In deze civiele procedure tussen een man en een vrouw over een geldvordering van €7.061,73 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen, aangezien het bedrag onder de grens van €25.000 ligt. De man had de zaak ingediend bij de handelsrechter, stellende dat het verband hield met de verdeling van een gemeenschap van goederen, maar dit verandert niets aan de bevoegdheid van de kantonrechter.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorlopige beoordeling dat de zaak naar de kantonrechter moet worden verwezen. De man handhaafde zijn standpunt, de vrouw reageerde niet. De rechtbank blijft bij haar oordeel en verwijst de zaak ambtshalve naar de kantonrechter op de rolzitting van 15 april 2026.
Partijen worden erop gewezen dat zij niet hoeven te verschijnen bij die zitting en dat zij in het vervolg van de procedure ook zonder advocaat kunnen optreden. Tevens wordt vermeld dat het griffierecht zal worden verlaagd en eventueel teveel betaalde griffierecht zal worden teruggestort.