over het causaal verband tussen het door haar benoemde handelen en/of nalaten van [advocatenkantoor] als het gaat om de door haar ervaren onveilige werkomgeving en de gestelde schade. De verzoeken om een (aanvullende) schadevergoeding worden dan ook afgewezen.
[advocatenkantoor] hoeft geen buitengerechtelijke kosten te betalen
2.38.
[advocaat-stagiaire] verzoekt om een veroordeling van [advocatenkantoor] om aan haar € 7.358,49 aan buitengerechtelijke kosten te betalen. Uit hetgeen hierboven is overwogen blijkt dat [advocatenkantoor] niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, of onrechtmatig heeft gehandeld, jegens [advocaat-stagiaire] . Reeds om die reden wordt dit verzoek afgewezen.
Geen beoordeling voorwaardelijk ontbindingsverzoek
2.39.
Omdat de arbeidsovereenkomst op 9 oktober 2025 al is geëindigd, hoeft het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van [advocatenkantoor] niet meer te worden beoordeeld.
Proceskosten
2.40.
De proceskosten komen in beide zaken voor rekening van [advocaat-stagiaire] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [advocaat-stagiaire] aan [advocatenkantoor] moet betalen op € 1.731,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.875,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De kantonrechter heeft bij het bepalen van het salaris van de gemachtigde rekening gehouden met de omstandigheid dat [advocaat-stagiaire] een tweede, overbodige procedure is gestart, terwijl zij haar verzoeken ook als tegenverzoek had kunnen indienen. Het salarisbedrag bestaat uit een vergoeding van € 1.154,- voor de procedure die [advocatenkantoor] is gestart en een bedrag van € 577,- voor de procedure die [advocaat-stagiaire] is gestart. Dat maakt samen € 1.731,-.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
2.41.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv Pro). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [advocatenkantoor] en [advocaat-stagiaire] op 9 oktober 2025 van rechtswege is geëindigd;
3.2.
verklaart voor recht dat [advocaat-stagiaire] geen aanspraak heeft op een billijke vergoeding ex artikel 7:673 lid Pro 9 a of b BW;
3.3.
verklaart voor recht dat [advocatenkantoor] terecht een loonstop heeft opgelegd over de periode van 18 juli tot en met 17 september 2025;
3.4.
veroordeelt [advocaat-stagiaire] in de proceskosten, die aan de kant van [advocatenkantoor] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.875,-;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
51909

Voetnoten

1.Hof Den Haag 17-03-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:440
2.Gerechtshof Amsterdam 25 juni 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2272, r.o. 3.17 t/m 3.24.