Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4613

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
11695212 CV EXPL 25-11301
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.E. Vos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 6:162 BWArt. 7:962 BWArt. 185 WVW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewijsopdracht in geschil over aansprakelijkheid bij fietsongeval tegen het verkeer in

Achmea Schadeverzekeringen vordert van [gedaagde] een bedrag van €203,67 wegens schade aan een auto veroorzaakt bij een aanrijding op 23 april 2019. Achmea stelt dat [gedaagde] tegen het verkeer in fietste en daardoor aansprakelijk is. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat hij in de juiste richting reed en dat de situatieschets op het schadeformulier onjuist is.

De rechtbank constateert dat Achmea haar stelling voldoende heeft onderbouwd met het ondertekende schadeformulier en de schade-expert rapportage, terwijl [gedaagde] zijn betwisting motiveert met een verklaring van een collega. Hierdoor kan de rechtbank nog geen definitief oordeel vellen en geeft zij Achmea een bewijsopdracht om te bewijzen dat [gedaagde] tegen het verkeer in reed.

Achmea krijgt de gelegenheid om schriftelijk bewijs, getuigen of ander bewijs te leveren voor de rolzitting van 19 mei 2026. Pas na bewijslevering en eventuele tegenbewijs kan de rechtbank de vordering toewijzen of afwijzen. De rechtbank wijst buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende onderbouwing, maar zal bij bewezen aansprakelijkheid rente en proceskosten toewijzen.

De procedure wordt aangehouden totdat het bewijs is geleverd en beoordeeld. De kantonrechter mr. M.E. Vos heeft dit vonnis gewezen en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst Achmea een bewijsopdracht toe om te bewijzen dat [gedaagde] tegen het verkeer in fietste; verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11695212 CV EXPL 25-11301
datum uitspraak: 17 april 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Achmea Schadeverzekeringen N.V., die handelt onder de naam
Centraal Beheer Achmea,
vestigingsplaats: Apeldoorn,
eiseres,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Achmea’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 30 maart 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de akte aanvullende producties, met bijlage;
1.2.
Op 2 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. T.M. Boesveld, namens de gemachtigde van Achmea, en de heer [gedaagde] .

2.De beoordeling

Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft op 23 april 2019 als fietser een aanrijding gehad met een automobilist die bij Achmea verzekerd was. De aanrijding vond plaats toen de automobilist het fietspad waar [gedaagde] op fietste overstak. Daarbij is schade ontstaan aan de auto van de automobilist. Achmea heeft deze schade van € 407,37 aan de automobilist vergoed. Volgens Achmea was [gedaagde] verantwoordelijk voor de aanrijding, omdat hij op het fietspad tegen het verkeer in reed toen de aanrijding plaatsvond. Achmea eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld een bedrag van € 203,67 aan Achmea te betalen. Achmea eist de helft van het volledige schadebedrag, omdat zij rekening houdt met artikel 185 van Pro de Wegenverkeerswet. Dat artikel beschermt [gedaagde] , omdat hij als fietser een zwakkere verkeersdeelnemer was dan de automobilist. Achmea eist ook rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis van Achmea. [gedaagde] betwist dat hij op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in fietste. Volgens [gedaagde] was de automobilist verantwoordelijk voor de aanrijding.
2.3.
De kantonrechter kan op dit moment nog geen eindoordeel geven. Achmea krijgt een bewijsopdracht. De kantonrechter licht dit hierna toe.
Achmea krijgt een bewijsopdracht
2.4.
Achmea heeft in deze zaak de bewijslast van haar stelling dat [gedaagde] tijdens de aanrijding tegen het verkeer in reed. Achmea doet namelijk een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten, te weten het bestaan van een betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover Achmea (artikel 150 Rv Pro).
2.5.
Achmea heeft in haar dagvaarding en op de zitting toegelicht dat [gedaagde] en de automobilist na de aanrijding een schadeformulier hebben ingevuld. Dat schadeformulier heeft Achmea als bijlage bij de dagvaarding overgelegd. Op de situatieschets uit dat schadeformulier staat dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding tegen het verkeer in reed. [gedaagde] en de automobilist hebben het schadeformulier allebei ondertekend. Ook de door de schade-expert vastgestelde schade aan de rechter voorkant van de auto strookt met deze situatieschets.
2.6.
[gedaagde] heeft in zijn antwoord en op de zitting betwist dat hij tegen het verkeer in reed. Hij heeft toegelicht dat de situatieschets op het schadeformulier niet klopt. Op het moment van de aanrijding was [gedaagde] op weg naar metrostation Slinge. Hij fietste in de juiste rijrichting. [gedaagde] kan zich niet herinneren dat hij het schadeformulier heeft ondertekend. Toen het schadeformulier werd ingevuld was [gedaagde] nog in shock als gevolg van de aanrijding. [gedaagde] fietste samen met zijn collega [collega] . [gedaagde] heeft bij zijn antwoord een verklaring van [collega] overgelegd. In die verklaring bevestigt [collega] dat hij samen met [gedaagde] op weg was naar metrostation Slinge en dat zij in de juiste richting fietsten.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat Achmea haar stelling voldoende heeft onderbouwd en dat [gedaagde] zijn betwisting voldoende heeft gemotiveerd. Dit betekent dat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde] tegen het verkeer in reed. De rechtbank geeft Achmea daarom een bewijsopdracht voor die stelling.
Hoe gaat de zaak nu verder?
2.8.
Achmea wordt in de gelegenheid gesteld zich bij akte op de rolzitting van 19 mei 2026 uit te laten over de vraag of zij bewijs wenst te leveren, en zo ja de wijze waarop zij dat bewijs wenst te leveren.
2.9.
Direct nadat Achmea bewijs heeft geleverd, mag [gedaagde] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs geleverd is.
2.10.
Als Achmea slaagt in het leveren van het bewijs, zal de kantonrechter de vordering van Achmea van € 203,67 toewijzen. In dat geval is de kantonrechter namelijk van oordeel dat [gedaagde] voor een belangrijk deel verantwoordelijk was voor de aanrijding op 23 april 2019. Dit betekent dat [gedaagde] (een deel van) de schade die Achmea aan de automobilist heeft vergoed aan Achmea moet betalen (artikel 6:162 BW Pro en artikel 7:962 BW Pro). De rechtbank zal in dat geval het gevorderde bedrag toewijzen, omdat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van dat bedrag. Bovendien heeft Achmea in haar dagvaarding terecht rekening gehouden met het feit dat [gedaagde] als zwakkere verkeersdeelnemer betrokken was bij een aanrijding met een automobilist (artikel 185 WVW Pro).
2.11.
Achmea vordert ook wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Als Achmea slaagt in het bewijs, zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 28 augustus 2025. Achmea heeft namelijk gesteld dat [gedaagde] de schadevergoeding uiterlijk op die datum aan Achmea moest betalen. [gedaagde] heeft dat niet betwist.
2.12.
De buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40 zullen worden afgewezen. Het besluit buitengerechtelijke incassokosten is niet van toepassing op de schadevergoedingsvordering van Achmea. Dit betekent dat [gedaagde] alleen buitengerechtelijke incassokosten aan Achmea moet betalen als Achmea daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt. Bovendien moeten die kosten zien op werkzaamheden die uit meer bestaan dan het versturen van een (herhaalde) sommatiebrief. Achmea heeft onvoldoende gesteld dat zij buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt en voor welk bedrag.
2.13.
Als Achmea slaagt in het bewijs zal [gedaagde] ook de proceskosten die Achmea voor deze procedure heeft gemaakt moeten betalen. Die kosten worden in het eindvonnis begroot.
2.14.
Als Achmea niet slaagt in het bewijs zullen haar vorderingen worden afgewezen.
2.15.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
draagt Achmea op om te bewijzen dat [gedaagde] op het moment van de aanrijding op 23 april 2019 tegen het verkeer in fietste;
schriftelijk bewijs
3.2.
bepaalt dat als Achmea schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van
dinsdag 19 mei 2026 om 11:30in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank;
getuigenbewijs
3.3.
bepaalt dat als Achmea getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en
beidepartijen voor de maanden juni, juli en augustus 2026;
3.4.
wijst erop dat Achmea na het bepalen van een datum en plaats voor een eventueel getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen;
ander bewijs
3.5.
bepaalt dat als Achmea op een andere manier bewijs wil leveren, Achmea uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken.
66727