ECLI:NL:RBROT:2026:4241
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang voor moeder en minderjarig kind
Verzoekster, samen met haar minderjarige kind, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang nadat zij vanwege huurachterstand haar woning in België moest verlaten en tijdelijk in Nederland verbleef. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat verzoekster in staat is zichzelf te handhaven met gebruikelijke hulp en zelf voor onderdak moet zorgen.
Verzoekster stelde dat zij en haar kind dringend opvang nodig hebben, mede vanwege haar behoefte aan schuldhulpverlening en traumaverwerking. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat maatschappelijke opvang niet bedoeld is voor huisvestingsproblemen en dat verzoekster zelfredzaam is. Uit een kindintake bleek dat het minderjarige kind geen andere zorgen kent dan de huisvestingssituatie.
De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit in bezwaar zal worden vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekster zelfredzaam is en het huisvestingsprobleem niet onder maatschappelijke opvang valt.