Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding, met bijlagen;
- de brief van [gedaagde] van 24 oktober 2025;
- de rolbeslissing;
- de repliek, met bijlagen.
2.De beoordeling
“Uit dossier blijkt dat er eenmalig een brief naar ons kantooradres verzonden zou zijn. De post is helaas nooit bij ons aangekomen”. In reactie daarop heeft Stedin bij de repliek een aantal brieven overgelegd, waarvan zij stelt dat die naar het adres zijn gestuurd. Ook heeft zij drie brieven overgelegd van 17 april 2025, 24 april 2025 en 19 mei 2025, die volgens haar naar het postadres van [gedaagde] zijn gestuurd. [gedaagde] heeft daar niet meer op gereageerd. Het had in de rede gelegen dat zij had gereageerd op de stelling dat er zowel brieven zijn verstuurd naar het adres zelf als naar het postadres van [gedaagde] . Ook had het voor de hand gelegen dat zij had uitgelegd uit welk “dossier” was gebleken dat er eenmalig een brief naar haar kantooradres was gestuurd, hoe zich dat verdraagt met haar verweer dat zij nooit iets heeft ontvangen, wanneer zij van die brief kennis heeft genomen en waarom toen geen actie is ondernomen. Nu [gedaagde] dat allemaal heeft nagelaten heeft zij haar verweer dat zij niets heeft ontvangen, tegenover de onderbouwde stellingen van Stedin, onvoldoende onderbouwd. Om die reden slaagt het verweer van [gedaagde] niet.