Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Dit verzoek volgt op een vonnis van 21 januari 2026 waarin ontruiming werd bevolen.
De rechtbank beoordeelt of sprake is van een bedreigende situatie en concludeert dat dit het geval is, gezien de aangekondigde ontruiming. De belangenafweging tussen verzoekster en verweerster leidt tot de conclusie dat het belang van verzoekster, die met haar kinderen in de woning wil blijven en een schuldhulpverleningstraject doorloopt, zwaarder weegt.
Verzoekster heeft een vast inkomen, aanvullende bijstand, huurtoeslag en kindgebonden budget, en een budgetplan dat in balans is. De lopende huurtermijnen worden naar verwachting voldaan, mede door het opstarten van budgetbeheer. De rechtbank legt een voorwaarde op dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan en wijst de voorziening toe voor zes maanden.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, gezien het lopende minnelijk traject. De rechtbank adviseert verzoekster om naar een goedkopere huurwoning te zoeken gezien haar relatief hoge huur ten opzichte van haar inkomen.