ECLI:NL:RBROT:2026:4431
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening maatschappelijke opvang moeder en minderjarig kind
Verzoekster, een vrouw zonder vaste woon- of verblijfplaats, vroeg om toelating tot maatschappelijke opvang voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Het college weigerde dit op grond van zelfredzaamheid, een standpunt dat eerder door de voorzieningenrechter deels werd getoetst en waarbij tijdelijke opvang werd toegekend.
In de huidige procedure betoogt verzoekster dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychosociale problematiek en de belangen van haar dochter, mede op grond van artikel 3 IVRK Pro. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet zelfredzaam is, maar dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat de afwijzing betekent voor het kind.
Daarom wordt het verzoek gedeeltelijk toegewezen: het college moet nog vier weken maatschappelijke opvang bieden, zodat het college de situatie van het kind kan onderzoeken en passende maatregelen kan treffen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het college moet nog vier weken maatschappelijke opvang verlenen aan verzoekster en haar minderjarige dochter vanwege onvoldoende motivering over de impact op het kind.