Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4337

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
10/318716-24
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 182 SvArt. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 348 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar gegrond tegen weigering horen slachtoffer als getuige in verkeerszaak

De verdachte is vervolgd wegens overtreding van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Op 6 januari 2026 verzocht de verdachte de rechter-commissaris om het slachtoffer als getuige te horen, omdat het slachtoffer een belastende verklaring had afgelegd. De rechter-commissaris wees dit verzoek op 6 februari 2026 af. De verdachte maakte hiertegen bezwaar bij de rechtbank.

De rechtbank behandelde het bezwaar op 12 maart 2026. De verdachte was niet aanwezig, maar haar raadsvrouw en de officier van justitie werden gehoord. De verdediging stelde dat er verdedigingsbelang is bij het horen van het slachtoffer, omdat diens verklaring belastend is en het dossier geen objectieve aanknopingspunten bevat die de verklaring ondersteunen. De officier van justitie vond het bezwaar ongegrond omdat de verklaring al was afgelegd en herhaling het slachtoffer onnodig zou belasten.

De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris een verzoek mag weigeren als het niet bijdraagt aan de zaak, maar in dit geval is er wel degelijk verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer. Er is geen aanwijzing dat het welzijn van het slachtoffer in gevaar komt. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en bepaalde dat de rechter-commissaris het slachtoffer als getuige moet horen.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering om het slachtoffer als getuige te horen is gegrond verklaard en het slachtoffer zal worden gehoord.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Parketnummer : 10/318716-24
Raadkamernummer : 26/004617
Datum : 12 maart 20226
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1], [postcode] [plaatsnaam],
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2] ten kantore van haar raadsvrouw mr. T. Sandrk.

Procedure

De verdachte heeft op grond van artikel 182 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) op
6 januari 2026 de rechter-commissaris verzocht om in de onder opgemeld parketnummer ingeschreven zaak onderzoekshandelingen te verrichten, bestaande uit onder andere het horen van het [slachtoffer] als getuige.
De officier van justitie heeft haar zienswijze hierop meegedeeld.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 6 februari 2026 het verzoek met betrekking tot het horen van het [slachtoffer] afgewezen.
Op 10 februari 2026 heeft de verdachte bij de rechtbank tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
Het bezwaar is op 12 maart 2026 door de raadkamer behandeld.
De waarnemende raadsvrouw mr. D.A. te Raaij en de officier van justitie mr. I. Barendregt zijn gehoord. De verdachte is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Feiten

De verdachte wordt verdacht van – kort gezegd – overtreding van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Zij wordt voor deze feiten vervolgd.

Standpunt verdachte

Het bezwaarschrift keert zich tegen de weigering om [slachtoffer] als getuige te horen. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer een directe belastende verklaring heeft afgelegd over de positie van de verdachte op de weg. Naast de verklaring van het slachtoffer bevat het dossier geen objectieve aanknopingspunten die ondersteunen dat de verdachte op de verkeerde weghelft reed. Integendeel, de inhoud van het dossier roept vragen op over de juistheid van de verklaring van het slachtoffer. De verdachte betwist dan ook uitdrukkelijk de verklaring van het slachtoffer. De verdediging dient in staat te worden gesteld haar ondervragingsrecht effectief uit te oefenen. Er is verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer en relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar. Daarbij is gesteld dat de punten waarover de verdediging het slachtoffer wil bevragen al zijn beantwoord in haar verklaring op 10 oktober 2024. Gelet op het tijdsverloop zal het opnieuw beantwoorden van de vragen niet een ander licht op de zaak werpen en een dergelijke herhaling een (te) grote belasting zijn voor het slachtoffer.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris een verzoek als het onderhavige weigert indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden.
De rechtbank ziet – anders dan de rechter-commissaris en de officier van justitie – verdedigingsbelang bij het horen van het [slachtoffer] als getuige, nu het slachtoffer een belastende verklaring heeft afgelegd en die verklaring door de rechter zou kunnen worden gebruikt voor het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde. Het is niet gebleken dat de gezondheid of het welzijn van het slachtoffer daarmee in gevaar wordt gebracht. De rechtbank zal dan ook het bezwaarschrift gegrond verklaren en bepalen dat de verzochte getuige door de rechter-commissaris wordt gehoord.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- bepaalt dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, als getuige zal horen: [slachtoffer].
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op 12 maart 2026.
De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.