Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4437

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
C/10/703312 / HA ZA 25-600
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:44 lid 1 BWArt. 3:196 lid 1 BWArt. 3:196 lid 3 BWArt. 3:196 lid 4 BWArt. 12 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging echtscheidingsconvenant wegens onvoldoende wilsgebrek en benadeling

De vrouw en de man zijn in 2023 gescheiden en de vrouw vordert vernietiging van het echtscheidingsconvenant wegens een wilsgebrek en benadeling van meer dan een kwart. Zij stelt dat zij onder zware psychische druk en bedreiging het convenant heeft getekend en dat zij onvoldoende is gecompenseerd voor de waarde van de woning en het vermogen in Turkije.

De man betwist deze stellingen en voert aan dat de vrouw vrijwillig en weloverwogen heeft ingestemd met het convenant, dat er extra afspraken buiten het convenant zijn gemaakt en uitgevoerd, en dat de vrouw onvoldoende feiten heeft gesteld ter onderbouwing van haar vorderingen. De rechtbank weegt verklaringen van de gezamenlijke advocaat, videobeelden, en andere stukken mee.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw niet aan haar stelplicht voldoet om te bewijzen dat sprake is van een wilsgebrek of benadeling. De vorderingen tot vernietiging van het convenant, herverdeling, en aanvullende betalingen worden afgewezen. Ook vorderingen tot inzage van bankafschriften en inzicht in Turks vermogen worden afgewezen. De vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/703312 / HA ZA 25-600
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Kandemir,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H. Durdu.

1.De zaak in het kort

De vrouw en de man zijn getrouwd geweest en in 2023 gescheiden. De vrouw vordert vernietiging van het echtscheidingsconvenant vanwege een wilsgebrek dan wel omdat zij voor meer dan een kwart is benadeeld en zij vordert dat de verdeling opnieuw wordt gelast. De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw af en veroordeelt haar in de proceskosten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties 1 tot en met 5, 7, 8 tot en met 11 en 13;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 19;
- de e-mail van de rechtbank met het verzoek productie 6, de videobeelden, en productie 12, de geluidsfragmenten, nog in te dienen omdat deze bij de dagvaarding ontbraken;
- de producties 6 en 12 van de vrouw;
- het B formulier met toelichting van de man van 5 januari 2026, met aanvullende producties 20 tot en met 23;
- een e-mail van de man met productie 5 compleet;
- het B formulier van de man van 13 januari 2026 met nieuwe productie 19 (Rb: bedoeld zal zijn 20): een vertaalde brief van 12 januari 2026 van dhr. Kalkan, een Turkse advocaat; [1]
- de mondelinge behandeling van 15 januari 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Partijen zijn op [datum] 2010 te Felahiye, Turkije, gehuwd. De man had alleen de Turkse nationaliteit, de vrouw zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Nadat ook de man in Nederland kwam wonen zijn partijen gaan samenwonen. In [geboortemaand] 2015 is hun zoon [naam 1] geboren en in [geboortemaand] 2018 hun dochter [naam 2] . In 2021 is de man een verkeersongeluk overkomen. Voor de materiële en immateriële schade heeft hij een vergoeding ontvangen. De man heeft geen familie in Nederland. Hij beheerst het Nederlands niet goed. De vrouw is geboren en getogen in Nederland en heeft een grote familie. Partijen zijn samen eigenaar van een woning in [woonplaats 1] aan de [adres 1] .
3.2.
In september 2023 hebben partijen zich vanwege hun voorgenomen echtscheiding tot een gezamenlijke advocaat gewend, mr. E. Gürcan.
3.3.
Op 6 oktober 2023 hebben partijen een ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant (het convenant) getekend.
3.4.
In het convenant staat voor zover relevant:
“Partijen maken een expliciete rechtskeuze voor
de toepassing van het Nederlandse recht op de afwikkeling van hun
huwelijksvermogensregime.”
“Afwikkeling gemeenschap van goederen
7. Als peildatum voor de omvang en waardering van de te verdelen of te
verrekenen goederen hanteren partijen 6 oktober 2023.
Echtelijke woning
8. Aan partijen behoort in mede-eigendom toe het woonhuis, staande en
gelegen aan het adres: [adres 1] te ( [postcode] ) [woonplaats 1] . Op
deze woning rust een hypotheek.
9. Partijen hebben overeenstemming bereikt dat de man de echtelijke woning
(zoals genoemd onder punt/randnummer 8) krijgt toegedeeld onder de
voorwaarde dat hij de vrouw zal ontslaan uit haar hoofdelijke
aansprakelijkheid van de hypotheekschuld.
10. Partijen spreken ten aanzien van alle bezittingen die zij tijdens het huwelijk in
Nederland en Turkije hebben verkregen het volgende af: De man zal aan de
vrouw met betrekking tot het onroerend goed aan het adres [adres 1]
te [woonplaats 1] een bedrag van € 70.000,- (zegge:
zeventigduizend euro) betalen. Na ontvangst van een bedrag van € 70.000,-
zal de vrouw geen enkele aanspraak/vordering meer hebben ter zake de
bezittingen van de man dan wel van de gezamenlijke bezittingen van partijen.
De vrouw doet dus na ontvangst van het voornoemd bedrag ad € 70.000,-
uitdrukkelijk afstand van al haar aanspraken/rechten ten aanzien van de
bezittingen van de man dan wel alle gemeenschappelijke bezittingen (in
Nederland en Turkije) van partijen. Kortom: de vrouw heeft na ontvangst van
een bedrag van € 70.000,- niets meer van de man - uit welke hoofde dan
ook - te vorderen.
Bankrekening op naam van de vrouw
11. Deze rekening wordt toebedeeld aan de vrouw en het saldo per peildatum
wordt verder niet verrekend tussen partijen.
Bankrekening op naam van de man
12. Deze rekening wordt toebedeeld aan de man en het saldo per peildatum
wordt verder niet tussen partijen verrekend.
Inboedel en auto van partijen
13. Partijen zijn in goed onderling overleg gekomen tot een verdeling van de
inboedelgoederen en de auto, één en ander over en weer zonder nadere
verrekening. Zij verlangen hier verder geen nadere omschrijving van.
Lijftoebehoren
14. De in het bezit van de man casu quo de vrouw zijnde kleding, schoenen,
sieraden horloges en overig lijftoebehoren blijven bij de betreffende partij,
zonder verder verrekening.”
“Vrijwaring en finale kwijting
16. Partijen verklaren dat zij de in dit convenant vermelde waarde van de te
verdelen vermogensbestanddelen naar beste geweten hebben vastgesteld en
waardestijgingen en/of -dalingen komen ten goede aan resp. ten laste van
degene aan wie een vermogensbestanddeel is toegedeeld.
Partijen hebben geenszins beoogd elkaar door voornoemde afspraken over
en weer te bevoordelen. De regeling in dit convenant, is het resultaat van
hun onderhandelingen ter beëindiging van onzekerheid en voorkoming van
geschillen.
17. Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap
met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te
hebben verdeeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de
rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar
te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting te verlenen.”
Verder hebben partijen in het convenant een nihilbeding en een niet-wijzigingsbeding voor wat betreft partneralimentatie afgesproken.
3.5.
Op 9 oktober 2023 heeft de gezamenlijke advocaat namens partijen een gemeenschappelijk verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, met daarbij het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant.
3.6.
Bij beschikking van 19 oktober 2023 van de rechtbank Gelderland is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant maken deel uit van de beschikking.
3.7.
Op 23 oktober 2023 heeft ieder een akte van berusting ondertekend op het kantoor van de gezamenlijke advocaat.
3.8.
Op 26 oktober 2023 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag.
3.9.
De vrouw heeft medio januari 2024 hoger beroep ingesteld tegen de echtscheidingsbeschikking maar zij is daarin niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 24 september 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
3.10.
De vrouw is voorafgaand aan de onderhavige procedure ook in Turkije (een) boedelverdelingsprocedure(s) gestart. De vrouw heeft dit in haar dagvaarding niet vermeld.

4.Het geschil

4.1.
De vrouw vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. het echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan
(productie 6 en productie 7) te vernietiging;
II. de verdeling opnieuw te gelasten;
III. te bepalen dat de man ten titel van overbedeling wat
betreft de echtelijke woning aan de vrouw dient te
betalen EUR 150.000,--;
IV. te bepalen dat de man ten titel van overbedeling wat
betreft het vermogen in Turkije aan de vrouw dient te
betalen EUR 150.000, — ;
V. de man te bevelen zijn bankafschriften van zijn
bankrekening met nummer [rekeningnummer] over te leggen
vanaf 1 januari 2021 tot heden, op straffe van verbeurte
van een dwangsom van € 500,- per dag dat gedaagde hiermee
in gebreke blijft; en te bepalen dat het saldo op
voornoemde bankrekening op 1 juli 2023 bij helfte wordt
verdeeld tussen partijen
VI. te bepalen dat het saldo op de bankrekening van de man op
1 juli 2023 met nummer [rekeningnummer] bij helfte
wordt verdeeld tussen partijen;
VII. de man te bevelen al zijn vermogen in Turkije zoals
opgenomen in de lijst met onroerende zaken (productie 12)
inzichtelijk te maken en de eigendomsbewijzen over te
leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van€ 500,- per dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;
VIII. de man te veroordelen in de kosten van deze
procedure .”
4.2.
De man voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid op grond van artikel 12 Rv Pro, dan wel niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.
4.3.
Op de stellingen en verweren wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Ouderschapsplan
5.1.
De vrouw vordert allereerst om het ouderschapsplan te vernietigen (haar vordering I). De vrouw is met deze vordering bij de handelsrechter aan het verkeerde adres. De echtscheidingsbeschikking, inclusief het ouderschapsplan, is gegeven door de familierechter. Als wijziging van de regelingen in het ouderschapsplan wordt gewenst, moet dit via de verzoekschriftprocedure worden voorgelegd aan de familierechter. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in deze vordering.
De andere vorderingen worden afgewezen
5.2.
De rechtbank is kort gezegd van oordeel dat de vrouw de feitelijke grondslag van haar vorderingen, na gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. Er is daarom geen grond voor vernietiging van het convenant (vordering II). Het gevolg hiervan is dat de rechtbank de verdeling niet opnieuw zal gelasten (vordering III). Dit betekent ook dat de man niet, zoals gevorderd, ten titel van overbedeling alsnog
€ 150.000,- vanwege de voormalige echtelijke woning in [woonplaats 1] (vordering III) aan de vrouw hoeft te betalen noch € 150.000,- terzake vermogen in Turkije (vordering IV). Ook de vordering om afschriften te overleggen van de bankrekening met nummer [rekeningnummer] , vordering V, wijst de rechtbank af. Ook vordering VI: verdeling van het saldo van deze rekening bij helfte wijst de rechtbank af. De man hoeft geen overzicht van onroerende zaken Turkije over te leggen (vordering VII). De rechtbank zal de vrouw in de proceskosten veroordelen omdat zij in de dagvaarding relevante feiten heeft nagelaten te vermelden en nodeloos de vorderingen V en VI heeft ingesteld. Omdat alle vorderingen worden afgewezen, is het niet nodig de procedure in Turkije af te wachten. De rechter kan dit doen, maar is daartoe niet gehouden op grond van artikel 12 Rv Pro. Hier ontbreekt, vanwege de afwijzing van alle vorderingen, enige noodzaak tot aanhouding. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissingen komt.
De stellingen van de vrouw: wilsgebrek voor wat betreft de afspraken in het convenant
5.3.
De vrouw stelt dat er sprake is van vernietigbaarheid van het convenant wegens een wilsgebrek. Zij heeft de afspraken in het convenant niet zo gewild. Volgens de vrouw is sprake van bedreiging, misbruik van omstandigheden, althans dwaling, althans onrechtmatige daad, althans van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het convenant mag en kan worden gehouden.
De rechtbank constateert dat de vrouw in het geheel geen gewijzigde omstandigheden heeft aangeduid, zodat die feitelijke grondslag niet opgaat en verder buiten beschouwing blijft.
5.4.
De vrouw voert over de wilsgebreken aan dat zij het convenant heeft getekend onder zware psychische druk van de man en onder de dreiging van het doden van de vrouw en de dreiging dat zij de kinderen nooit meer zou mogen zien. Volgens de vrouw heeft de man haar tijdens het huwelijk en de echtscheidingsperiode zwaar lichamelijk en geestelijk mishandeld. Zij is door de man geïsoleerd en zij mocht geen contact hebben met vrienden/vriendinnen en/ of haar familie. De man had de paspoorten van haar en de kinderen afgepakt. De vrouw is de woning in oktober 2023 ontvlucht en vervolgens heeft zij in een Blijf van mijn lijf-huis gezeten, waarna zij zelfstandige woonruimte verkreeg waar zij samen met de kinderen verblijft.
5.5.
Ter onderbouwing van haar stellingen heeft de vrouw haar aangifte bij de politie (productie 8 DV), een brief van Veilig Thuis (productie 9 DV) en berichtgeving van de huisarts (het huisartsjournaal, productie 10 DV) in het geding gebracht. Daaruit blijkt volgens de vrouw van huiselijk geweld van de kant van de man. Vanwege het huiselijk geweld heeft zij het convenant getekend. Zij stelt wel aanwezig te zijn geweest bij het eerste gesprek met de gezamenlijke advocaat, maar niet inhoudelijk gesproken te hebben met de gezamenlijke advocaat: de man onderhield alle contacten. Waar de vrouw sprak in de groeps-Whatsapp-chat tussen partijen en de advocaat, werd dat feitelijk door de man gedaan op de telefoon van de vrouw, aldus de vrouw. Ter zitting verklaarde de vrouw de gezamenlijke advocaat een kwartiertje te hebben gezien bij de intake met uitsluitend uitleg over de procedure, en een (enkele) minuut bij het ondertekenen van de akte van berusting. Zij kan zich niet verenigen met de inhoud van het convenant en daarom moet het convenant nietig worden verklaard, aldus de vrouw. Ook is zij voor meer dan een kwart benadeeld. Volgens de vrouw is sprake van waardevolle bezittingen in Turkije, waaronder een perceel grond ter waarde van € 150.000 en de man moet dienaangaande alsnog opening van zaken geven. De letselschade-uitkering aan de man vanwege een verkeersongeval in 2021 is volgens de vrouw ten onrechte niet in de verdeling betrokken. Ook zou de woning méér dan € 500.000,- waard zijn geweest op de peildatum (6 oktober 2023) en een overwaarde hebben vertegenwoordigd van meer dan € 250.000,-. Omdat in het convenant slechts € 70.000,- als vergoeding aan de vrouw is opgenomen is zij benadeeld voor meer dan een kwart.
De stellingen van de man
5.6.
De man betwist dat de vrouw onder invloed van een wilsgebrek het convenant en de akte van berusting heeft ondertekend. Ook van benadeling van meer dan een kwart is geen sprake. De man heeft de vrouw niet mishandeld of bedreigd of onder druk gezet om te tekenen: zij stond zelf achter de afspraken in het convenant. Pas toen haar familie op of vlak na 26 oktober 2023 op de hoogte was gesteld van de echtscheiding zijn er problemen ontstaan. Daarvoor waren partijen het eens. Partijen hebben, toen ze hadden besloten om te gaan scheiden, eerst samen een intakegesprek gehad bij een mediator. Dat verliep moeilijk omdat de man gebrekkig Nederlands spreekt. Toen hebben partijen mr. Gürcan ingeschakeld als gezamenlijk advocaat. Hij spreekt naast Nederlands ook Turks. Hij heeft inhoudelijk met beiden gesproken over de echtscheiding en de vrouw heeft steeds actief deelgenomen aan de gesprekken. De gezamenlijke advocaat heeft van 8 september tot en met 27 oktober 2023 uitgebreid contact gehad met beiden via een groeps-Whatsapp-chat waarin gesprekken zijn gevoerd, zowel in het Nederlands als in het Turks. De man brengt als zijn productie 3 uitdraaien daarvan in het geding. Nergens uit deze Whatsapp-gesprekken blijkt dat de vrouw onder druk is gezet of tegen haar wil handelingen heeft verricht.
Ter onderbouwing legt de man een schriftelijke verklaring van de gezamenlijke advocaat van partijen over (productie 5 bij CvA) waarin onder andere staat:
“(…) Van begin tot einde zijn beide partijen betrokken geweest bij de totstandkoming van alle stukken (bijvoorbeeld: het gemeenschappelijk echtscheidingsverzoek, echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan).
Er hebben met partijen twee (inhoudelijke) besprekingen plaatsgevonden op 8 september 2023 en 23
oktober 2023. Bij die gelegenheden heb ik geen enkel zware psychische druk gezien die op de vrouw
is uitgevoerd, integendeel de vrouw kwam mij als een heel normaal en ontspannen persoon over.
Tussen partijen was sprake van een fatsoenlijke communicatie, waarbij zij zeer netjes waren naar
elkaar toe (en er geen enkel verwijt naar elkaar toe werd gedaan). Van enige vorm van bedreiging of
uitoefening van druk naar elkaar toe was derhalve totaal geen sprake van.
Meteen na het eerste gesprek heb ik voor partijen - vanwege de volledige transparantie voor partijen
naar elkaar toe en richting de advocaat toe - een groepsapp aangemaakt op WhatsApp, zoals dat
binnen Can Advocatuur gebruikelijk is, waarbij zeer intensief en over kleinste details inhoudelijk is
gecommuniceerd (en contact is geweest) met beide partijen. Op bepaalde punten heeft juist de
vrouw mijn vragen beantwoord, aangezien zij de Nederlandse taal machtiger is dan de man.
De vrouw heeft ingestemd met het ouderschapsplan en het echtscheidingsconvenant. Beide partijen
hebben uitdrukkelijk hun akkoord op die documenten gegeven. Tevens hebben zij beiden akkoord
gegeven op het gezamenlijk verzoekschrift tot echtscheiding, waarbij partijen hun wens hebben
uitgesproken om het ouderschapsplan en het convenant door de rechtbank te laten waarmerken en
te hechten aan de echtscheidingsbeschikking.
Het is dus niet juist dat de vrouw nimmer met de gezamenlijke advocaat inhoudelijk over de
echtscheiding heeft gesproken. (…)”
5.7.
Volgens de man was het besluit te gaan scheiden gezamenlijk genomen en hebben partijen toen afgesproken dat zij omwille van de kinderen bij elkaar in de buurt zouden blijven wonen. Partijen hadden al een woning voor de vrouw gevonden. De man zou deze woning middels een hypothecaire lening financieren. Zij hebben hierover gesprekken gevoerd met de heer [naam 3] van het verkoopteam [nieuwbouwproject] . De man wijst op diens schriftelijke verklaring (productie 2 bij CvA) waarin onder andere staat:
“Op uw verzoek wil ik volgende aangeven wat mijn ervaring is inzake de gesprekken omtrent de aankoop van de woning in het project [nieuwbouwproject] :
- Tot met heden heb ik de meeste contacten gehad met uw vrouw gehad
- Deze heb ik tot met heden als prettig ervaren
- Mevrouw heeft altijd aangeven wat jullie samen willen voor de aankoop
van de woning
- Zoals welke opties er gewenst zijn
- Ook tijdens de bezichtiging op 11 september 2023 in de voorbeeldwoning in [locatie] te [woonplaats 2] is de sfeer goed geweest
- Tijdens deze bezichtiging heb ik ervaren dat u samen op één lijn zit in de keuzes die jullie wensen
- Ook tijdens het gesprek op het kantoor van Bremavo, 2 oktober 2023, was de sfeer goed en vulden jullie elkaar goed aan
- De overeenkomst hebben wij gezamenlijk doorgenomen waarbij uw partner de vertaling heeft gedaan en uitleg heeft gegeven wat besproken is
Ik hoop dat ik hiermee de sfeer van de gesprekken goed heb kunnen aangeven.”
5.8.
De man wijst erop dat de stukken die de vrouw heeft aangeleverd ter onderbouwing van haar stellingen over mishandeling en gedwongen isolement (verklaringen van Veilig Thuis, de aangifte van de vrouw en het journaal van de huisarts) dateren van ná ondertekening van het convenant en de inmenging door de familie van de vrouw. Haar familie heeft de vrouw onder druk gezet. De gang naar het Blijf van mijn lijf-huis heeft de vrouw volgens de man gemaakt om oneigenlijke redenen.
Ook zou de familie van de vrouw op 28 oktober 2023 de man hebben mishandeld in de woning en de vrouw daaruit hebben meegenomen. De man heeft ter onderbouwing van hetgeen is voorgevallen die dag videobeelden (betreffende de ingang en naaste omgeving van de woning) in het geding gebracht.
5.9.
De man voert voorts aan dat de vrouw en haar familie hebben geprobeerd, ten tijde van het door de vrouw ingestelde hoger beroep tegen de echtscheidingsbeschikking, de man in diskrediet te brengen door identiteitsfraude te plegen. Zij hebben het daarbij doen lijken alsof het de man was die de auto ging verkopen die partijen in onderling overleg hadden toegedeeld aan de vrouw. De man heeft zijn aangifte van deze identiteitsfraude ook in het geding gebracht.
5.10.
De man betwist voorts dat sprake is van waardevolle bezittingen in Turkije, wijst erop dat de vrouw haar stellingen dienaangaande niet heeft onderbouwd of gespecificeerd, en brengt ten aanzien van de woning in [woonplaats 1] een taxatierapport in het geding waaruit blijkt dat de marktwaarde van de woning op 15 augustus 2023 is getaxeerd op € 435.000,-.
5.11.
De man voert tenslotte aan dat naast het in het convenant afgesproken bedrag van
€ 70.000,-, partijen ook zijn overeengekomen dat de vrouw nog eens € 70.000,- zou ontvangen in contanten én dat de vrouw dat ook daadwerkelijk heeft ontvangen, evenals het Turkse (huwelijks)goud.
De vrouw heeft ten onrechte nagelaten de rechtbank hierover te informeren. Het was op het uitdrukkelijke verzoek van de vrouw dat de mondelinge afspraak over de tweede
€ 70.000,- en het Turkse huwelijksgoud buiten het convenant is gebleven, aldus de man. De man overlegt aangaande deze extra mondelinge afspraak wederom een verklaring van de gezamenlijke advocaat van partijen (productie 15 bij CvA):
“(…) Partijen hebben bewust gekozen om in het voornoemd convenant op te nemen dat de man aan de vrouw een bedrag van€ 70.000 zou betalen. Partijen hebben naast dit bedrag (dus voornoemd € 70.000) nog afgesproken dat de man extra een bedrag van € 70.000 contant aan de vrouw zou betalen. In totaal zou de vrouw dus € 140.000 van de man ontvangen. Voorts zou de man dat laatste bedrag nog aanvullen door al of merendeel van het goud aan de vrouw te geven. Deze keuze van partijen (om niet het gehele bedrag van € 140.000 in het convenant op te nemen) had te maken met het feit dat de vrouw niet wilde dat zij in de problemen zou komen met de Belastingdienst en overige instanties als de man het gehele bedrag van € 140.000 op het rekeningnummer van de vrouw zou storten. Op 5 oktober 2023 is dit rond 18.00 uur telefonisch met beide partijen nog besproken. De advocaat heeft toen begrepen dat de vrouw het goud en het contant geld ad € 70.000 reeds had ontvangen en dat zij beiden vervolgens het convenant zouden ondertekenen en de ondergetekende documenten (ouderschapsplan en het convenant) bij de advocaat afgeven. Uiteindelijk is dat ook gebeurd en heeft de advocaat deze documenten in goede orde ontvangen. De man zou vervolgens nog het bedrag dat genoemd is in art. 10 van Pro het convenant aan de vrouw betalen. Of de man dat bedrag van € 70.000 ook daadwerkelijk aan de vrouw heeft voldaan, is mij overigens niet bekend. (…)”
Namens de man is op 1 januari 2025 een e-mail gestuurd naar de advocaat van de vrouw, mr. Kandemir, met de mededeling dat de man de rest van het afgesproken bedrag (art. 10 convenant Pro) wenst over te maken, en circa twee weken later is nog een herinneringsmail gestuurd naar mr. Kandemir. Op de mails is geen reactie ontvangen.
Geen sprake van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden
5.12.
Een rechtshandeling is vernietigbaar, wanneer zij door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen (artikel 3:44 lid 1 BW Pro). Op grond van artikel 150 Rv Pro is het aan de vrouw om voldoende feiten te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat het haar vanwege bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden, destijds heeft ontbroken aan de (vrije) wil om de afspraken in het convenant te maken. De vrouw voldoet niet aan die stelplicht zoals uit het navolgende blijkt.
5.13.
Op 10 augustus 2023 heeft de vrouw de huisarts gemeld dat het niet goed gaat thuis, dat haar partner gewelddadig is, fysiek, dat hij haar manipuleert en haar leven controleert en haar isoleert van haar familie, en dat hij naar buiten deze regio wil verhuizen. Haar huisarts heeft haar in reactie daarop gewezen op de mogelijkheid van een Blijf van mijn lijf-huis. Op 24 augustus 2023 meldt de vrouw bij de huisarts slechts aanhoudende pijnklachten in haar been waarmee het volgens haar melding op 28 september 2023 weer beter gaat; pas op 7 november 2023, na het tot stand komen van de echtscheiding en nadat op of vlak na 26 oktober 2023 de familie van de vrouw op de hoogte raakte van de echtscheiding, meldt de vrouw weer spanningen met haar (ex-)partner.
De melding bij de huisarts van 10 augustus 2023, dus van kort voordat partijen zich tot hun gezamenlijke advocaat wendden, is de enige aanwijzing uit de periode van vóór de scheiding dat de vrouw toen dwang en controle en geweld vanuit de man ervoer maar dit vindt geen steun in andere stukken. En hoewel de huisarts dus al op 10 augustus 2023 op de mogelijkheid van een Blijf van mijn lijf-huis wijst heeft de vrouw het convenant wel ondertekend en gaat het in de latere berichtgeving aan de huisarts niet meer over spanningen met de man. Dat is pas weer het geval na de totstandkoming van de echtscheiding en na bemoeienis van familie van de vrouw.
5.14.
Tegenover de politie, in haar aangifte van 11 december 2023, verklaarde de vrouw dat de huisarts op 10 augustus 2023 geen letsel bij haar heeft waargenomen. De aangifte van mishandeling is van na de echtscheiding en nadat de familie van de vrouw daarvan op de hoogte raakte. Daarvóór heeft de vrouw geen aangifte tegen de man gedaan. De vrouw heeft ook geen (eerder) bewijs van letsels of van eerdere meldingen omtrent geweld, of verklaringen van anderen overgelegd uit de periode (ruim) voorafgaand aan de echtscheiding waaruit de door haar gestelde problematiek kan blijken. Dat laat zich moeilijk rijmen, naar het oordeel van de rechtbank, met de ernst van de geuite beschuldigingen.
5.15.
De rechtbank leest in de groeps-Whatsapp-chat van partijen met de gezamenlijke advocaat een open en meewerkende communicatie van de vrouw, met de wens om de echtscheiding spoedig te regelen. De gezamenlijke advocaat legt de regelingen aan hen beiden voor zoals ze ook in het convenant zijn komen te staan. Er blijkt uit deze Whatsapp-berichten niet dat de vrouw onder druk is gezet of dat de man de vrouw gedwongen heeft om het convenant te tekenen. Ook blijkt hier niet uit dat de man namens de vrouw heeft gecommuniceerd richting de advocaat. De vrouw heeft ook niet toegelicht welke berichten in het bijzonder feitelijk door de man zouden zijn geschreven op haar telefoon en (dus) onder haar naam.
5.16.
De vrouw heeft de akte van berusting getekend op het kantoor van de gezamenlijk advocaat. Zij heeft ter zitting verklaard dat zij zelf naar Arnhem is gereden en op het kantoor van mr. Gürcan haar handtekening heeft gezet.
Hieruit blijkt niet dat de vrouw niet uit eigen vrije wil de akte van berusting heeft ondertekend.
5.17.
De schriftelijke verklaring van de gezamenlijke advocaat houdt kort gezegd in dat de vrouw wist wat ze afsprak met de regelingen in het convenant en dat zij deze afspraken ook wílde maken, dat er geen enkele indruk bestond van bedreiging of ongeoorloofde druk door de man, dat de verhoudingen goed waren en dat de communicatie met beide partijen op prettige wijze verliep. Zo schrijft de gezamenlijke advocaat: “
Alles is met instemming en volgens de wensen van beiden verlopen en beide partijen waren tevreden.”
Dit ondersteunt de verklaring van de man dat de vrouw achter de afspraken in het convenant stond.
5.18.
De heer [naam 3] verklaart kort gezegd dat hij bij gesprekken over de aankoop van een nieuwbouwwoning vlak voor de echtscheiding, de meeste gesprekken heeft gehad met de vrouw en dat sfeer tussen de man en de vrouw goed was en dat zij op één lijn zaten.
Dit ondersteunt de verklaring van de man dat de verhouding tussen hem en de vrouw goed was en dus niet de verklaring van de vrouw dat zij gedwongen werd door de man.
5.19.
De man heeft een e-mail van de vrouw van 28 maart 2023 in het geding gebracht die de vrouw aan de letselschadeadvocaat van de man schreef. Daarin schrijft zij onder meer dat zij altijd veel steun heeft gehad aan de man maar dat deze steun na het ongeluk op 22 augustus 2021 is weggevallen.
Hieruit blijkt niet van bedreiging, mishandeling of isolatie van haar door de man, integendeel. Dat, zoals de vrouw hierover aanvoerde, niet zij maar de man deze e-mail geschreven zou hebben onder haar naam, is door de man betwist en de vrouw onderbouwt dat vervolgens niet. In het bijzonder had het op de weg van de vrouw gelegen een logische reden aan te voeren waarom de man er eind maart 2023 in de verhouding tot zijn letselschadeadvocaat belang bij zou kunnen hebben gehad uit naam van de vrouw een onwaar bericht over hun onderlinge verhouding te sturen. De vrouw heeft dat nagelaten zodat de rechtbank het ervoor houdt dat de vrouw deze e-mail zelf heeft geschreven en achter de inhoud van haar e-mail stond op dat moment. In de e-mail geeft de vrouw ook aan:
“Na het ongeluk is mijn leven totaal veranderd op een negatieve manier. Wij hebben besloten om te gaan scheiden maar ook daar sta ik totaal alleen voor. Mijn man is zowel lichamelijk en geestelijk niet in staat om dingen te regelen. (…) Eindelijk is het[letselschade-, toevoeging Rb]
dossier van mijn man afgesloten. Hoe loopt het met mijn dossier. Ik wil er graag meer over weten en geïnformeerd worden. (…)”
De vrouw heeft niet uitgelegd hoe haar mededeling dat de man lichamelijk en geestelijk niet in staat is om dingen voor de echtscheiding te regelen, zich verhoudt tot haar stellingen in deze procedure.
5.20.
Uit de videobeelden van 28 oktober 2023 blijkt niet dat de vrouw de woning met de kinderen is ontvlucht, zoals zij stelt in haar aangifte van mishandeling en in haar melding bij Veilig Thuis (zie hierna, onder 5.21.). Wel blijkt dat de vrouw die dag uit de woning is vergezeld door – kennelijk – haar moeder en dat ook diverse mannelijke familieleden van de vrouw de woning eerst zijn binnengegaan. Op eerdere beelden van die dag is te zien dat de man met de kinderen de woning was binnengegaan. Dit beeldmateriaal ondersteunt de verklaring van de man – en dus niet de verklaring van de vrouw – dat een aantal mensen de woning is ingegaan. De beelden wekken de indruk dat de vrouw moest doen wat haar gezegd werd door (haar) familie. Wat de vrouw in haar aangifte verklaart over 28 oktober 2023, namelijk dat zij buitengesloten werd door de man, is ook niet terug te zien op dit videomateriaal.
5.21.
Uit de brief van Veilig Thuis van 19 december 2023 blijken aanwijzingen dat de vrouw en haar familie tegenover de politie bij het incident op 28 oktober 2023 opzettelijk de onware mededeling hebben gedaan dat de man op dat moment psychotisch zou zijn. Verder blijkt uit de brief van Veilig Thuis dat partijen over de gebeurtenissen op 28 oktober 2023 geheel verschillend hebben verklaard.
5.22.
De voorgaande feiten en omstandigheden getuigen dus niet van zware psychische druk door de man of bedreiging door hem van de vrouw, noch van lichamelijke en geestelijke mishandeling in de periode rond de echtscheiding en het tekenen van het convenant. Ten overvloede wordt overwogen dat de vrouw ter zitting desgevraagd verklaarde dat zij tot twee jaar vóór de echtscheiding gewoon contact had met haar familie in [woonplaats 1] .
5.23.
De vrouw heeft na de gemotiveerde betwisting door de man haar stellingen, dat gedurende het gehele huwelijk sprake was van psychische en lichamelijke mishandeling en van gedwongen isolement door de man, en waar dat uit kan blijken, niet nader uitgelegd en onderbouwd.
In het bijzonder heeft zij niet specifiek nader onderbouwd, dat en hoe ze (daardoor) is gedwongen om het convenant te ondertekenen, vervolgens de gezamenlijke echtscheidingsaanvraag te laten indienen (met daarbij het verzoek om het convenant deel uit te laten maken van de beschikking), en is gedwongen om de akte van berusting te ondertekenen, noch heeft zij uitgelegd waaruit kan blijken dat de vrouw anderszins daarbij steeds onder invloed van een wilsgebrek handelde. Dat had wel op haar weg gelegen. Voor een bewijsopdracht aan de vrouw is geen plaats, want de vrouw heeft niet aan haar stelplicht voldaan.
Daarbij komt nog het volgende. De rechtbank heeft ter zitting een assertieve vrouw gezien en gehoord, die in Nederland is geboren en opgegroeid, met een groot (familie)netwerk, die bij doorvragen goed blijkt te weten hoe het in Nederland werkt. Tot een aantal jaren geleden had de vrouw een goede baan: zij werkte 15 jaar op de debiteurenafdeling bij KPN. De rechtbank kan dat niet rijmen met de stellingen die de vrouw ten grondslag legt aan de door haar gevorderde vernietiging van het convenant. Uit eigen waarneming heeft de rechtbank in ieder geval geen aanwijzingen gekregen dat de vrouw al jaren in de door haar geschetste problemen zat van (onder meer) geweld, bedreiging en gedwongen isolement door de man. Dat de man met boosheid reageerde (of naderhand strafbare feiten tegen de vrouw heeft begaan) nadat de vrouw hoger beroep had ingesteld, de procedure(s) in Turkije was begonnen en de onderhavige procedure is gestart, is niet gesteld of gebleken.
Ook overigens is niets gebleken van een gewelddadige of dominante inslag van de man. Integendeel wordt de man door zijn behandelaar bij Cirya GGZ ( [naam 4] ) in diens verklaring van 3 juni 2024 (productie 8 bij CvA) beschreven als het tegenovergestelde van iemand die zijn vrouw en kinderen kwaad zou kunnen doen.
Benadeling voor meer dan een kwart niet voldoende onderbouwd
5.24.
Indien bij een verdeling één van de partijen heeft gedwaald over de waarde van een of meer goederen en schulden en daardoor voor meer dan een kwart is benadeeld, kan deze partij de verdeling vernietigen (artikel 3:196 lid 1 BW Pro). Om te beoordelen of benadeling heeft plaatsgehad, worden de goederen en schulden der gemeenschap geschat naar hun waarde op het tijdstip van de verdeling (artikel 3:196 lid 3 BW Pro). Ook hier geldt dat het op grond van artikel 150 Rv Pro aan de vrouw is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat van deze benadeling sprake is.
5.25.
De vrouw heeft daarvoor niet voldoende feiten en omstandigheden gesteld. Dat blijkt uit het volgende.
Ten eerste heeft de vrouw ter zitting tegenover de rechtbank erkend dat partijen beschikten over Turks huwelijksgoud. Volgens de man, in zijn conclusie van antwoord, maakte dit deel uit van de afspraken tussen partijen die buiten het convenant om extra zijn gemaakt en uitgevoerd: de vrouw kreeg in contanten nóg € 70.000,-, alsmede het Turkse huwelijksgoud. Dat is bevestigd in de verklaring van de gezamenlijke advocaat van partijen. Deze heeft ook verklaard dat hij had begrepen dat de vrouw op 5 oktober 2023 al de beschikking had gekregen over € 70.000,- in contanten en het Turkse huwelijksgoud.
De vrouw heeft ter zitting weersproken dat mondeling extra afspraken zijn gemaakt buiten het convenant om, en ook, dat zij het Turkse huwelijksgoud reeds heeft ontvangen: het zou nog bij de man zijn. Maar opmerkelijk is dat de vrouw in haar dagvaarding het Turkse huwelijksgoud helemaal niet noemt en daar ook geen vordering over instelt. Ter zitting is de vrouw gevraagd of zij in de door haar aanhangig gemaakte boedelverdelingsprocedure(s) in Turkije wél een vordering heeft ingesteld over het Turkse huwelijksgoud maar ook daar heeft de vrouw niets over het Turkse huwelijksgoud gevorderd, zo verklaarde zij toen. De vrouw heeft niet uitgelegd waarom zij in beide procedures niet over het goud is begonnen, ondanks dat dit volgens haar nog bij de man is. Dit biedt daarom, naast de verklaring van de gezamenlijke advocaat, verdere ondersteuning aan de stelling van de man dat buiten het convenant om extra afspraken zijn gemaakt waaraan al was voldaan, en dat er dus op andere wijze is verdeeld dan op papier is afgesproken in het convenant, namelijk doordat er nog
€ 70.000,- extra is ontvangen door de vrouw en zij bovendien over het Turkse huwelijksgoud (met onbekende waarde) is komen te beschikken.
5.26.
Het is dus niet helder van welke gemeenschappelijke goederen en schulden partijen volgens de vrouw zijn uitgegaan bij de in het convenant (en buiten het convenant om) overeengekomen verdeling, en met welke aangenomen waardes partijen volgens de vrouw hebben gerekend en hadden moeten rekenen.
Het blijkt dat voor zover de vrouw wel een onderbouwing met bedragen heeft gegeven, deze niet juist is of incompleet. Zo stelt de vrouw, maar heeft de vrouw niet onderbouwd, met bijvoorbeeld een eigen taxatie, dat de waarde van de woning in [woonplaats 1] € 500.000,- of meer bedroeg, terwijl de man dat heeft betwist onder overlegging van een taxatierapport dat uitkomt op € 435.000,-.
5.27.
De vrouw stelt voorts dat zij (ook) benadeeld is omdat de letselschade-uitkering aan de man niet in de verdeling is betrokken, maar tijdens het huwelijk door de man is overgeboekt naar Turkije. De man heeft echter bij conclusie van antwoord aangevoerd dat deze schadevergoeding op de en/of rekening van partijen bij de ING-bank is gestort ( [rekeningnummer] ) en na de beruchte aardbeving in Turkije (van 6 februari 2023) door de
vrouw naar getroffen familieleden in Turkije is overgeboekt. De man voert aan dat de vrouw in augustus 2023 de ING-bank heeft verzocht deze bankrekening te wijzigen en op één naam te stellen, te weten op naam van de man. Dit blijkt uit zijn productie 17 bij CvA: de brief die de ING-bank op 21 augustus 2023 naar de man stuurde. Daarin staat dat de ING-bank van de vrouw het verzoek heeft ontvangen om de tenaamstelling van de rekening te wijzigen en de rekening op uitsluitend de naam van de man te stellen, maar dat daar de toestemming van de man voor nodig is. De man wijst erop dat de vrouw in haar dagvaarding dus ten onrechte stelt dat zij geen kennis heeft van de transacties op de betreffende rekening en ten onrechte de bankafschriften van deze rekening vordert.
De vrouw, geconfronteerd met de brief van de ING-bank, heeft ter zitting één en ander niet uitgelegd. Zij had dit wel moeten uitleggen. Immers, zij stelt de vorderingen V en VI in. De vraag rijst, gelet op die door de vrouw ingestelde vorderingen V en VI, met welk doel de vrouw die wijziging van de tenaamstelling buiten de man om wilde bewerkstelligen toen zij de aanvraag daarvoor in augustus 2023 deed. De man wijst erop, dat na die wijziging van de tenaamstelling, het lijkt alsof het geld van de letselschade-uitkering destijds nadat het was uitgekeerd,
door de man van zijn eigen rekeningnaar Turkije was overgeboekt.
De rechtbank constateert dat de vrouw in ieder geval had moeten vermelden in haar dagvaarding dat zij korte tijd voorafgaand aan de echtscheiding zelf bewerkstelligde dat genoemde rekening van een en/of rekening zou wijzigen in een rekening op naam van de man. Zij heeft daarmee in strijd met haar waarheids- en volledigheidsplicht gehandeld. Ook heeft zij haar stelling dat de schadevergoeding in de verdeling had moeten worden betrokken maar dat niet is, niet voldoende gemotiveerd gehandhaafd.
5.28.
De slotsom is dat de vrouw aanvankelijk bij dagvaarding al niet voldeed aan haar stelplicht waar zij aanvoert dat zij is benadeeld voor meer dan een kwart. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man heeft zij deze stelling ook niet gemotiveerd gehandhaafd.
5.29.
Indien de vrouw haar stelling dat zij voor meer dan een kwart is benadeeld wel voldoende zou hebben onderbouwd zou daarmee de vernietigbaarheid van de verdeling op grond van dwaling nog geen gegeven zijn. Partijen hebben in het convenant dan wel niet de term vaststellingovereenkomst gebruikt, maar de zinsnede “
De regeling in dit convenant, is het resultaat van hun onderhandelingen ter beëindiging van onzekerheid en voorkoming van geschillen.”Dat duidt erop dat partijen de bedoeling hadden de verdeling te hunner bate of schade te aanvaarden als bedoeld in artikel 3:196 lid 4 BW Pro en dat zij de verdeling op deze wijze definitief wilden regelen. Dit volgt ook uit de verklaring van de gezamenlijke advocaat:
“Partijen hebben met het convenant, meer door het opnemen van voornoemd artikel 10 beoogd Pro om ten aanzien van al hun bezittingen zowel in Turkije als in Nederland een allesomvattende regeling/afspraak te treffen, beide partijen zouden na ondertekening van het convenant over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.”
Vordering II, III en IV worden afgewezen
5.30.
De vorderingen onder II, III en IV kunnen pas aan de orde komen indien het convenant vernietigd zou worden. Omdat het convenant in stand blijft komen het opnieuw gelasten van een verdeling (vordering II) met bepaling van extra overbedelingsbedragen als gevorderd onder III en IV niet aan de orde. Daarom worden deze vorderingen afgewezen.
Het verstrekken van bankafschriften (vordering V): afwijzing
5.31.
De vrouw vordert de man te bevelen alle bankafschriften over te leggen van zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer] , van 1 januari 2021 tot heden. De man heeft echter gesteld en middels stukken onderbouwd dat de vrouw mede-rekeninghouder was van deze en/of rekening. De vrouw heeft hierop ter zitting niet meer gereageerd en dus haar stellingen tegenover deze gemotiveerde betwisting niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet niet in wat het belang van de vrouw is bij haar vordering omdat zij reeds uit hoofde van haar mede-rekeninghouderschap aan de bank om de rekeningafschriften kan vragen. De vrouw heeft de vordering nodeloos ingesteld. De rechtbank wijst deze vordering daarom af.
Een verdeling van het saldo van de bankrekening (vordering VI): afwijzing
5.32.
De vrouw vordert verdeling van het saldo van voormelde bankrekening bij helfte per 1 juli 2023, dus toen de bankrekening sowieso nog gezamenlijk was. In het convenant is geen gezamenlijke rekening genoemd. Als peildatum voor de omvang en de waardering hebben partijen in het convenant 6 oktober 2023 aangehouden. De wijziging van en/of naar een rekening op naam van de man had toen, naar de rechtbank aanneemt, al plaatsgevonden. Deze rekening valt dan onder de omschrijving in het convenant:
“bankrekening op naam van de man”(artikel 11 en Pro 12 van het convenant) en hiervoor is al een regeling in het convenant getroffen zodat er niets meer te verdelen valt.
5.33.
Voor de situatie dat deze rekening per de peildatum toch nog (steeds) op naam van beiden stond, is artikel 10 van Pro het convenant van belang:

Na ontvangst van een bedrag van € 70.000,- zal de vrouw geen enkele aanspraak/vordering meer hebben ter zake de bezittingen van de man dan wel van de gezamenlijke bezittingen van partijen.
De vrouw doet dus na ontvangst van het voornoemd bedrag ad € 70.000,- uitdrukkelijk afstand van al haar aanspraken/rechten ten aanzien van de bezittingen van de man dan wel alle gemeenschappelijke bezittingen (…) van partijen. Kortom: de vrouw heeft na ontvangst van een bedrag van € 70.000,- niets meer van de man - uit welke hoofde dan ook - te vorderen.”
De vrouw moet het dus doen met de € 70.000,- die is overeengekomen en heeft voor het overige niets meer te vorderen. De vordering wordt afgewezen.
5.34.
Ten overvloede wordt het volgende opgemerkt. De man wilde de in het convenant overeengekomen € 70.000,- betalen, zoals ook blijkt uit de e-mail van zijn advocaat van 13 januari 2025 (productie 16 bij dagvaarding), maar de vrouw heeft niet op het aanbod in die e-mail gereageerd. Zoals namens haar ter zitting is meegedeeld was dat omdat de vrouw al het geld waar zij recht op meent te hebben in één keer wil ontvangen. Zij heeft over dit bedrag ad € 70.000,- geen vordering ingesteld. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om in het dictum te bepalen dat de man dit bedrag alsnog moet betalen, hoewel partijen het erover eens zijn dat dat wel het geval is.
Vermogen in Turkije (vordering VII)
5.35.
De vrouw vordert dat de man wordt bevolen zijn vermogen in Turkije inzichtelijk te maken zoals opgenomen in de (Turkstalige en voor de rechtbank dus niet begrijpelijke) lijst met (volgens de vrouw) onroerende zaken in Turkije. De man betwist de lijst en dat er vermogen in Turkije is waarvan de vrouw niet op de hoogte was. De vrouw heeft vervolgens de lijst niet toegelicht.
5.36.
De rechtbank overweegt het volgende. De vrouw heeft in het convenant afstand gedaan van het vermogen in Turkije, ten gunste van de man, tegenover een totaalregeling die betaling aan haar inhield van € 70.000,-. Omdat het convenant niet vernietigd wordt en de vrouw dus aan de verdeling zoals daarin omschreven gebonden is en blijft, heeft de vrouw geen belang bij het (verder) inzichtelijk maken van het vermogen in Turkije en het overleggen van eigendomsbewijzen van onroerende zaken in Turkije. De rechtbank wijst ook deze vordering af.
Procedure in Turkije
5.37.
De man heeft aangevoerd dat de vrouw (een) boedelverdelingsprocedure(s) aanhangig heeft gemaakt in Turkije, eerder dan de onderhavige procedure, en ter zitting erkende de vrouw dat. Op de vraag waarom zij dat niet in de dagvaarding in deze Nederlandse procedure heeft vermeld is geen bevredigend antwoord van haar kant gekomen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dat wel had moeten vermelden. Dat zij dat niet heeft gedaan is in het bijzonder kwalijk omdat in de onderhavige procedure óók is gebleken dat de vrouw in de procedure(s) die zij in Turkije tegen de man is gestart, een onjuist adres van de man heeft opgegeven, namelijk het adres van haar zus, te weten, [adres 2] te [woonplaats 1] . De man heeft hiervan bewijs in het geding gebracht dat door de vrouw niet is weersproken. Slechts door actief zelf op onderzoek te gaan in Turkije heeft hij kunnen achterhalen dat sprake was van die door de vrouw in Turkije aangespannen procedure(s).
De vrouw heeft ter zitting geen logische verklaring gegeven voor het opgeven van het onjuiste adres. Het juiste adres van haar ex-man was haar zeer wel bekend nu het haar eigen oude adres was.
Omdat de vrouw in haar dagvaarding niets vermeld over de Turkse procedure(s) lijkt de conclusie van de man, dat de vrouw met het onjuiste adres tot doel heeft gehad de man in procesrechtelijk opzicht te benadelen in de Turkse procedure(s), gerechtvaardigd.
5.38.
Ter zitting is namens de man toegelicht dat de man primair wenst dat de vorderingen van de vrouw worden afgewezen, en subsidiair dat de procedure in Nederland wordt aangehouden wegens litispendentie.
5.39.
Uit het eerder overwogene blijkt dat de rechtbank niet tot een vernietiging van het convenant komt en niet tot een herverdeling. Daarom ziet de rechtbank geen reden om haar beslissing aan te houden zoals zij
kandoen op grond van artikel 12 Rv Pro. De rechtbank zal de vorderingen van de vrouw afwijzen.
Proceskosten
5.40.
Op grond van de hoofdregel van artikel 237 Rv Pro wordt de partij die in het ongelijk is gesteld, in de kosten veroordeeld. De rechtbank ziet in casu geen reden voor toepassing van de uitzondering op die hoofdregel dat tussen ex-partners de proceskosten worden gecompenseerd, omdat de vrouw diverse voor de beslissing van belang zijnde feiten niet in haar dagvaarding heeft vermeld en zij nodeloos vordering V heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt daarom dat de vrouw de proceskosten (inclusief nakosten) van de man moet betalen. De proceskosten van de man worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris advocaat
5.770,00
(2 punten × € 2.885,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
6.049,00
5.41.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vordering onder I (vernietiging ouderschapsplan),
6.2.
wijst de vorderingen II tot en met VIII van de vrouw af;
6.3.
wijst al het overige gevorderde af en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van de man, begroot op € 6.049,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling in 6.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.
3246/ 638

Voetnoten

1.De advocaat van de vrouw heeft ter zitting verzocht deze brief buiten beschouwing te laten omdat deze te laat is ingediend. De rechtbank heeft op dit bezwaar niet beslist maar feitelijk is de brief niet bij de beoordeling betrokken.