Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4336

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
10/660318-13
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kwijtschelding ontnemingsvordering wegens onvoldoende draagkracht

Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 26 oktober 2017 een ontnemingsmaatregel opgelegd van €139.000,-, onherroepelijk geworden op 28 augustus 2018. Tot 22 januari 2026 heeft de veroordeelde slechts €7.241,- betaald.

De veroordeelde verzocht op 11 december 2025 om kwijtschelding of vermindering van de betalingsverplichting wegens gebrek aan inkomen en vermogen. Hij voert aan een verlieslijdende ijssalon te exploiteren zonder omzet en geen vermogen te bezitten, waardoor sprake zou zijn van betalingsonmacht.

De rechtbank behandelde het verzoek op 12 maart 2026, hoorde de veroordeelde en de officier van justitie. De officier stelde dat onvoldoende is gebleken dat de veroordeelde niet over financiële middelen beschikt om de schuld te voldoen.

De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde onvoldoende heeft onderbouwd dat hij nu en in de toekomst niet draagkrachtig is. Het feit dat hij momenteel geen inkomen heeft, is niet doorslaggevend. Er is geen sprake van betalingsonmacht. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van betalingsonmacht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
Raadkamernummer : 26-001590
Parketnummer : 10/660318-13
Hofnummer : 22/000411-17
Datum : 12 maart 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1],
laatst opgegeven woonadres (in raadkamer):
[adres 2],
hierna te noemen: de veroordeelde.

Feiten

Het gerechtshof Den Haag heeft aan de veroordeelde bij arrest van 26 oktober 2017 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de Staat van
€ 139.000,-. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden op 28 augustus 2018.
De veroordeelde heeft tot 22 januari 2026 een bedrag van € 7.241,- betaald.

Procedure

Het verzoek van de veroordeelde is op 11 december 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 12 maart 2026 het verzoek op de openbare terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft de veroordeelde (via videoverbinding) en de officier van justitie
mr. A.K. Tiggelaar op zitting gehoord.

Verzoek

Het verzoek strekt tot kwijtschelding dan wel vermindering van de aan de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 131.759,-. Door de veroordeelde is aangevoerd dat hij geen inkomen heeft. Hij heeft een ijssalon, waar hij zes dagen per week werkt. De onderneming draait structureel verlies en heeft op dit moment geen omzet. Ook heeft de veroordeelde geen vermogen. Er is geen sprake van betalingsweigering, maar van betalingsonmacht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt – onder verwijzing naar de reactie van het CJIB – dat het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering van de betalingsverplichting vanwege onvoldoende draagkracht, moet worden afgewezen. Niet is gebleken dat de veroordeelde nu en in de toekomst niet over financiële middelen zal beschikken om zijn schuld te kunnen voldoen.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de veroordeelde de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij hem geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde het verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat overigens ook niet is gebleken dat hij nu en in de toekomst geen draagkracht heeft om de ontnemingsvordering te betalen. Uit de bespreking in raadkamer is gebleken dat de veroordeelde verdienvermogen heeft. Dat hij daaruit op dit moment geen inkomen heeft, is niet doorslaggevend. De rechtbank concludeert dat niet is gebleken dat de veroordeelde nu (en in de toekomst) niet over financiële middelen beschikt om zijn schuld (eventueel via een betalingsregeling) te kunnen voldoen, en dat er op dit moment geen sprake is van betalingsonmacht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om tot vermindering van de betalingsverplichting over te gaan. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.