Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4574

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2858
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening WW-uitkering wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om haar aanvraag voor een WW-uitkering af te wijzen wegens het niet voldoen aan de 26-uit-36 wekeneis. De voorzieningenrechter heeft het verzoek niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht van €54,- niet tijdig is betaald en het beroep op betalingsonmacht onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank heeft verzoekster meerdere malen in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te voldoen of haar verzoek nader toe te lichten, maar zij heeft hier geen gehoor aan gegeven. Tevens zijn partijen niet verschenen op de zitting van 16 april 2026. Daarnaast is niet gebleken van een spoedeisend belang, aangezien een besluit van de gemeente Rotterdam over de bijstandsuitkering werd aangepast en alsnog een betaling volgt.

De voorzieningenrechter heeft daarom het verzoek om een voorlopige voorziening niet inhoudelijk beoordeeld en verklaard niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van griffierecht en ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2858

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 april 2026 in de zaak tussen

[naam verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een besluit van het UWV van 24 februari 2026, waarin haar aanvraag voor een Werkloosheidswet (WW-)uitkering is afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Op 5 april 2026 is een nota naar verzoekster verstuurd om het verschuldigde griffierecht van € 54,- te voldoen binnen twee weken na dagtekening van de brief, of als de zitting eerder is, uiterlijk vóór de zitting.
1.2.
Op 7 april 2026 heeft verzoekster een e-mailbericht naar de rechtbank verstuurd. De rechtbank heeft dit bericht opgevat als een beroep op betalingsonmacht/een verzoek om vrijstelling van het betalen van griffierecht. Verzoekster is op 10 april 2026 in de gelegenheid dit verzoek nader te onderbouwen met gegevens.
1.3.
Op 13 april 2026 heeft verzoekster een e-mailbericht naar de rechtbank verstuurd met de vraag om de voorlopige voorziening te bevriezen, omdat een beslissing van de gemeente Rotterdam (met betrekking tot haar bijstandsuitkering) wordt aangepast en zij een terugbetaling ontvangt.
1.4.
Het UWV heeft hierop gereageerd op 14 april 2026.
1.5.
Op 14 april 2026 heeft de rechtbank verzoekster gevraagd of zij aanleiding ziet het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken, dan wel het verzoek wenst voort te zetten.
1.6.
De rechtbank heeft de zaak op 16 april 2026 op zitting uitgeroepen. Partijen zijn zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] Omdat het verzoek om betalingsonmacht is afgewezen, bedraagt het verschuldigde griffierecht € 54,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als de zitting eerder is, dan moet het verschuldigde griffierecht voor de zitting worden betaald. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Verzoekster heeft naar aanleiding van de nota griffierecht per mailbericht van 7 april 2026 aangegeven zich af te vragen hoe zij het griffierecht moet betalen. De rechtbank heeft dit opgevat als een beroep op betalingsonmacht. De rechtbank heeft op 10 april 2026 aan verzoekster gevraagd dit beroep nader met gegevens te onderbouwen.
3. Naar aanleiding van een verzoek tot bevriezing van de voorlopige voorzieningenprocedure van 13 april 2026 heeft de rechtbank op 14 april 2026 aan verzoekster gevraagd om per ommegaande, gelet op de zittingsdatum, aan te geven of verzoekster het verzoek om een voorlopige voorziening wil intrekken en voortzetten. Nadat hierop geen reactie is ingekomen, is de zitting op 16 april 2026 uitgeroepen. Partijen zijn niet verschenen. Niet is gebleken dat verzoekster voor de zitting gegevens heeft aangeleverd over het beroep op betalingsonmacht, dan wel het verschuldigde griffierecht heeft voldaan. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
4. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat ook niet is gebleken van een spoedeisend belang (een financiële noodsituatie) bij de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoekster heeft bij haar verzoek om een voorlopige voorziening weliswaar een besluit van 3 februari 2026 overgelegd waarin is bepaald dat haar bijstandsuitkering wordt geblokkeerd vanaf 1 maart 2026. Verzoekster heeft echter op 13 april 2026 per mailbericht aangegeven dat zij antwoord heeft gekregen van de gemeente Rotterdam dat dat besluit wordt aangepast en dat er alsnog een betaling volgt.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek om een voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.