Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4280

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
C/10/711684 / HA ZA 25-1077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 93 RvArt. 71 lid 2 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing civiele zaak naar kantonrechter wegens vordering onder €25.000

In deze civiele procedure tussen een man en een vrouw over een geldvordering van €7.061,73 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, aangezien het bedrag onder de grens van €25.000 ligt. De man had de zaak ingediend bij de handelsrechter, stellende dat het verband hield met de verdeling van een gemeenschap van goederen, maar dit verandert niets aan de bevoegdheid van de kantonrechter.

De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorlopige beoordeling dat de zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen. De man handhaafde zijn standpunt, de vrouw reageerde niet. De rechtbank blijft bij haar oordeel en verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter op de rolzitting van 15 april 2026.

Partijen worden erop gewezen dat zij niet hoeven te verschijnen bij die zitting en dat zij in het vervolg van de procedure ook zonder advocaat kunnen optreden. Tevens wordt vermeld dat het griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaalde griffierecht zal worden teruggestort.

Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter vanwege de vordering onder €25.000.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/711684 / HA ZA 25-1077
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W. Suttorp,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Salhi.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 november 2025, met producties 1 tot en met 8;
  • de conclusie van antwoord van 28 januari 2026, met productie 1;
  • de brief van 4 februari 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 21 april 2026.
1.2.
In haar bericht van 13 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat deze zaak naar haar voorlopig oordeel, gelet op het beloop van de vordering, verder moet worden behandeld en beslist door de kantonrechter. De rechtbank heeft partijen daarbij in de gelegenheid gesteld om zich hierover uit te laten.
1.3.
Bij e-mail van 16 maart 2026 heeft de advocaat van de man de rechtbank laten weten dat de man de handelsrechter bevoegd acht om van de vordering kennis te nemen, omdat de zaak betrekking heeft op een verdeling van een gemeenschap en de daaruit voortvloeiende vorderingen. Verder refereert de man zich aan het oordeel van de rechtbank.
1.4.
De (advocaat van de) vrouw heeft niet gereageerd.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank blijft bij haar oordeel dat de zaak moet worden verwezen naar de kantonrechter van deze rechtbank. De geldvordering van de man bedraagt € 7.061,73, wat veel lager is dan € 25.000 en wat dus maakt dat de kantonrechter bevoegd is (artikel 93 Rv Pro). Dat de vordering voortvloeit uit of betrekking heeft op een verdeling van de gemeenschap van goederen, maakt dit oordeel niet anders.
2.2.
Omdat de man zijn vordering niet heeft ingediend bij de kantonrechter, zal de rechtbank de zaak op de voet van artikel 71 lid 2 Rv Pro ambtshalve naar de kantonrechter verwijzen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rolzitting van de kantonrechter van deze rechtbank, locatie Rotterdam, op
woensdag 15 april 2026om
10:00 uur,
3.2.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,
3.3.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
3.4.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
[3961/1980]