Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4431

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2295
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wmo 2015artikel 3 IVRKBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening maatschappelijke opvang moeder en minderjarig kind

Verzoekster, een vrouw zonder vaste woon- of verblijfplaats, vroeg om toelating tot maatschappelijke opvang voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Het college weigerde dit op grond van zelfredzaamheid, een standpunt dat eerder door de voorzieningenrechter deels werd getoetst en waarbij tijdelijke opvang werd toegekend.

In de huidige procedure betoogt verzoekster dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychosociale problematiek en de belangen van haar dochter, mede op grond van artikel 3 IVRK Pro. De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet zelfredzaam is, maar dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat de afwijzing betekent voor het kind.

Daarom wordt het verzoek gedeeltelijk toegewezen: het college moet nog vier weken maatschappelijke opvang bieden, zodat het college de situatie van het kind kan onderzoeken en passende maatregelen kan treffen. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het college moet nog vier weken maatschappelijke opvang verlenen aan verzoekster en haar minderjarige dochter vanwege onvoldoende motivering over de impact op het kind.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2295
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoekster

(gemachtigde: mr. J. Nieuwstraten),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college

(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van het college om verzoekster niet (langer) toe te laten tot de maatschappelijke opvang.
1.1.
Verzoekster heeft zich bij het college gemeld voor toelating tot de maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft met het besluit van 19 september 2025 geweigerd om verzoekster toe te laten tot de maatschappelijke opvang. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft met de uitspraak van 7 november 2025 het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat het college aan verzoekster maatschappelijke opvang dient te verlenen vanaf de dag dat de uitspraak is ontvangen tot twee weken na de beslissing op bezwaar.
1.3.
Met het bestreden besluit van 5 februari 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de weigering gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een verzoek om voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, mr. L. Gommans als gemachtigde van verzoekster, K. Koyuncu als tolk en de gemachtigde van het college.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft tot 2020 in Ghana gewoond waar zij studeerde en zelfstandig woonde. Verzoekster is in 2020 vanwege haar studie met een studievisum en studiebeurs naar Nederland gekomen. Na haar studie is zij in Nederland gebleven. Verzoekster heeft een dochter van ruim één jaar ( [naam dochter] ). Verzoekster en haar dochter verbleven bij een kennis in Rotterdam waar zij niet meer konden verblijven. Zij heeft zich daarom op 19 september 2025 gemeld bij het college voor toelating tot de maatschappelijke opvang.
2.1.
Het college heeft met het primaire besluit van 19 september 2025 geweigerd om verzoekster toe te laten tot de maatschappelijke opvang, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij in staat is om zich (met de gebruikelijke voorzieningen en hulp vanuit haar netwerk) te handhaven in de samenleving. Met de uitspraak van 7 november 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster toegewezen in die zin dat aan verzoekster tot twee weken na het besluit op bezwaar maatschappelijke opvang verleend dient te worden. De voorzieningenrechter heeft in die uitspraak overwogen dat het college zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het college uit onderzoek heeft kunnen afleiden dat verzoekster zelfredzaam is en daardoor in staat moet worden geacht zelf huisvesting te organiseren voor haarzelf en haar minderjarige dochter. Echter heeft de voorzieningenrechter in de door verzoekster gestelde psychosociale problematiek, mede gelet op de zwaarwegend belangen van verzoekster en haar minderjarige dochter, aanleiding gezien om de voorziening te treffen zodat verzoekster in de bewaarprocedure de door haar gestelde psychosociale problematiek kon onderbouwen met objectieve en verifieerbare stukken.
2.2.
Met het bestreden besluit van 5 februari 2026 is het college bij de weigering gebleven. Verzoekster heeft een voldoende steunend netwerk van familie en begeleiding. Er kan niet worden gezegd dat verzoekster niet over voldoende doen- en regievermogen beschikt of zij haar weg naar instanties niet weet te vinden, of dat sprake is van problemen bij het zich handhaven in de samenleving waardoor zij niet kan voorzien in onderdak voor haarzelf en voor haar kind.
3. Verzoekster is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert – samengevat – aan dat in het bestreden besluit wordt voorbijgegaan aan de gebeurtenissen die haar zijn overkomen. Zij is verkracht toen zij zwanger was en is ook slachtoffer geworden van financieel misbruik. Ook heeft het college het stappenplan voor dit soort meldingen niet juist gevolgd. [1] Daarnaast zijn de belangen van haar minderjarige dochter, ook gelet op artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), onvoldoende meegewogen. Verzoekster heeft daarom de voorlopige voorziening verzocht dat de maatschappelijke opvang aan haar en haar minderjarige dochter wordt voortgezet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
4. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als sprake is van een spoedeisend belang. Verzoekster en haar minderjarige dochter waren toegelaten tot de maatschappelijke opvang tot de dag van de zitting. Omdat verzoekster en haar minderjarige dochter geen verblijfplaats hebben voor na de maatschappelijke opvang en op straat staan, neemt de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (gedeeltelijk) toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
5.1.
De voorzieningenrechter heeft gekeken naar de situatie van verzoekster en naar haar standpunten, maar de voorzieningenrechter heeft ook gekeken naar wat in de eerdere voorlopige voorzieningenprocedure is geoordeeld. Er bestaat geen aanleiding om in deze procedure terug te komen op wat in de vorige uitspraak is geoordeeld over bijvoorbeeld het stappenplan en de mate van zelfredzaamheid van verzoekster. De voorzieningenrechter sluit zich bij die uitspraak aan, in die zin dat ten tijde van het primaire besluit het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep voldoende in acht is genomen. Dat geldt evenzeer wat betreft de onderbouwing van het college van diens standpunt over de zelfredzaamheid van verzoekster. In wat verzoekster heeft gesteld, ziet de voorzieningenrechter op deze punten geen aanknopingspunten voor een ander oordeel over het bestreden besluit. De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.
5.2.
In de eerdere uitspraak heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er toch iets aan de hand is met verzoeksters psychosociale situatie door de dingen die haar zijn overkomen. Verzoekster is in de gelegenheid gesteld om dit verder naar voren te brengen en het college heeft dit meegewogen. De voorzieningenrechter is in deze procedure van oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat haar psychosociale omstandigheden maken dat het college zich niet op het standpunt kon stellen dat verzoekster zelfredzaam is. Verzoekster heeft onvoldoende naar voren gebracht op basis waarvan getwijfeld moet worden aan haar zelfredzaamheid. Op de zitting is besproken dat de voorzieningenrechter aanneemt dat verzoekster slachtoffer is geworden van verkrachting en financieel misbruik en dat deze gebeurtenissen heel erg zijn voor verzoekster. Toch is het in deze procedure wel de vraag of die gebeurtenissen maken dat verzoekster niet meer zelfredzaam is in de zin van de Wmo 2015. De voorzieningenrechter is op dit moment van oordeel dat het college tot het oordeel mocht komen dat wat verzoekster heeft ingediend ter onderbouwing van de gebeurtenissen en haar psychosociale situatie onvoldoende is om verzoekster niet zelfredzaam te achten. Dat verzoekster slachtoffer is van verschillende misdrijven, is op zichzelf namelijk geen reden om tot de conclusie te komen dat verzoekster niet zelfredzaam is.
5.3.
Tegelijkertijd is het gelet op de door verzoekster ingeroepen verdragsbepaling ook aan de voorzieningenrechter om bij zijn beslissing rekening te houden met de belangen van [naam dochter] , het minderjarige kind van verzoekster. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat in het bestreden besluit nog onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de belangen van het kind. In het bestreden besluit wordt ten aanzien van [naam dochter] teruggegrepen naar het moment van de intake in de primaire fase. De voorzieningenrechter mist daarbij de afweging wat het bestreden besluit voor [naam dochter] betekent en welke impact dat op haar heeft. Het college heeft op de zitting benoemd dat er andere wegen zijn dan maatschappelijke opvang in de vorm van vrijwilligersorganisaties die verzoekster kunnen helpen, dat het minderjarige kind niet op straat zal komen te staan en dat niet per definitie het kind van de moeder wordt gescheiden. Toch maakt de voorzieningenrechter zich zorgen over de situatie van [naam dochter] . Omdat op grond van artikel 3 van Pro het IVRK de belangen van het kind altijd voorop moeten staan, vindt de voorzieningenrechter dat in zoverre een actievere houding van het college mag worden verwacht. Het college dient daarom een aanvullende motivering te geven over wat een afwijzing tot de maatschappelijke opvang betekent voor de dochter van verzoekster. Het verwijzen naar vrijwilligersorganisaties is onvoldoende. Dit kan namelijk niet worden gezien als een gebruikelijk netwerk. Er moet meer aandacht zijn voor hoe het vanaf het moment van beëindiging van de maatschappelijke opvang verder zal gaan met het minderjarige kind van verzoekster.
5.4.
De voorzieningenrechter vindt niet dat gedurende de gehele beroepsperiode verzoekster tot de maatschappelijke opvang toegelaten moet worden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat de komende vier weken nog maatschappelijke opvang moet worden geboden aan verzoekster en haar minderjarige dochter. Het college kan die periode gebruiken om in kaart te brengen hoe de situatie voor [naam dochter] is en hoe de situatie zal zijn als de maatschappelijke opvang na vier weken wordt beëindigd. Ook kan het wijkteam worden gevraagd om verzoekster actiever te helpen bij de hulpvragen die zij heeft. Hoe dan ook, kan de voorzieningenrechter het college wel volgen in zijn standpunt dat wat verzoekster is overkomen niet maakt dat zij niet meer zelfredzaam is. De voornaamste hulpvraag van verzoekster, namelijk haar zoektocht naar woonruimte, is niet een hulpvraag waar de Wmo 2015 voor is bedoeld. De belangen van [naam dochter] maken echter dat de voorzieningenrechter het op dit moment onaanvaardbaar vindt dat de consequentie van het bestreden besluit is dat moeder en kind vandaag op straat staan zonder dat er een duidelijk beeld is hoe in deze situatie de belangen van het kind zijn gewaarborgd. De voorzieningenrechter realiseert zich dat, gezien de vorige uitspraak van de voorzieningenrechter, het college inmiddels al vier weken onverplicht opvang heeft geboden aan verzoekster en haar dochter. Toch dient het college, als tussenoplossing, de komende vier weken nog opvang te bieden aan verzoekster en haar dochter.
5.5.
Deze tussenoplossing betekent ook dat verzoekster moet nadenken over hoe zij zelf actiever naar woonruimte kan gaan zoeken en wat haar opties zijn. De voorzieningenrechter vindt dat op dat punt van verzoekster mag worden verwacht dat zij dit kan en doet. Ook dient verzoekster goed na te denken over hoe het moet als zij straks geen woonruimte kan vinden en wat dit betekent voor haar eigen verantwoordelijkheid voor haar kind. Het zou kunnen betekenen dat verzoekster naar ongebruikelijke wegen moet zoeken.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat nog vier weken maatschappelijke opvang moet worden geboden aan verzoekster en [naam dochter] , waarna de voorlopige voorziening vervalt. In die vier weken kan het college nog een aanvullende motivering sturen naar de rechtbank, die zal worden betrokken bij de beroepsprocedure die nog loopt.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Ook krijgt verzoekster een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
8. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe in die zin dat nog vier weken na de datum van de uitspraak maatschappelijke opvang moet worden geboden aan verzoekster en haar minderjarige kind, waarna de voorlopige voorziening vervalt;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van verzoekster.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoekster verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819.