Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechters die betrokken zijn bij meerdere civiele familierechtelijke zaken waarin de Raad voor de Kinderbescherming en de moeder van het kind verzoeken hebben ingediend tegen verzoeker. Verzoeker stelde dat de rechters niet onpartijdig zouden zijn vanwege eerdere betrokkenheid bij een procedure, het niet honoreren van een aanhoudingsverzoek, het ontbreken van ontvangstbevestiging en zaaknummer, het ontbreken van toegang tot het digitale dossier en een vermeende schuldtoewijzing door de rechters.
De rechtbank oordeelde dat de eerdere betrokkenheid van de rechters in lijn is met het professionele uitgangspunt 'één gezin, één rechter' en dat er geen aanwijzingen zijn voor partijdigheid. Het niet honoreren van het aanhoudingsverzoek was niet onbegrijpelijk en niet ingegeven door vooringenomenheid. Ontvangst van het verweerschrift was bevestigd en het ontbreken van een zaaknummer is een administratieve aangelegenheid. Verzoeker had fysieke toegang tot de processtukken en kon het digitale dossier op verzoek inzien. De vermeende schuldtoewijzing was een feitelijke constatering en geen grond voor wraking.
De wrakingskamer concludeerde dat geen van de aangevoerde gronden slaagt en wees het verzoek af. Tevens werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker alleen met bijstand van een advocaat in behandeling worden genomen, vanwege lichtzinnige wrakingsgronden en herhaald gebruik van het wrakingsmiddel.
De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam op 1 april 2026 en is onherroepelijk.