Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4335

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
10/350813-25 en 10/223426-25
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 SvArt. 197 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen overbrenging verdachte ter observatie in Pieter Baan Centrum

De verdachte is in voorlopige hechtenis in een zaak wegens poging doodslag, mishandeling en bedreiging, en in een andere zaak is de voorlopige hechtenis geschorst. De rechter-commissaris had bevolen dat verdachte ter observatie naar het Pieter Baan Centrum (PBC) zou worden overgebracht. De verdachte stelde hoger beroep in tegen deze beslissing, stellende dat het bevel onterecht was omdat de voorlopige hechtenis in één zaak was geschorst en de noodzaak van het onderzoek onvoldoende was aangetoond.

De officier van justitie voerde aan dat het onderzoek naar de geestvermogens noodzakelijk is en dat de verdachte niet meewerkt aan psychologisch onderzoek, waardoor overbrenging naar het PBC gerechtvaardigd is. De rechtbank oordeelde dat aan de wettelijke voorwaarden van artikel 196 Sv Pro is voldaan, mede gelet op het NIFP-consult dat aanleiding gaf tot nader onderzoek. De voorlopige hechtenis in de relevante zaak is van kracht en de schorsing in de andere zaak doet hieraan niet af.

De rechtbank vond het bevel proportioneel, ondanks de wachttijd voor opname in het PBC, en wees het hoger beroep af. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 12 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de overbrenging ter observatie naar het Pieter Baan Centrum wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummers: 10/350813-25 en 10/223426-25
Beslissingvan de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het hoger beroep in de zaak van de verdachte:

[verdachte], verdachte,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
preventief gedetineerd in [detentieadres],
raadsvrouw mr. K. Blonk, kantoorhoudende te Rotterdam.

Procedure

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 21 januari 2026 op grond van artikel 196 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) op vordering van de officier van justitie bevolen, dat de verdachte ter observatie zal worden overgebracht naar een observatiekliniek, te weten het Pieter Baan Centrum (PBC).
Op 22 januari 2026 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot overbrenging ter observatie.
De rechtbank heeft op 12 maart 2026 het hoger beroep in raadkamer behandeld. De verdachte, de raadsvrouw en de officier van justitie mr. M.D. Hes zijn in raadkamer gehoord.

Feiten

De verdachte bevindt zich in de zaak met parketnummer 10/350813-25 in voorlopige hechtenis op grond van verdenking van poging doodslag, mishandeling en bedreiging met geweld tegen ambtenaar. In de zaak met parketnummer 10/223426-25 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst met ingang van 29 augustus 2025. In deze zaak wordt de verdachte verdacht van verkrachting, vrijheidsberoving in vereniging en poging zware mishandeling in vereniging.

Standpunt verdachte

Namens de verdachte is geconcludeerd tot gegrondverklaring van het hoger beroep. Daartoe is in raadkamer aangevoerd dat het bevel tot observatie is afgegeven voor twee parketnummers, namelijk 10/350813-25 en 10/223426-25. De voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 10/223426-26 is geschorst, om die reden kan er geen observatiebevel worden afgegeven in die zaak.
Voorts wordt niet voldaan aan de eisen van artikel 196 Sv Pro. De noodzaak van onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte is onvoldoende gebleken. De beslissing van de rechter-commissaris berust op vermoedens, op de ernst van de verdenking en op de justitiële documentatie, maar niet op een deugdelijk gedragskundig vertrekpunt. Voorts is het bevel tot observatie niet proportioneel, gelet op de verdenking. Daarbij moet mede worden betrokken dat een PBC-observatie gepaard gaat met aanzienlijke wachttijden en een langdurig traject. De verdachte zal ook bij een opname in het PBC niet meewerken.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het beroep. De verdachte bevindt zich in de zaak met parketnummer 10/350813-25 in voorlopige hechtenis. Ten aanzien van de zaak met parketnummer 10/223426-25 is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst, er zal op de eerste pro forma-zitting (op 1 april 2026) door de officier van justitie verzocht worden om de zaken te voegen.
Het is noodzakelijk dat er een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte wordt ingesteld en dat hij hiervoor ter observatie naar het PBC wordt overgebracht. De verdachte heeft in eerdere zaken niet willen meewerken aan onderzoek en thans ook niet aan het NIFP-consult van de psycholoog. Van disproportionaliteit is geen sprake.
De door de verdediging gevoerde verweren ten aanzien van de verdenking poging doodslag/mishandeling dienen bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan de orde te komen.

Beoordeling

Op grond van artikel 196 Sv Pro is de noodzaak tot een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte, dat niet op een andere wijze kan plaatsvinden, de voorwaarde voor overbrenging en plaatsing van een verdachte in het PBC. Daarnaast moet tegen de verdachte voorlopige hechtenis bevolen zijn en dient op grond van artikel 197, eerste lid, Sv het oordeel van één of meer deskundigen te zijn ingewonnen.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in de zaak met parketnummer 10/350813-25 en dat reeds om die reden voldaan wordt aan het ter zake in dit artikel bepaalde. Dat in de zaak met parketnummer 10/223426-25 thans de voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst, doet daar niet aan af. Overigens heeft de officier van justitie in raadkamer te kennen gegeven dat op de eerste pro forma-zitting om voeging van de zaken zal worden verzocht.
De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk is dat een onderzoek wordt ingesteld naar de geestvermogens van de verdachte en dat de verdachte daartoe ter observatie wordt overgebracht naar het PBC. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het NIFP-consult van 7 januari 2026 blijkt dat psycholoog [naam] op grond van de voorgeschiedenis van de verdachte (herhaaldelijk eerder vertoond gewelddadig gedrag), de aanwijzingen voor (forensisch relevante) psychopathologie en de aard van de onderhavige delicten, aanleiding ziet voor nader onderzoek naar de verdachte. De verdachte heeft echter geen medewerking verleend aan het onderzoek van [naam]. De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van [naam] vast dat er noodzaak is tot een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte en dat dit onderzoek door het ontbreken van medewerking van de verdachte niet op een andere wijze kan plaatsvinden.
De rechtbank is ook van oordeel dat er geen sprake is van disproportionaliteit, nu de rechter-commissaris heeft bepaald dat het verblijf in het PBC de termijn van zeven weken niet te boven mag gaan. Het feit dat momenteel een lange wachttijd bestaat tot het moment dat een opname in het PBC mogelijk is, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.
Om deze redenen zal het beroep worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het beroep af.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.J. Bade, voorzitter,
mrs. J. van de Klashorst en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K. Dere, griffier,
en uitgesproken op 12 maart 2026.
De jongste rechter is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.