Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Procedure
- de officier van justitie, mr. C. Goedegebuure;
- de opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, advocaat te Amsterdam.
2.Verzoek
3.Toepasselijk verdrag
4.Identiteit van de opgeëiste persoon
5.Genoegzaamheid van de stukken
‘in the abovementioned act of smuggling cocaine to our country from abroad on 06/03/2021’. Hieruit lijkt te volgen dat de uitlevering ook wordt verzocht wegens de vermeende smokkel van cocaïne. In het stuk met aanvullende informatie wordt niet ingegaan op deze zinsnede. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat dus niet de uitlevering wordt verzocht in verband met verdenking van cocaïnesmokkel, maar dit wordt niet expliciet uitgesloten. Gelet op het specialiteitbeginsel mag de opgeëiste persoon alleen worden uitgeleverd voor de feiten die zijn genoemd in het uitleveringverzoek. Nu deze zin over cocaïnesmokkel er nog wel in staat, zouden de Turkse autoriteiten zich daar op kunnen beroepen en kunnen besluiten om hem ook daarvoor te vervolgen. Dit maakt de bescherming van het specialiteitsbeginsel ineffectief.
act of smuggling cocaine’in de Engelse vertaling van deze zin een (ver)taalfout betreft.
6.Inhoudelijke beoordeling en bespreking verweer
7.Slotsom
8.Advies aan de Minister
9.Toepasselijke artikelen
10.Beslissing
toelaatbaarde uitlevering aan Turkije van [naam], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]), ter strafvervolging van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde uitleveringsverzoek, de daarbij gevoegde arrestatiebevelen en het hiervoor genoemde proces-verbaal van de Openbaar Aanklager.