Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4506

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
10/012966-26
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling diefstal door babbeltruc en bezit vilmes bij oudere vrouw

De rechtbank Rotterdam heeft op 7 april 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een babbeltruc bij een 81-jarige vrouw in haar woning. Daarnaast had de verdachte op een later moment een vilmes voorhanden, wat eveneens strafbaar is.

De diefstal vond plaats op 21 september 2025 in Rotterdam, waarbij de verdachte zich voordeed als nieuwe bewoner van de flat om zo toegang te krijgen tot de woning van het slachtoffer. Samen met een mededader heeft hij een geldbedrag van negenhonderd euro en een muntenverzameling weggenomen. Op 12 januari 2026 werd het vilmes aangetroffen.

De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. De rechtbank heeft rekening gehouden met de ernst van de feiten, de leeftijd van het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn spijt en het feit dat hij in een proeftijd liep. De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest.

Daarnaast is het vilmes verbeurd verklaard en moet de verdachte een schadevergoeding van €1.100,- betalen aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 september 2025. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk samen met zijn mededader. De rechtbank heeft ook de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke deel van een eerdere straf bevolen vanwege het plegen van nieuwe strafbare feiten tijdens de proeftijd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/012966-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 10/259024-23
Datum uitspraak: 7 april 2026
Datum zitting: 24 maart 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres:
[adres 1] ([postcode]) in [plaatsnaam],
gedetineerd in [detentieadres].
Advocaat van de verdachte: mr. Y.L. Zandbergen
Officier van justitie: mr. T. van den Bergh
Benadeelde partij: [benadeelde partij]
Kern van het vonnis
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een babbeltruc bij een slachtoffer op leeftijd. Daarnaast heeft hij een vilmes voorhanden gehad. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.

1.Tenlastelegging

De volledige tenlastelegging houdt in dat
1
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten de
woning gelegen aan de [adres 2], alwaar verdachte en/of zijn mededader zich
buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een geldbedrag (te
weten negenhonderd euro) en/of een muntenverzameling, dat/die geheel of ten
dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te
nemen geldbedrag en/of muntenverzameling onder zijn/hun bereik heeft/hebben
gebracht door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid
en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
door
- aan te bellen bij de woning van [slachtoffer] en/of zich daarbij voor te doen als een
nieuwe bewoner van de flat en/of
- (vervolgens) in die hoedanigheid zich toegang te verschaffen tot die woning door
die [slachtoffer] een marsepeinen varken aan te bieden en/of
- zijn mededader in de woning en/of de slaapkamer te laten en/of
- in de woning meerdere voorwendselen te gebruiken om zijn mededaders in de
gelegenheid te stellen (langer) in de woning te verblijven en/of die [slachtoffer] bezig te
houden, door te vragen naar een glas water en/of die [slachtoffer] de toegang tot de
woonkamer te blokkeren;
2
hij op of omstreeks 12 januari 2026 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 3º van de Wet wapens en
munitie,
te weten een vilmes
voorhanden heeft gehad.

2.Bewijs

2.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de ten laste gelegde feiten.
2.2.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Oordeel van de rechtbank
2.3.1.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van een babbeltruc en aan het voorhanden hebben van een vilmes. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.2. De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd, maar niet uitgeschreven [1] .
1.
De bekennende verklaring van de verdachte [2]
2.
Proces-verbaal van de politie, aangifte van [slachtoffer] [3]
3.
Proces-verbaal van de politie, aanhouding verdachte [4]
4.
Proces-verbaal van de politie, onderzoek wapen [5]
2.3.2.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 21 september 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
in een woning, te weten de woning gelegen aan de [adres 2],
alwaar verdachte en zijn mededader zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond
en, een geldbedrag (te weten negenhonderd euro) en een muntenverzameling, die aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
diezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en dat weg te nemen geldbedrag en
die weg te nemenmuntenverzameling onder hun bereik hebben gebracht door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,
door
- aan te bellen bij de woning van [slachtoffer] en zich daarbij voor te doen als een nieuwe bewoner van de flat en
- vervolgens in die hoedanigheid zich toegang te verschaffen tot die woning door die [slachtoffer] een marsepeinen varken aan te bieden en
- zijn mededader in de woning te laten en
- in de woning meerdere voorwendselen te gebruiken om zijn mededader in de gelegenheid te stellen langer in de woning te verblijven en die [slachtoffer] bezig te houden, door te vragen naar een glas water en die [slachtoffer] de toegang tot de woonkamer te blokkeren;
2
hij op 12 januari 2026 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie Pro I onder 3º van de Wet wapens en
munitie,
te weten een vilmes
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

3.Kwalificatie en strafbaarheid

3.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het aannemen van een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels;
Feit 2:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
3.2.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4.Straf

4.1.
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1 en 2 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal met behulp van een babbeltruc, waarbij een 81-jarige vrouw in haar woning het slachtoffer was. Daarnaast heeft hij op een later moment een vilmes voorhanden gehad. De verdachte is zeer doortrapt te werk gegaan door zich voor te doen als nieuwe bewoner van de flat om toegang tot de woning van het slachtoffer te krijgen, terwijl zijn mededader in de woning zocht naar buit. De verdachte heeft het slachtoffer niet alleen beroofd van haar geld en muntenverzameling, maar heeft ook haar vertrouwen in de medemens grof geschaad. De impact hiervan is extra groot omdat het in haar eigen woning heeft plaatsgevonden. Feiten als deze zijn zeer schadelijk voor de maatschappij, omdat zij het onderlinge vertrouwen tussen burgers ondermijnen. De verdachte heeft hierbij naar eigen zeggen alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin.
4.3.2.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Ter zitting heeft verdachte openheid van zaken gegeven omdat hij zegt het kwalijke van zijn handelen in te zien. Hij heeft aangegeven veel spijt te hebben van wat hij heeft gedaan.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 13 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Wel loopt hij nog in een proeftijd van een andere zaak.
Rapport
Uit het rapport van Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond van 25 juli 2025 blijkt dat het toezicht van de verdachte in die laatste zaak negatief is teruggemeld, omdat hij zich onvoldoende aan de voorwaarden heeft gehouden.
4.3.3.
Oplegging straf
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Gezien de aard van de bewezen feiten en het gegeven dat de verdachte in de proeftijd van een andere veroordeling liep, is een gevangenisstraf van 6 maanden passend. Van deze gevangenisstraf wordt 2 maanden voorwaardelijk opgelegd. Dit voorwaardelijke deel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

5.In beslag genomen voorwerpen

5.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslag genomen vilmes (G7084572) wordt onttrokken aan het verkeer. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om het in beslag genomen geldbedrag van € 80,00 (G7084957) verbeurd te verklaren, om deze aan het slachtoffer toe te kennen en dit bedrag vervolgens in mindering te brengen op de vordering van de benadeelde partij.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging is het eens met de officier van justitie.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
5.3.1.
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 2 wordt het in beslag genomen mes verbeurd verklaard. Het strafbare feit is met betrekking tot het mes gepleegd.
5.3.2.
Teruggave
De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 80,00
aan de verdachte. Uit het dossier blijkt niet dat dit bedrag uit misdrijf afkomstig is. Voor verbeurdverklaring en daarbij toekenning aan het slachtoffer biedt de wet in het kader van een klassiek beslag zoals bedoeld in artikel 94 van Pro het Wetboek van strafvordering geen ruimte.

6.Vordering van de benadeelde partij

6.1.
Vordering [benadeelde partij]
heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 1.100,00 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2.
Standpunt van de officier van justitie
De vordering van de benadeelde partij kan geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade.
6.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging begrijpt dat de verdachte een schadevergoeding moet betalen aan het slachtoffer, maar verzoekt om deze te beperken tot € 900,00, volgens de verdediging blijkens de aangifte de waarde van de contanten en de muntenverzameling die zijn buitgemaakt.
6.4.
Oordeel van de rechtbank
6.4.1.
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de vordering niet (voldoende) betwist. Anders dan de verdediging stelt, ziet de aangifte op een bedrag van € 900,00 in contanten plus de waarde van de muntenverzameling. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering wordt daarom toegewezen. Dit betekent dat de verdachte € 1.100,00 als vergoeding van materiële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
6.4.2.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
6.4.3.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 21 september 2025.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0,00.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging

7.1.
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van
74 dagen, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat deze reeds op 30 januari 2026 door de rechtbank is toegewezen.
7.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert aan dat de vordering al is toegewezen op 30 januari 2026.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De bewezen feiten zijn tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de feiten heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. Daarom wordt de vordering toegewezen en beslist de rechtbank tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte van de straf. Dat de vordering op 30 januari 2026 ook al is toegewezen staat hieraan niet in de weg.

8.Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissingen

De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals onder 2 omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de onder 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 6 (zes) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat
2 (twee) maanden van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart verbeurd voor feit 2: het vilmes (G7084572);
- beveelt de teruggave van het geldbedrag van € 80,00 (G7084957) aan de verdachte;
Voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 10/259024-23)
beveelt de
tenuitvoerleggingvan de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 74 dagen, zoals opgelegd in het vonnis van 22 augustus 2024;
Vordering benadeelde partij
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij] te betalen een bedrag van €
1.100,00, bestaande uit materiële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 21 september 2025 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door de mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0,00 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1
de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij] aan de staat
€ 1.100,00te betalen, en de wettelijke rente vanaf 21 september 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal
11 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.

10.Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:
mr. D.M. Douwes, voorzitter,
en mrs. E. Boersma en D.F. Smulders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Blom-den Haan, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 april 2026.
mr. E. Boersma is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het procesdossier van de voorgeleiding met nummer [proces-verbaalnummer 1].
2.Verklaard tijdens de zitting van 24 maart 2026.
3.Pagina 1 e.v. van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 2].
4.Pagina 38 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 3].
5.Pagina 96 van het proces-verbaalnummer [proces-verbaalnummer 4].