Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4624

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/10/717304 / JE RK 26-610
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking kinderrechter over machtiging tot uithuisplaatsing met kritiek op onjuiste spoedinformatie

De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, waarbij de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (GI) een spoedmachtiging had verzocht na een incident waarbij de vader onder invloed van alcohol met de minderjarige werd aangetroffen.

Tijdens de zitting bleek dat een aanzienlijk deel van de informatie in het spoedverzoek onjuist was, zoals de vermeende opname van de moeder in een psychiatrische kliniek en de onbereikbaarheid van de oma. De kinderrechter benadrukte dat bij ingrijpende maatregelen als spoeduithuisplaatsing de verstrekte informatie betrouwbaar moet zijn. Desondanks werd de spoedmachtiging gehandhaafd vanwege de acute onveiligheid van de vader.

De GI verzocht vervolgens om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin en daarna bij de vader. De vader stemde in met het verzoek en kreeg hulpverlening. De moeder verzette zich tegen terugplaatsing bij de vader vanwege zorgen over veiligheid en wantrouwen jegens de GI.

De kinderrechter oordeelde dat de machtiging noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en verlengde deze voor een kortere duur dan verzocht, met het oog op nader onderzoek naar het belang van de minderjarige. Tevens werd een vervolgzitting gepland om de situatie verder te beoordelen.

Uitkomst: De kinderrechter handhaaft en verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing met kritische kanttekeningen over onjuiste spoedinformatie en benadrukt het belang van veiligheid en zorgvuldigheid.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/717304 / JE RK 26-610
Datum uitspraak: 10 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.T. Bol, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse, kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
  • de briefrapportage van de GI van 7 april 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • het stuk van mr. L.H.E.M. Berendse inhoudende een sepotbeslissing van 30 maart 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 7 april 2026;
  • de aanvullende stukken van mr. A.T. Bol, ontvangen op 9 april 2026.
1.2.
Op 10 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. R.W. de Gruijl, waarnemend voor mr. L.H.E.M. Berendse;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 4 april 2027. Bij diezelfde beslissing is de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de vader verlengd tot 4 oktober 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 29 maart 2026 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin verleend tot 12 april 2026.

3.Het aangehouden en gewijzigde verzoek

3.1.
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van vier weken. Aansluitend verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin voor de duur van een maand. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Over de periode tot 12 april 2026 is al beslist.
3.2.
Bij briefrapportage van 7 april 2026 wijzigt de GI het verzoek. De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin tot 10 april 2026 of 13 april 2026. Daarnaast verzoekt de GI vanaf 10 april 2026 of 13 april 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing bij de ouder met gezag, te weten de vader. Ter zitting heeft de GI te kennen gegeven dat er een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin wordt verzocht tot 13 april 2026. Vanaf 13 april 2026 verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing bij de ouder met gezag, te weten de vader, voor de duur van zes maanden.
3.3.
De GI handhaaft het (gewijzigde) verzoek. De GI verwijst daarbij naar de briefrapportage. Afgelopen woensdag heeft [voornaam minderjarige] de vader en de moeder gezien en dit verliep goed. De GI maakt zich wel zorgen over de gehechtheid van [voornaam minderjarige] . Toen zij uit huis werd geplaatst van de moeder naar de vader, ging zij daar heel makkelijk in mee. Dit gedrag werd ook gezien toen zij bij het pleeggezin werd geplaatst. Zij hecht zich gelijk aan het nieuwe gezin. De GI vindt het zorgelijk dat zij daar zo op reageert. Hier dient de komende periode aandacht voor te zijn. Na het incident heeft de GI met de vader, het netwerk en de huisarts gesproken. Het lijkt erop dat het incident, wat ten grondslag ligt aan de plaatsing in het pleeggezin, eenmalig was.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de vader wordt ter zitting ingestemd met het gewijzigde verzoek van de GI. De vader is erg geschrokken van wat er is gebeurd en hij wil overal aan meewerken, zodat dit niet nog een keer gebeurt. Het incident was eenmalig en er is inmiddels een sepotbeslissing genomen. De vader krijgt hulp in de vorm van Specialistische ambulante hulpverlening (SPAM) en zal via de huisarts bloed laten prikken.
4.2.
Door en namens de moeder wordt ter zitting nadrukkelijk verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Er wordt verzocht om het gewijzigde verzoek af te wijzen, zodat [voornaam minderjarige] weer bij haar komt wonen. De moeder wil het liefst zelf voor [voornaam minderjarige] zorgen, maar anders ziet zij liever dat [voornaam minderjarige] in het pleeggezin blijft. De moeder maakt zich ernstig zorgen over de situatie bij de vader. Zij wil dat [voornaam minderjarige] veilig is en veilig opgroeit. Er wordt de moeder verweten dat zij wantrouwend is richting de GI en de hulpverlening. Dat is echter niet zomaar of zonder reden. De moeder heeft binnen de ondertoezichtstelling aan alles meegewerkt, maar maakte zich grote zorgen over de onbegeleide omgang met de vader, gelet op de gebeurtenissen in het verleden zoals vermeld in de ook nu overgelegde raadsrapportage. Ook in de stukken kwamen er forse zorgen naar voren. Doordat deze zorgen er al langere tijd waren, is het onbegrijpelijk voor de moeder dat de GI [voornaam minderjarige] terug wil plaatsen bij de vader. De inzet van SPAM maakt dit niet anders. Tegelijkertijd worden er leugens over de moeder verspreid en is informatie niet kloppend. Zo liggen de ouders niet in een vechtscheiding en is de moeder ook niet opgenomen in een psychiatrische kliniek. Hoe het mogelijk is dat deze informatie is benut voor de spoedbeslissing is voor de moeder een raadsel, het maakt echter haar wantrouwen slechts groter. De moeder had minder moeite met het oorspronkelijke verzoek, omdat tijdens een plaatsing in het pleeggezin alles via een neutrale weg naar voren zou kunnen komen. De moeder maakt zich enorm veel zorgen over wat [voornaam minderjarige] al heeft meegemaakt en zal moeten meemaken als zij weer bij de vader gaat wonen. Dat de vader stelt dat hij geen alcohol meer zal drinken en dat het slechts om een incident gaat, is voor de moeder onvoldoende reden om geen zorgen meer te hebben.

5.De beoordeling

5.1.
[voornaam minderjarige] woonde, met een machtiging tot uithuisplaatsing, bij de vader. Zij is op de avond van 29 maart 2026 met spoed uit huis geplaatst, nadat de vader onder forse invloed van alcohol met [voornaam minderjarige] aangetroffen was in een bus. Daarnaast zou er sprake zijn geweest van mishandeling. De moeder zou in een psychiatrische kliniek verblijven en de oma van moederszijde (mz) zou die avond niet bereikbaar zijn geweest. Aldus de informatie als verstrekt aan de (piket)kinderrechter. De (piket)kinderrechter heeft daarop de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing naar een pleeggezin verleend zodat [voornaam minderjarige] , in de nacht, bij een neutraal pleeggezin is geplaatst. Op de zitting is besproken dat het Crisis Interventie Team (CIT) van JBRR die nacht weliswaar de oma mz heeft geprobeerd te bellen, maar niet bij de oma mz is langs geweest. De moeder verbleef daar eveneens. Voorts is ter zitting gebleken dat de moeder niet in een psychiatrische kliniek verbleef noch daar eerder verbleef. De moeder was op het moment van het incident immers thuis bij de oma mz. Betreffende informatie zou, blijkbaar onjuist, uit de politieregistratie zijn verstrekt.
5.2.
Op basis van de gegeven informatie aan de (piket)kinderrechter is de gegeven beslissing begrijpelijk. Ten tijde van het gebeuren in de bus was de vader immers absoluut niet in staat om voor [voornaam minderjarige] te zorgen; hij was fors onder invloed van alcohol, blies 735µg/l. De moeder en de oma waren niet bereikbaar voor het CIT. De kinderrechter laat de spoedbeschikking van 29 maart 2026 daarom in stand, maar
zij benadrukt dat het meer dan kwalijk is dat thans ter zitting blijkt dat een flink gedeelte van de informatie uit het spoedverzoek onjuist bleek. Bij ingrijpende maatregelen zoals een spoeduithuisplaatsing moet de (piket)kinderrechter er vanuit kunnen gaan dat de informatie die wordt verstrekt juist is.
5.3.
De kinderrechter maakt zich ook verder ernstig zorgen over de situatie van [voornaam minderjarige] . Vanwege het ontbreken van veiligheid bij de moeder is [voornaam minderjarige] eerder uit huis geplaatst bij de vader. Ook daar blijkt [voornaam minderjarige] in een zeer onveilige situatie terecht te zijn gekomen. Daarnaast zijn er in het verleden zorgen geweest over (overmatig) alcoholgebruik door de vader. Dat het zo kort na de afronding van SPAM mis is gegaan, temeer in aanwezigheid van [voornaam minderjarige] , is meer dan zorgelijk. [voornaam minderjarige] is nog maar drie jaar oud en volledig afhankelijk van haar ouders. Het is voor de ouders belangrijk om altijd beschikbaar te zijn voor [voornaam minderjarige] . Het gebeuren van 29 maart kan naar het oordeel van de kinderrechter gelet op de voorgeschiedenis niet simpelweg worden afgedaan als “een incident”. Het dient voor allen om [voornaam minderjarige] heen een duidelijk teken te zijn dat situaties als die op 29 maart jl. niet kunnen en niet mogen voorkomen.
De moeder heeft momenteel alleen begeleide omgang met [voornaam minderjarige] . De GI wilde het contact onbegeleid voortzetten, maar de moeder wil dat alles wordt begeleid en gedocumenteerd, blijkbaar vanuit wantrouwen dat eerder is ontstaan. De kinderrechter heeft aan de moeder meegegeven dat het gegeven dat de GI onbegeleid contact wil inzetten tussen moeder en [voornaam minderjarige] in feite juist vooruitgang betekent. Het is dan ook belangrijk dat de onbegeleide omgang wordt opgestart. Het is de GI nog niet gelukt om goed zicht te krijgen op de thuissituatie bij de moeder. De kinderrechter benadrukt dat het essentieel is dat de moeder openheid van zaken geeft en zich openstelt naar de hulpverlening. Alhoewel de kinderrechter kan begrijpen dat de moeder wantrouwend is geworden, vergt het belang van [voornaam minderjarige] voormelde inzet zodat naar behoren kan worden onderzocht of een eventuele terugplaatsing bij de moeder mogelijk is.
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] Gelet op al het voorgaande acht de kinderrechter het echter van belang om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor een kortere duur dan is verzocht. Het is belangrijk dat de GI de komende periode onderzoekt wat nu werkelijk in het belang van [voornaam minderjarige] is. Mede gezien de ernst van het incident is het belangrijk dat de situatie bij de vader nauwlettend in de gaten wordt gehouden. Alcoholproblematiek is vaak hardnekkig en het is belangrijk dat daar serieus aandacht aan wordt besteed. De kinderrechter is er niet gerust op dat alleen de stelling van de vader, - niet meer te zullen drinken en bloed te prikken bij de huisarts,- de veiligheid van [voornaam minderjarige] voldoende waarborgt. Daarbij is het belangrijk dat beide ouders hun verantwoordelijkheid pakken en beiden de samenwerking met de GI aangaan. Er moet worden onderzocht of en op welke wijze er kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. De kinderrechter zal een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verlenen voor de duur van een maand en zal de beslissing voor het overige aanhouden. De machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin loopt tot 12 april 2026. Gelet op het feit dat [voornaam minderjarige] vanaf 13 april 2026 weer bij de vader zal verblijven, zal de kinderrechter de huidige machtiging verlengen tot 13 april 2026, zoals is verzocht.
5.5.
De GI wordt verzocht uiterlijk4 mei 2026de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) een rapportage te overleggen over de stand van zaken op dat moment en aan te geven of het resterende deel van het verzoek wordt gehandhaafd.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
handhaaft de spoedbeschikking van 29 maart 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin tot 13 april 2026;
6.3.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 13 april 2026 tot 13 mei 2026;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de vader, de moeder, mr. Berendse en mr. Bol op te verschijnen tijdens de zitting van mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, op
7 mei 2026 om 15:30 uur, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Rotterdam,
locatie Rotterdam, aan
Wilhelminaplein 100 / 125 in Rotterdam;
6.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de vader, de moeder, mr. L.H.E.M. Berendse en mr. A.T. Bol;
6.6.
verzoekt de GI om uiterlijk4 mei 2026de sub 5.5. verzochte rapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te doen toekomen;
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 17 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.