ECLI:NL:RBROT:2026:4337
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J. Bade
- J. van de Klashorst
- E. Stam
- Rechtspraak.nl
Bezwaar gegrond tegen weigering horen slachtoffer als getuige in verkeerszaak
De verdachte is vervolgd wegens overtreding van de artikelen 5, 6 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Op 6 januari 2026 verzocht de verdachte de rechter-commissaris om het slachtoffer als getuige te horen, omdat het slachtoffer een belastende verklaring had afgelegd. De rechter-commissaris wees dit verzoek op 6 februari 2026 af. De verdachte maakte hiertegen bezwaar bij de rechtbank.
De rechtbank behandelde het bezwaar op 12 maart 2026. De verdachte was niet aanwezig, maar haar raadsvrouw en de officier van justitie werden gehoord. De verdediging stelde dat er verdedigingsbelang is bij het horen van het slachtoffer, omdat diens verklaring belastend is en het dossier geen objectieve aanknopingspunten bevat die de verklaring ondersteunen. De officier van justitie vond het bezwaar ongegrond omdat de verklaring al was afgelegd en herhaling het slachtoffer onnodig zou belasten.
De rechtbank oordeelde dat de rechter-commissaris een verzoek mag weigeren als het niet bijdraagt aan de zaak, maar in dit geval is er wel degelijk verdedigingsbelang bij het horen van het slachtoffer. Er is geen aanwijzing dat het welzijn van het slachtoffer in gevaar komt. Daarom verklaarde de rechtbank het bezwaar gegrond en bepaalde dat de rechter-commissaris het slachtoffer als getuige moet horen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de weigering om het slachtoffer als getuige te horen is gegrond verklaard en het slachtoffer zal worden gehoord.