Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4300

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601475:R-RK
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing dwangakkoord wegens onvoldoende gedocumenteerd en niet maximaal haalbaar voorstel

Verzoekster heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij geen uitdeling aan schuldeisers plaatsvindt en zij kwijtschelding van haar schulden vraagt. Twaalf schuldeisers stemden in, maar vijf grote schuldeisers, waaronder twee Havensteder-instellingen, Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna, weigerden.

De rechtbank beoordeelde of deze weigering redelijk was, mede gelet op het belang van de schuldeisers en de belangen van verzoekster en overige schuldeisers. De rechtbank concludeerde dat het voorstel niet goed en betrouwbaar was gedocumenteerd. Verzoekster had een compensatie ontvangen als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, maar had deze niet gebruikt om schulden af te lossen, terwijl sommige schulden door de Belastingdienst betaald hadden kunnen worden.

Ook was onduidelijk wat er met de verkoopopbrengst van een auto was gebeurd. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het voorstel het uiterste was wat verzoekster financieel kon bieden. De belangen van de weigerende schuldeisers wogen zwaarder dan die van verzoekster. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot dwangakkoord af.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende gedocumenteerd voorstel en niet maximaal haalbare schuldregeling.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie
Zittingsplaats Rotterdam
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 25 maart 2026
op het verzoek van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
wonende te [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 22 januari 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een aantal schuldeisers, te weten:
  • Stichting Havensteder, in behandeling bij Wouters Gerechtsdeurwaarder, inmiddels Hafkamp Groenewegen Gerechtsdeurwaarders (hierna te noemen: Havensteder (I));
  • Stichting Havensteder, in behandeling bij H.J. Jansen Gerechtsdeurwaarderskantoor, (hierna te noemen: Havensteder (II));
  • Odido (T-mobile), in behandeling bij Flanderijn & Van Eck (hierna te noemen: Odido);
  • Basic Fit, in behandeling bij EDR Incasso (hierna te noemen: Basic Fit);
  • Administratiekantoor Charlois (hierna te noemen: Administratiekantoor Charlois);
  • Klarna AB, in behandeling bij Coeo Incasso B.V. (hierna te noemen: Klarna);
  • Arrow Global Limited, in behandeling bij Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders (hierna: Arrow Global Limited);
die weigeren mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Havensteder (I) heeft voorafgaand aan de zitting op 11 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
Ter zitting van 18 maart 2026 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • de heer [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Ter zitting heeft schuldhulpverlening aan de rechtbank aanvullende stukken overgelegd, waaruit blijkt dat Odido en Arrow Global Limited aan schuldhulpverlening te kennen hebben gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van Odido en Arrow Global Limited wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
De weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan één preferente en zestien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 45.055,83 van verzoekster te vorderen. Verzoekster heeft bij brief van
3 september 2025 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers en waarbij aan de schuldeisers verzocht wordt de betreffende schulden kwijt te schelden.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekster is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van haar participatiewet-uitkering. Verzoekster is door de gemeente Rotterdam ontheven van haar sollicitatieverplichting voor de periode 5 november 2025 tot en met 5 mei 2026. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat verwacht wordt dat verzoekster ook in de periode na 5 mei 2026 zal worden ontheven van haar sollicitatieverplichting. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden. Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.
Twaalf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna stemmen hier niet mee in. Zij hebben een vordering van € 18.901,60 op verzoekster.

3.Het verweer

Havensteder (I)
In haar verweerschrift heeft Havensteder (I) zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat zij in redelijkheid tot weigering van het aanbod kon komen. Uit het voorstel blijkt niet waarom verzoekster niet fulltime zou kunnen werken en daarmee een hoger inkomen zou kunnen realiseren. Het voorstel is daarmee niet het uiterste waartoe verzoekster in staat kan worden geacht. Ook heeft Havensteder (I) een aandeel van 39,7% in de totale schuldenlast en zijn er naast Havensteder (I) nog vijf andere weigerende schuldeisers.
Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.

4.De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna bij hun weigereing vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna een aanzienlijk aandeel vormen in de totale schuldenlast (te weten 42,1% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna in redelijkheid niet konden weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake dient te zijn van een goed en betrouwbaar gedocumenteerd voorstel. Daarnaast moet uit het voorstel voldoende blijken dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoekster financieel in staat moet worden geacht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Zij overweegt daartoe als volgt.
Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting volgt dat verzoekster erkend is als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en dat zij een compensatie (van € 30.000,-) heeft ontvangen. Met de ontvangen compensatie heeft verzoekster een onderneming gestart. Uit deze onderneming zijn (nieuwe) schulden ontstaan. Verzoekster heeft haar schuldenlijst niet binnen zes maanden (na haar erkenning) ingeleverd bij de Belastingdienst, althans dit is niet uit het verzoekschrift gebleken. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoekster dit wel moeten doen. De belastingdienst wist nu niet of en zo ja, welke schulden verzoekster heeft. De belastingdienst betaalt namelijk private schulden die tussen 1 januari 2006 en
1 juni 2021 zijn ontstaan. Publieke schulden die voor 1 januari 2021 zijn ontstaan worden kwijtgescholden. Verzoekster heeft vier private schulden van ruim € 20.000,00 die dus door de Belastingdienst betaald hadden kunnen worden. De schuldenlast van verzoekster had hiermee fors verlaagd kunnen worden van € 45.000,- naar € 25.000,-. In het bijzonder merkt de rechtbank hierbij op dat Havensteder (I) een van die private schuldeisers is die betaald had kunnen worden. Havensteder (I) heeft nu haar vordering niet betaald gekregen. Havensteder (I) heeft dus bij haar weigering naar het oordeel van de rechtbank een groot belang mogen hechten aan de wijze waarop haar vordering onbetaald is gelaten en de mate van verwijtbaarheid van verzoekster daarbij door geen contact op te nemen met de Belastingdienst. Daarnaast had ook schuldhulpverlening contact kunnen zoeken met de Belastingdienst. Ook schuldhulpverlening heeft dat niet gedaan, althans dit is niet uit het verzoekschrift gebleken.Gezien de ingrijpende gevolgen van een door de rechter op te leggen dwangakkoord waarbij een schuldeiser wordt gedwongen met een nulaanbod akkoord te gaan tegen kwijtschelding van de vordering, kan de rechtbank niet vaststellen dat ten aanzien van deze schuldeisers het maximaal haalbare is aangeboden. Deze vorderingen hadden namelijk volledig betaald kunnen worden.
Bovendien blijkt uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting dat verzoekster weliswaar haar schuldeisers heeft medegedeeld dat zij is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire en dat zij haar compensatie heeft gebruikt om een onderneming te starten, maar heeft zij verder niet onderbouwd waarom zij haar compensatie niet heeft gebruikt ter aflossing van (een gedeelte) van haar schulden. Ook heeft verzoekster niet onderbouwd waarom zij de Belastingdienst niet heeft geïnformeerd over haar schulden. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat het voorstel dat zij heeft gedaan niet goed en controleerbaar gedocumenteerd is.
Voorts blijkt uit de aanbodbrief van 3 september 2025 dat verzoekster niet beschikt over vermogensbestanddelen. Uit het ingediende verzoekschrift is gebleken dat verzoekster een auto op haar naam had, namelijk een Volkswagen Polo uit 2014. Het aanbod aan de schuldeisers is (ook) hierdoor onjuist gedocumenteerd. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij de auto inmiddels heeft verkocht. Voor de rechtbank is onbekend voor welk bedrag de auto is verkocht en voor de rechtbank is eveneens onbekend of de opbrengst van de verkoop is gereserveerd voor de schuldeisers. De rechtbank kan (ook) hierdoor niet controleren of aan de schuldeisers een maximaal haalbaar aanbod is gedaan.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoekster of de overige schuldeisers. Het verzoek om Havensteder (I), Havensteder (II), Basic Fit, Administratiekantoor Charlois en Klarna te bevelen in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026. [1]