Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die verweerster verbiedt het vonnis tot ontruiming van zijn woonruimte uit te voeren. Verzoeker ontvangt een Participatiewet-uitkering en kan de maandelijkse huur van € 1.059,01 niet volledig betalen, hoewel hij het afgelopen jaar maandelijks € 500,- heeft voldaan. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat er een aanvraag voor woonkostentoeslag is ingediend, maar dat hierover waarschijnlijk pas na 1 april 2026 een beslissing volgt.
Verweerster stelt dat verzoeker niet heeft gereageerd op eerdere berichten en dat er inmiddels een aanzienlijke huurachterstand is van circa € 15.000,-. De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoeker en verweerster leidt tot de conclusie dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de lopende huurtermijnen kunnen worden voldaan. De onzekerheid over de woonkostentoeslag en het lage inkomen van verzoeker wegen zwaar.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject nog niet is afgerond. Verzoeker staat vrij een hernieuwd en volledig gemotiveerd verzoek in te dienen. De uitspraak is gedaan door rechter B.J. Tideman op 25 maart 2026.