Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Stroomopwaarts.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 14 januari 2026. Verweerster, de verhuurder, is niet verschenen ter zitting.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie omdat de ontruiming op korte termijn zou plaatsvinden. Verzoekster ontvangt een Participatiewet-uitkering en toeslagen, en heeft de huurtermijnen van februari en maart 2026 voldaan. De lopende huurtermijnen worden rechtstreeks vanuit de uitkeringsinstantie aan verweerster betaald, waardoor aannemelijk is dat deze tijdig worden voldaan.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject wil voortzetten, zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. Daarom wordt het moratorium voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De uitspraak is gedaan door rechter B.J. Tideman op 25 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank wijst het moratorium toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.