Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:4241

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
ROT 26/2696
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang voor moeder en minderjarig kind

Verzoekster, samen met haar minderjarige kind, diende een aanvraag in voor maatschappelijke opvang nadat zij vanwege huurachterstand haar woning in België moest verlaten en tijdelijk in Nederland verbleef. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag af omdat verzoekster in staat is zichzelf te handhaven met gebruikelijke hulp en zelf voor onderdak moet zorgen.

Verzoekster stelde dat zij en haar kind dringend opvang nodig hebben, mede vanwege haar behoefte aan schuldhulpverlening en traumaverwerking. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat maatschappelijke opvang niet bedoeld is voor huisvestingsproblemen en dat verzoekster zelfredzaam is. Uit een kindintake bleek dat het minderjarige kind geen andere zorgen kent dan de huisvestingssituatie.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat dit in bezwaar zal worden vernietigd. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen omdat verzoekster zelfredzaam is en het huisvestingsprobleem niet onder maatschappelijke opvang valt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/2696
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 april 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

S.P. Semeleer, zonder vaste woon- of verblijfplaats, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.H. Bahreman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam

(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang [1] voor haar en haar minderjarige kind. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 maart 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
4. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
5. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is in 2019 met haar minderjarige kind bij haar partner in België gaan wonen. Haar partner werkt in het buitenland (Kenia), maar sinds een half jaar heeft hij minder inkomen. Hierdoor is er een huurachterstand ontstaan en moest verzoekster de woning in België verlaten. Verzoekster is op 5 maart 2026 met haar kind terug naar Nederland gekomen. Zij heeft eerst bij haar zus verbleven, maar daar mag zij niet langer blijven. Verzoekster en haar kind zijn via het Rode Kruis tijdelijk ondergebracht in een hotel, maar dit verblijf eindigt op 10 april 2026.
Waar gaat het in deze zaak om?
6. Verzoekster heeft op 23 maart 2026 een aanvraag ingediend voor maatschappelijke opvang. Het college heeft deze aanvraag afgewezen. Volgens het college is verzoekster in staat om zich op eigen kracht (met gebruikelijke hulp) te handhaven in de samenleving. Zij dient daarom zelf in het onderdak van haar en haar kind te voorzien. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat zij en haar kind per direct worden toegelaten tot de opvang.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
8. Het college heeft voldoende onderbouwd dat verzoekster geen recht heeft op maatschappelijke opvang. Verzoekster heeft bepaalde zorgen en problemen, maar eigenlijk komt het erop neer dat zij een huisvestingsprobleem heeft en daar is de maatschappelijke opvang niet voor bedoelt. Verzoekster is zelfredzaam. Het bestreden besluit is heel kort, maar de zelfredzaamheid blijkt wel uit het dossier en de toelichting van het college tijdens de zitting. In de bezwaarprocedure kan de motivering verder worden aangevuld. Verzoekster heeft een beroep gedaan op artikel 3 van Pro het IVRK voor wat betreft de belangen van haar zoon. Er heeft een kindintake plaatsgevonden en daaruit blijkt dat er alleen zorgen zijn voor wat betreft de huisvesting en dat het verder goed met hem gaat. Verzoekster voert aan dat zij behoefte heeft aan schuldhulpverlening en (hulp bij) traumaverwerking, maar hier heeft zij de maatschappelijke opvang niet voor nodig. Dit zijn zaken die zij zelf kan regelen, eventueel met hulp van anderen. Verzoekster zal zelf actief op zoek moeten gaan naar huisvesting. Omdat zij geen recht heeft op maatschappelijke opvang, zal ze haar horizon moeten verbreden en kijken naar andere gebieden in Nederland waar de woningnood niet zo hoog is als in Rotterdam. De voorzieningenrechter heeft op dit moment onvoldoende aanknopingspunten om te denken dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college geen opvang hoeft te verlenen aan verzoekster. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026 door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo)