Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4434

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2230
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b OpiumwetArt. 3 IVRKArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van de Opiumwet

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van de burgemeester van Rotterdam om de woning van verzoeker voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De sluiting volgde op een politie-inval waarbij grote hoeveelheden harddrugs, wapens en contant geld werden aangetroffen.

Verzoeker betwist de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting en stelt dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel had moeten volstaan. Ook voert hij aan dat hij niet verantwoordelijk is voor de aangetroffen goederen, mede vanwege zijn afwezigheid en psychische problematiek. Daarnaast wijst hij op de gevolgen voor zijn woonsituatie en zijn minderjarige zoon.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting en dat de sluiting geschikt is om de openbare orde te herstellen en drugshandel tegen te gaan. Het tijdsverloop tussen de vondst en sluiting is niet te lang. De ernst van de situatie, met grote hoeveelheden drugs en wapens, maakt de sluiting noodzakelijk. De belangenafweging leidt tot de conclusie dat de nadelige gevolgen voor verzoeker niet onevenwichtig zijn, mede omdat hij onvoldoende toezicht hield op de woning.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de woning gesloten blijft. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de drie maanden durende woningsluiting wordt afgewezen en de woning blijft gesloten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2230

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. Z. Badrane),
en

de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester

(gemachtigde: mr. C.W. de Jong).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam stichting] uit Rotterdam (hierna: Woonstad).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de huurwoning (de woning) van verzoeker voor de duur van drie maanden op grond van de Opiumwet. Verzoeker is het niet met de sluiting eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester mocht gebruik maken van haar bevoegdheid om de woning te sluiten. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 16 januari 2026 heeft de burgemeester de woning van verzoeker voor de duur van drie maanden gesloten
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester en mr. D. Boet namens de burgemeester. De voorzieningenrechter heeft op de zitting het onderzoek gesloten.
2.2.
Per abuis was Woonstad niet tijdig uitgenodigd voor de zitting. De griffier heeft voorafgaand aan de zitting ook geen telefonisch contact kunnen leggen met de voor deze zaak verantwoordelijke medewerker van Woonstad. Op 30 maart 2026 heeft de griffier alsnog telefonisch contact gehad met de verantwoordelijke medewerker van Woonstad. Daarbij heeft Woonstad toestemming gegeven voor het enkel ontvangen van de uitspraak. Voor het overige is verwezen naar de zienswijze van 5 november 2025, die onderdeel uitmaakt van het dossier. De voorzieningenrechter heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker is de bewoner van de woning aan de [adres]. Woonstad is eigenaar van de woning.
4. De burgemeester heeft met het bestreden besluit van 16 januari 2026 de woning van verzoeker gesloten van de duur van drie maanden. Hieraan heeft de burgemeester een bestuurlijke rapportage van de politie van 20 oktober 2025 ten grondslag gelegd. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem-melding de woning op 3 oktober 2025 door de politie is doorzocht. In verschillende kamers van de woning vond de politie diverse verdovende middelen en goederen ter bereiding en verpakking van verdovende middelen. De politie heeft naast de verdovende middelen een geldtelmachine, een sealmachine, diverse telefoons, een Rolex horloge, een PlayStation 5, één klein handvuurwapen, één groot handvuurwapen, een houder met patronen en een houder met losse patronen in beslag genomen. Ook trof de politie € 86.135,- euro aan contant geld aan in de woning. Onderzoek naar de verdovende middelen leverde op dat in totaal 6.264,2 gram cocaïne, 997,1 gram heroïne en 3.870,2 gram hasj in de woning is gevonden.
5. Verzoeker is het niet eens met de sluiting van de woning. Hij voert aan dat de woningsluiting niet geschikt en noodzakelijk was. De burgemeester had volgens hem met een waarschuwing moeten volstaan. De burgemeester heeft de woning pas 3,5 maand na de instap gesloten, terwijl in de tussentijd geen overtredingen hebben plaatsgevonden in of nabij de woning. Er is geen sprake van een ernstig geval, omdat verzoeker geen blaam treft en van recidive geen sprake is. Ook is niet komen vast te staan dat vanuit de woning drugs zijn verkocht of verhandeld. Sinds verzoeker in de woning verblijft is ook niet structureel geklaagd over (drugs)overlast vanuit de woning. Bovendien missen de onderliggende processen-verbaal van het buurtonderzoek. Eiser stelt daarnaast dat de woningsluiting niet evenwichtig is omdat verzoeker geen verwijt kan worden gemaakt. Hij was niet op de hoogte van de gevonden spullen in de woning, omdat hij gedurende de zomer in Marokko verbleef en hij onderdak heeft verleend aan een bekende. Verzoeker was niet in staat toezicht te houden op de woning, ook gelet op zijn psychische problematiek. Door de woningsluiting kan verzoeker zijn huis kwijtraken. De woningcorporatie heeft aangegeven het huurcontract buitengerechtelijk te ontbinden. Verder verblijft ook verzoekers minderjarige zoon regelmatig in de woning. De burgemeester heeft daarom onvoldoende rekening gehouden met artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en artikel 8 van Pro het EVRM.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als sprake is van ‘onverwijlde spoed’, dus als een besluit op het bezwaar niet kan worden afgewacht.
7. De woning van verzoeker is naar aanleiding van het bestreden besluit gesloten. Op 10 maart 2026 heeft verzoeker zijn verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Gelet op het tijdsverloop tussen het bestreden besluit en het verzoekschrift, betwist de burgemeester het spoedeisend belang van verzoeker. Verzoeker stelt dat wel sprake is van een spoedeisend belang. Eerder kon hij bij anderen verblijven, maar op dit moment is verzoeker dakloos en verblijft hij in de auto van een vriend. Hij heeft er belang bij zo snel mogelijk terug te keren naar zijn woning. De voorzieningenrechter neemt het spoedeisend belang van verzoeker aan, omdat verzoeker op dit moment geen vaste woon- en verblijfplaats heeft en dakloos is. Zij zal het verzoek daarom inhoudelijk behandelen.
Wat zijn de toepasselijke regels?
8. Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang in de vorm van sluiting van een woning, indien in die woning een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
9. De burgemeester voert beleid om de handel in drugs in Rotterdam tegen te gaan. Dit beleid staat in de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2022. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in beginsel overgaat tot sluiting van een woning.
Was de burgemeester bevoegd de woning te sluiten?
10. De burgemeester is in beginsel bevoegd om de woning te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Bij harddrugs is sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram drugs wordt aangetroffen. In de woning is een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen, zodat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten. Verzoeker heeft de bevoegdheid van de burgemeester tot het sluiten van de woning ook niet betwist.
Had de burgemeester met een minder ingrijpend middel moeten volstaan?
11. De burgemeester is niet verplicht de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet te gebruiken. Zij dient een belangenafweging te maken bij haar beslissing of en op welke wijze zij van die bevoegdheid gebruik maakt. De burgemeester heeft daartoe de eerder genoemde Beleidslijn vastgesteld. Een sluiting van de woning voor drie maanden past binnen dit beleid. Dit betekent echter nog niet dat de burgemeester dan in alle gevallen zonder meer tot sluiting kan overgaan. Steeds zal zij moeten beoordelen of haar optreden in een concreet geval evenredig is. De burgemeester moet zich ervan vergewissen dat de sluiting van een woning en de duur ervan geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn om de met de sluiting gediende doelen te bereiken. [1]
Geschiktheid en noodzaak
12. De burgemeester dient te beoordelen of de sluiting van de woning op zichzelf een geschikt middel is om het doel te bereiken dat de burgemeester voor ogen heeft. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge haar besluitvorming tot sluiting overgaat, kan hierbij onder andere een rol spelen. Indien de sluiting geschikt is dient de burgemeester ook de noodzaak van de sluiting te beoordelen. Daarbij gaat het om de vraag of de burgemeester met een minder ingrijpend middel (een waarschuwing of last onder dwangsom) had kunnen en dus moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt.
12.1.
De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat de woningsluiting op zichzelf een geschikt middel is om het doel van de burgemeester te bereiken, namelijk het herstellen van de openbare orde, het voorkomen van herhaling, de doorbreking van de bekendheid van de woning in het criminele circuit en het afgeven van een signaal dat de overheid optreedt tegen drugscriminaliteit. Op 3 oktober 2025 heeft de politie de drugs en andere voorwerpen aangetroffen in de woning. Vervolgens heeft de burgemeester op 28 oktober 2025 een voornemen uitgebracht, waarna verzoeker en Woonstad in de gelegenheid zijn gesteld om een zienswijze in te dienen. De burgemeester is vervolgens met het bestreden besluit van 16 januari 2026 overgegaan tot sluiting van de woning. De voorzieningenrechter acht dit tijdsverloop niet zodanig lang dat de burgemeester de met de sluiting te dienen doelen niet meer kon bereiken en daarom af had moeten zien van het sluiten van de woning voor de duur van drie maanden. [2]
12.2.
Daar komt bij dat de voorzieningenrechter met de burgemeester van oordeel is dat de situatie die op 3 oktober 2025 in de woning is aangetroffen als ernstig kan worden aangemerkt, waardoor de burgemeester een sluiting van drie maanden - ook na het verstreken tijdsverloop - noodzakelijk heeft mogen achten. Naast de (zeer ruime) handelshoeveelheid van 6.264,2 gram cocaïne, 997,1 gram heroïne en 3.870,2 gram hasj, zijn in de woning ook verschillende attributen aangetroffen die verband houden met drugshandel. Zo heeft de politie een geldtelmachine, een sealmachine, diverse telefoons, één klein handvuurwapen, één groot handvuurwapen, een houder met patronen, een houder met losse patronen en € 86.135,- euro aan contant geld aangetroffen. Ook blijkt dat ten aanzien van de woning een Meld Misdaad Anoniem-melding is gedaan waarbij is gemeld dat het een komen en gaan is van verschillende personen die voor een kort bezoek bij de woning komen. Uit het door de politie verrichte buurtonderzoek blijkt dat buurtbewoners een vergelijkbare verklaring ten aanzien van de woning hebben afgelegd. Al deze omstandigheden samen maken dat de burgemeester heeft mogen aannemen dat de woning onderdeel uitmaakt van de keten van drugshandel, of in ieder geval bekend is in het criminele (drugs)circuit. De burgemeester heeft voldoende gemotiveerd waarom zij niet heeft kunnen volstaan met een waarschuwing. Ten aanzien van verzoekers standpunt dat de onderliggende processen-verbaal van het buurtonderzoek ontbreken, overweegt de voorzieningenrechter dat de burgemeester af heeft mogen gaan op de juistheid van de bestuurlijke rapportage van de politie. De bestuurlijke rapportage van 20 oktober 2025 is naar waarheid opgemaakt op basis van ambtsedig opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en open- en gesloten bronnen. Verzoeker heeft de bevindingen niet zodanig betwist dat er een grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [3]
Evenwichtigheid
13. Naast de geschiktheid en noodzaak voor de sluiting, moet ook worden nagegaan of de sluiting evenwichtig is. Daarbij zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate waarin de drugshandel de bewoner kan worden verweten. De burgemeester moet de nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner(s) van de woning afwegen tegen de doelen die zij met de sluiting wil bereiken. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. De voorzieningenrechter zal daarom bij de beoordeling van het besluit tot sluiting van de woning ook de gevolgen daarvan betrekken.
13.1.
De voorzieningenrechter vindt de gevolgen van de sluiting in dit geval niet onevenwichtig. De voorzieningenrechter stelt voorop dat inherent is aan de sluiting dat verzoeker de woning al dan niet tijdelijk moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. De woningbouwcorporatie heeft in dit geval aangekondigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Dit kan er toe leiden dat verzoeker ook na de sluiting van de woning voor drie maanden niet meer terug kan naar zijn woning. Daartegenover staat dat verzoeker als huurder verantwoordelijk is voor wat er zoal in de woning gebeurt. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verzoeker ten aanzien van zijn verwijtbaarheid niet. Hoewel niet is gebleken dat verzoeker zelf een rol heeft gespeeld bij het opslaan, dan wel verhandelen, van de drugs vanuit de woning, kan verzoeker in ieder geval het verwijt worden gemaakt dat hij kennelijk voor lange tijd zijn woning aan een bekende heeft uitgeleend zonder toezicht op de woning te houden. De voorzieningenrechter betrekt hierbij de omstandigheid dat verzoeker na zijn terugkomst in Nederland op 1 september 2025 niet op enig moment bij de woning is gaan kijken. Dit was namelijk nog ruim voor de datum van de vondst van de drugs in de woning. Ook is niet gebleken dat verzoeker afspraken heeft gemaakt met de bekende over het verblijf in zijn woning, ook niet over de duur daarvan. Uit het door verzoeker ingediende stuk van de huisarts blijkt dat hij onder andere bekend is met PTSS, depressieve klachten en angst- en paniekaanvallen. De voorzieningenrechter kan hieruit echter niet de gevolgtrekking maken dat verzoeker er gelet op zijn medische situatie niet toe in staat is geweest om toezicht te houden op de woning. Verzoeker heeft ook verder niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn psychische problematiek op deze specifieke woning is aangewezen. De voorzieningenrechter overweegt daarnaast dat verzoeker niet heeft aangetoond dat de woning strikt noodzakelijk voor hem is om invulling te geven aan de omgang met zijn minderjarige zoon. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat de zoon bij zijn moeder woont. Hoewel de zoon sinds de woningsluiting niet meer bij verzoeker kan verblijven op de momenten die verzoeker met de moeder van zijn zoon heeft afgesproken, ziet verzoeker zijn zoon op dit moment overdag op straat. De voorzieningenrechter begrijpt dat dit geen ideale situatie is, toch maakt dat niet dat de burgemeester van de woningsluiting af had moeten zien of ten aanzien van artikel 3 van Pro het IVRK of artikel 8 van Pro het EVRM tot een andere afweging had moeten komen.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de woning gesloten blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:475.
3.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:336.