ECLI:NL:RBROT:2026:4429
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening urgentieverklaring wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoekster heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, welke op 16 januari 2026 is afgewezen wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Op 18 maart 2026 vond een mondelinge behandeling plaats waarbij verzoekster, haar gemachtigde en de gemachtigde van het college aanwezig waren. Verzoekster stelde dat haar chronische medische problemen onvoldoende in acht waren genomen en dat het medisch advies van 17 maart 2026 niet zorgvuldig en consistent tot stand was gekomen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er onvoldoende spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige maatregel. Er waren geen objectieve medische aanwijzingen dat verzoekster met onmiddellijke ingang niet meer in haar woning kon blijven wonen. Tevens leidt het toekennen van een urgentieverklaring niet direct tot een andere woning, waardoor het verzoek niet als voorlopige maatregel passend is.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en gaf aan dat bezwaren tegen het medisch advies in de bezwaarprocedure kunnen worden behandeld. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.